Een selectie uit de gedichten…
Deze pagina “Alle gedichten tot dusver en verder” zal, zo maken wij ons hier sterk, op geregelde tijdstippen aangevuld worden met een nieuw of oud gedicht van vroeger of vandaag.
(P.R.)

Album
(uit ‘Too late blues’, al te late brieven aan John Cassavetes en anderen )
Album dat zich opent als een deur. Zie ons staan!
Middenin een decennium zonder naam of taal,
Herfsttij der Seventies, vrijheid blijheid in het tijdschrift
van de tuin. Getrouwd en wel, glimlach van de wereld,
job, auto, huis, en een hoofd dat net nog niet naar de wind
wou hangen, hebben we voor het eerst jouw films gezien.
In een aftandse zaal lagen de kopieën klaar. Ik vertaal
ook nu nog vrij: Schaduwen, Te late Blues, Kind
dat wacht, Echtgenoten, Openingsnacht. Vrouwen
onder invloed, Gezichten, Gloria, de beelden sprongen
van het doek, sloegen tussen onze ogen toe.
Aan jouw kicks en kijk ten prooi schoven we over het hout
van onze stoel, alsof waarheid nooit zonder pijn bestaat.
Na afloop, ik zie het nog, aten we in de Hobbit,
ribben met de blote hand, lachten de scherpte weg,
raakten het bij de wijn toen al niet eens of het al dan niet
te vroeg voor woorden was, voor wat, vroeg of laat,
net als in die films van jou ook in onze ziel ontbranden moest.
Uit: “Van het hart een steen” – 2009 – Uitg. Poëziecentrum
Toegevoegd aan Pagina: Alle gedichten tot dusver en verder op ma 20/1/2025
Dit n.a.v. de toneelbewerking van het gezelschap ‘De Hoe’ van ‘Opening Night’
Facebook-bericht van 9 Januari 2025


Slang
Avond! Zo’n avond is het dat het licht
in de kamer samen met ons van geluk
mag spreken. Binnen wordt het alsmaar stiller
terwijl buiten de volte van de wereld woedt
en wij daarin allang niet meer ontmanteld
en liftend met een rugzak langs de wegen staan.
Onder mijn hand weet ik de woorden slinken,
krimpt wat kleiner is in de nasleep van onze liefde.
Jij leest over mijn schouder mee hoe niets
van mij nog bang is om zich bloot te geven.
Heel dicht op onze huid zal ik schrijven dat ik
tussen alle talen door een soort Slang zal spreken.
En jij, jij zal liedjes zingen in het Italiaans
en schoenen dragen, gemaakt om weg
te wandelen uit het grijs van onze steden.
© Paul Rigolle
Dit gedicht werder eerder gepubliceerd in een ‘Poëtisch bericht’ van het kunsttijdschrift Vlaanderen – 359/2016. In datzelfde nummer verschenen ook de gedichten Genade (onder de titel Missie) en Okkernoot (onder de titel Ladderdrift).
Facebook-bericht van 8/12/2023


Recanati
(denkend aan Wallace Stevens)
Het maakt een verschil van jaren.
Hier, neergestreken in dit oude oord
dat Recanati heet, bewoon ik het landschap
van voor de regen terwijl thuis
de struiken in mijn kamer groeien.
Het hoofd te bieden aan wat voorafging, Wallace!
Het leven blijft ons voorgaan in wat we zijn
begonnen. De stukken die we hebben
weggenomen, voegen we jaren later opnieuw
aan onze archieven toe tot we denken
iets nieuws te hebben uitgevonden.
Het een draai te geven, tot slot! Een krul
in een geschrift. Vol ontzag te buigen!
Omdat niets voorspelbaar is, wordt alles
waargemaakt in wat er staat geschreven.
© Paul Rigolle
Uit de cyclus ‘Ver weg in Europa”, in de bundel
‘Tot het bestaat‘ (C. de Vries-Brouwers, 2013)
…/…

Herinnering aan Aldeia das Dez

Aldeia das Dez
Dorp van de Tien, dorp uit de duizend
waar mijn moeilijk Portugees van mijn taal
de hoeken schuurt en rondt.
(Taal die ik wil spreken. Taal die mij van
de waarheid de woorden doet verzinnen.)
De oceaan ligt achter ons, de klamme kust
een herinnering. De warmte zet ons
als in een stolp te kijk. Veel meer dan
wat er van onze reizen rest hou ik over.
Wie hier nog de dingen en de dagen
meten wil moet wel met klem ontkennen
dat de dingen niet te meten zijn.
© Paul Rigolle
Uit de cyclus ‘Ver weg in Europa”, in de bundel
‘Tot het bestaat‘ (C. de Vries-Brouwers, 2013)
Het gedicht ‘Aldeia das Dez’ schreef ik na een vakantie in Portugal in juni van het gezegende jaar 2010.

Carnac
Vaak al heb ik gedacht: ik ga ’s naar Carnac
waar die grote stenen staan. In rijen opgesteld
of in vierkantvorm, in Le Menec of Kermario.
Grafheuvels zijn het, megalieten
van eeuwen her waarvan niemand weet
hoe of waar, of wat hun afkomst is.
Wie heeft ze aangericht? Wie trok ze op en
zette ze daar neer? In wonderlijke patronen,
lijnen waarover lijkt nagedacht. Maar Carnac,
de naam alleen al, kraakt een beetje. Ik ben
geen ramptoerist, en een fiets die bergop wil
is niets voor mij. Vlak is mij genoeg. Zoals ook
het landschap is dat ik het mijne noem
en dat mij opgenomen heeft als een zoon.
Mijn zon en maan bevinden zich waar ik ben.
Al jaren, eeuwen al. Straks heb ik genoeg
aan wat met mij verwaaien mag.
As en zand als een adem richting zee.
© Paul Rigolle
(Ongepubliceerd)
Facebook-post 12/6/2023

