Over leven en werk van Koenraad Goudeseune
(een proeve tot In Memoriam)
Paul Rigolle
13 augustus 2021
Schrijven is alleen maar zo indrukwekkend
mogelijk dronken zijn.
Koenraad Goudeseune

Op 9 december 2020 overleed veel te vroeg en nog helemaal Media Vitae, in het midden van het leven de dichter en schrijver Koenraad Goudeseune (Ieper 23/2/1965 – Gent 9/12/2020). Goudeseune had zich aan het eind van zijn leven als niets ontziend auteur van verhalen, romans in brieven, recensies en vooral van kwikzilveren Goudeseuniaanse gedichten een flinke literaire reputatie bij elkaar geschreven .
Na de publicatie van zijn eerste gedichten in het tijdschrift Dietsche Warande & Belfort en een kortverhaal in het NWT van Herman de Coninck, zowat zijn literaire held, debuteerde Koenraad Goudeseune in het jaar 1993 met de roman ‘Vuile was’. Het boek werd in literaire kringen gunstig onthaald. In de Westhoek van waar hij – geboren in Ieper en opgegroeid in Boezinge – afkomstig was, was dat net iets minder het geval. De titel van zijn debuutboek dekte immers meer dan de lading. Goudeseune hing in zijn debuut de ‘vuile was’ uit van het bekrompen en volgens hem kleinburgerlijke milieu waaraan hij wenste te ontsnappen. Het werd hem in zijn streek van herkomst niet overal in dank afgenomen.
In Gent waar hij vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw een nieuwe biotoop én toevluchtsoord vond, verdiende hij, zoals het vermeld staat op zijn Wikipedia-pagina (1), onder meer de kost als vrachtwagen- en taxichauffer, nachtwaker, privéchauffeur voor een Belgisch politicus, recensent, kelner en medewerker bij het kunstencentrum Vooruit. En wellicht is dit biografisch lijstje dat sterk lijkt op een verhaal van twaalf stielen en dertien ongelukken, niet eens volledig.
Schrijven was en bleef bij dit alles wel zijn hele leven. Altijd had hij geschreven. Altijd zou hij blijven schrijven. Het ging niet elke keer van harte, maar het ging. Met de verbetenheid die hem eigen was. En mét het onmiskenbaar talent dat hem was toebedeeld. “Schrijven is alleen maar zo indrukwekkend mogelijk dronken zijn” staat er ergens in zijn nog onverzameld werk.
Hoge inzet
Tussen 1993, het jaar van zijn debuut ‘Vuile was’ en het jaar van zijn overlijden in 2020 zou zijn bibliografie uiteindelijk negen dichtbundels en zeven prozaboeken (waaronder drie brievenboeken) tellen. Niet kwaad als bilan voor iemand die met de nodige verbetenheid (die later ook gepaard ging met verbittering) het schrijven altijd had moeten combineren met een job waarvoor hij in de meeste gevallen niet in de wieg was gelegd.
Tot en met het jaar 2011 konden zijn boeken terecht bij uitgeverij Atlas Contact van Emile Brugman, pas opgericht in 1991, waarbij Goudeseune een van de eerste Vlaamse schrijvers was. Twee decennia later werd, toen bij Atlas Contact goeie verkoopscijfers uitbleven en de samenwerking werd stopgezet, de publicatie van zijn boeken een heuse lijdensweg. Vanaf de publicatie van het brievenboek ‘ in 2018 zag het er met de publicatie van zijn sterke dichtbundel ‘Merkwaardige producten’ evenwel weer naar uit dat hij met Douane opnieuw een uitgeverij gevonden had die zich met de nodige ernst over hem en zijn werk kon ontfermen. En meteen ook kregen we de stellige indruk dat we van Koenraad Goudeseune nog het allerbeste niet hadden gelezen. Zijn inzet op de literatuur bleef ondanks het latere latente gevoel van miskenning en mislukking al die jaren hoog en intens. Het schrijven, en alleen het schrijven, was zijn uitgelezen strijdmiddel om de onhebbelijkheden en de sores van het leven en de liefde te lijf te gaan.