Romantiek
Romantiek. Ach wat, het woord is veel te dik voor wat
een man verdragen kan, geen draaiboek kan sterker
dan het leven zijn. Schelden en vechten, dansen, drinken,
eten, vrijen, werkwoorden van elke dag, daar gaat
het om. Water en brood, wildernis, bliksem die ooit de eik
zal splijten, over alles had je het waarop men niet
te wachten zat. Filmend binnen de muren van jouw eigen huis,
in clair-obscur dat naar het leven staat, in zwart en wit,
de beelden sneden los wat niet los wou zijn. Je liet niet af,
er was geen reden voor, je ging maar door. Tegen het maatwerk,
tegen de tijd, als het moest zelfs met de botte bijl.
In Hollywood joegen ze jou de tempels uit, jouw naam
stond op hun lijst. Maar jou een zorg, hun tamme droom
heeft zelden iets met vlees en bloed vandoen, ze hebben ogen
die niets zien. Weten zij veel dat wat aan het eind van elke lijn
van ons moet resten, wel vaker samenvalt, met wat verkleumd
en uitgeblust blijft liggen, lichaam op een bank in het park
waaraan in de ochtend fluitend voorbij gelopen wordt.
© Paul Rigolle
Uit de cyclus “Too late blues” – Al te late brieven aan John Cassavetes
(1929 – 1989) en anderen. In de bundel “Van het hart een steen“, Poëziecentrum 2009.

Maalstroom
Neon sneeuwt. Torens klieven de hemel open.
Haast en honger. Werven, Parken, Tuinen.
Het leven hier lijkt een ren in een heelal
dat deint en krimpt als water, opgesloten
in een rots van ijs. Het kolkt en klokt.
Het bruist en schreeuwt. Het stokt en stroomt.
Ontwikkelaar, stickerkoning en man van
graffiti. Zie die dansen en zij die dromen, alles
lijkt op weg. In wat in taal en tics gedreven
en beschreven wordt, in wat versleten raakt
kantelt alles naar het licht. Het leven
smaakt naar veel en vaak, en meer.
Zoals het strand zich elke dag opnieuw
laat maken kan geen beeld ooit
hetzelfde zijn, voor wie hier onderduikt.
Voor wie, gehavend in alle straten, in deze
wilde tuin van steen, met grote ogen bidt
dat geen bron mag drogen.
(Met dit gedicht werd Paul Rigolle in 1998 de allereerste laureaat van de tweejaarlijkse Poëzieprijs van de Stad Oostende. Tijdens de Poëzieweek van 2022 was het vierentwintig jaar later een van de ‘Weesgedichten‘ die Oostende tot een nog mooiere plaats maakten dan ze voordien al was…)
Zie ook dit blogbericht:
Leve de maalstroom van de poëzie


Jaagpad
Trage wegen dragen ons als leestekens
in het landschap. Even halt te houden,
even een punt te zetten. Kijkend naar
wat achter ons ligt en naar wat nog
moet komen, zoveel tijd is er ons gegeven
om ons niet te moeten haasten.
Adempauze. Pas op de plaats.
We ademen in en uit, bladeren
in het boek van tijd en ruimte,
slaan lang en breed een brug,
wandelen en fietsen langs het water
dat tussen de oevers deint en kolkt
en klokt. Een stroom te volgen!
Een rivier op aarde en dan plots beseffen:
Geluk is een jaagpad in de regen.
© Paul Rigolle
Dit gedicht maakt deel uit van het “Poëziepad van A tot Z” staat sinds oktober 2021 langs het Jaagpad van de Schelde tussen Escanaffles en Bossuit. Op de grens van twee talen, op de grens van wie het verbindt. Renaat Ramon schreef er in ‘De Geus’ een aantal mooie bedenkingen bij: “Geluk in de regen”.
Meer info:
‘Jaagpad’ langs de Schelde’ (blogbericht)
Renaat Ramon over het gedicht in ‘De Geus’
De Geus

Knipmes
(I.M. Maaike Bearelle)

Er stond een torenkraan als een knipmes
boven de stad, die dag. De lucht betrok.
Vergeefs grepen we met onze camera’s
naar het ongrijpbaar licht.
Aan die dag en aan alle andere dagen
in jouw naam terug te mogen denken.
Het rode lint van de herinnering als
een pijnscheut doorheen het zwarte haar.
Vereeuwigd hoeven we niet te worden.
Eén ogenblik lang het licht vast te mogen
houden in de blik van mensen, kan volstaan.
En weten dat wat bij de gratie
van het beeld wordt vastgelegd,
ons al zoveel langer voor ogen staat.
© Paul Rigolle
Dit gedicht werd in hele vroege instantie gepubliceerd op de blog paulrigolle.blogspot.com:
Oorspronkelijk bericht: Blogbericht van dinsdag 10 juni 2014 :
Vandaag namen we in de Gentse Sint Stefanuskerk afscheid van Maaike Bearelle. Maaike die op woensdag 4 juni 2014 overleed, was een – o die understatements – geliefde fotografe in Gent en grote omgeving… Zij maakte de foto’s die als kaftontwerp dienden voor mijn dichtbundels Van het hart een steen (2009) en Tot het bestaat (2013). Recent bezorgde zij ook de foto die als basis diende voor de cover van ‘Poppy en Eddie‘ van Herman Brusselmans.

…/…
Alle gedichten tot dus en verder
Deze pagina “Alle gedichten tot dusver en verder” zal, zo maak ik mij sterk, op geregelde tijdstippen aangevuld worden met een nieuw of oud gedicht van vroeger of vandaag.