Het vrij onweerstaanbare gedicht ‘Mes’ uit ‘Dichters na mij’ zijn laatste Atlas-bundel uit 2011, kon en kan op dat vlak doorgaan als zijn ‘ars poëtica’.
Mes
Stel dat schrijven slechts het gooien van een mes is
in een oceaan.
En dat gedichten, meer dan verhalen,
messen zijn die uit ’s mensen handen vallen.
Stel dat de dichter geen intentie had
een mes te gooien,
het toevallig pakte
en het per ongeluk liet vallen.
Een mes waarmee hij groenten had willen snijden,
of het vuil vanonder zijn nagels.
En dat nu naar de bodem zakt
en daar de hele oceaan doet bloeden.’
(‘Dichters na mij’ Atlas Contact, 2011, p 17)
Zijn hele leven draaide om het schrijven, zelfs wanneer hij er in periodes van drank en wanhoop niet toe kon komen. De schrijver Goudeseune viel samen met de identiteit van de man zelf. De literatuur als ultieme redplank om het leven aan te kunnen. Over de schrijver, en dus over zichzelf, en over de betekenis die het schrijven voor hem kon hebben zei hij in een Facebook-post van 13/6/2020:
“Wie, zoals ik toen en daar, in de verzin-modus zit, wie dus weet of tenminste hoopt dat hij weldra met het schrijven van een roman zal aanvangen, maar nog niet daadwerkelijk met schrijven begonnen is, ziet de hem omringende wereld alvast door een bril van taal en ervaart die wereld als een vol te schrijven bladzijde. Ook al schrijft hij nog geen letter, het is alsof hij niet langer van vlees en bloed is, maar van alfabet. In plaats van een duif die in de dakgoot van een flatgebouw de veren aan het poetsen is, ziet hij een zin, een taalkundige constructie waarin sprake is van een duif die zich de veren poetst.”
Bij die ‘verzin-modus’ was er bij Goudeseune evenwel weinig plaats voor fictie. De voornaamste en misschien wel enige voedingsbodem voor zijn gedichten en zeker ook voor zijn proza was die van zijn directe omgeving en zijn eigen leven. En de jobs die hij aan elkaar reeg. Het maakt dat je zo goed als al zijn werk autobiografisch kunt noemen. De hoofdfiguur in zijn gedichten en in zijn proza, niet in het minst ook dat van de brievenboeken, is Koenraad Goudeseune zelf. Of toch iemand die daar als twee druppels water op lijkt.
Zijn allerlaatste boek, de roman ‘De nuttige last van tragiek’, helemaal aan het eind van zijn leven bij Douane verschenen biedt een relaas van het leven van een man die alleen is achtergebleven in een lege wereld. Fabrice Mundo is de naam en het is moeilijk om er geen zeer direct alter ego van Goudeseune in te zien. Mundo is een vroege vijftiger, werkloos en op weg naar wat snel vertier in Oostende. In de persoon van Charlotte die hij onderweg ontmoet vindt hij toch nog even iemand om tegen te praten. Maar goed loopt het verhaal niet af. Het Noord-Franse dorp waarin ze terecht komen wordt tijdens hun verblijf in de as gelegd. Charlotte blijft in het inferno van de brand en Fabrice keert moederziel alleen terug naar Gent.
Goudeseune geeft zich in zijn werk bloot tot op het bot. Soms tot op het gênante af. Het portret van de volbloed romanticus die hij aan het eind van de lijn wel degelijk altijd was en bleef, wist hij gelukkig neer te zetten met een grote dosis ironie, relativering en zelfspot. Zijn werk en zijn gedichten nam hij zeer au-serieux. ‘Een goed gedicht is slimmer dan zijn maker‘ klonk het. (2) Maar daartegenover liet hij zichzelf wel toe om zichzelf als een halve paria en outcast neer te zetten. “Het zeikschap is aan de fles” schreef hij als hij het weer ’s een periode op een drinken zetten. Zijn thema’s lagen al vrij vroeg en onveranderlijk vast. Liefde en de onmogelijkheid ervan, verlatenheid en dood, het dichterschap als redmiddel voor en antwoord op de archilastige onvolkomenheden van het leven. Sarcasme en zwarte humor kleurden zijn werk. Heel regelmatig smokkelde hij pseudo-grappigheden zijn gedichten binnen die uiteindelijk vaak als flauwiteiten uitpakten. Helderheid en lichtheid waren zijn fort en waar hij voor stond. Goudeseune cultiveerde immers een grondige hekel aan intellectualisme waar hij op neerkeek. Ook de meeste vormen van experimentele poëzie waren absoluut niet aan hem besteed:
Met het “postmoderne gekukel” in de hedendaagse literatuur liep hij niet hoog op: “alleen maar moeilijk geklep,” vond hij: “Van geëxperimenteer in de poëzie / heb ik nooit het waarom begrepen.” Een gedicht mocht “alleen maar ontroeren. Dat is al moeilijk genoeg.” Bovenal echter hechtte hij aan moed: “Ik vind dat een gedicht naast mooi ook moedig moet zijn, en moed trekt zich van de in zwang zijnde esthetica geen zak aan.” Hij schrok er niet voor terug dat oordeel te verkondigen aan wie het maar horen wilde, en ook aan wie dat niet wilde: “Ik geloof dat ik (…) mensen tegen het zere been heb geschopt en op lange tenen ben gaan staan en sinds enkele dagen draait nu ook het Belfort zijn kop weg als ik kom aangelopen.” (3)
In een interview met het tijdschrift Extaze lichtte Goudeseune de sluier over tijdschriften, zijn dichterschap en andere dichters (4):
Negentig procent, en als het dik tegenzit negenennegentig procent van de gedichten die in literaire tijdschriften verschijnen, begrijp ik eerlijk gezegd niet. Er is in mij geen verlangen daar tussen te gaan staan. Vroeger wou ik nog wel eens een half uurtje op zo’n gedicht zitten kauwen en na dat half uurtje begreep ik er nog altijd niets van. Nou, dan houdt het op. Pas op, ik verdiep me graag en veel in teksten die je niet meteen toegankelijk kunt noemen en ik voel me de koning te rijk als mij een zweem van begrijpen deelachtig wordt.
Verongelijkt
Het gevoel van miskenning maakte zich in de loop van de jaren meer en meer van hem meester. Problemen om zijn werk uitgegeven te krijgen, het gebrek aan echt lofklokkenluidende recensies en het gevoel niet in wat hij noemde literaire “ons kent ons”-kringen thuis te horen deden hem geen deugd. Dat hij aan prijzen of bekroningen nooit iets meer had gekregen dan al vroeg in zijn carrière een eervolle vermelding voor de Lubberhuizenprijs en een nominatie voor de Jo Peters Poëzieprijs, reken maar dat ook dat stak. Hij voelde zich verongelijkt en maakte er openlijk alsmaar minder een geheim van dat hij leed onder dat gebrek aan erkenning. Wat vooral zijn vrienden wisten: uiteindelijk zat onder de ruwe bolster én die stoere vlammende pen ook bij hem slechts een hart dat, ja juist, de grootte had van een flinke blanke pit. Koenraad was voor wie hem echt kende alleen maar een vriendelijke, ja zelfs onzekere man die kon schrijven en dat voor alles ook hardnekkig wilde laten blijken.
Steeds vaker kwam het zelfbeklag als item, én als stijlfiguur, zijn proza en zijn poëzie binnensluipen. Ook daar bewees hij zichzelf en zijn schrijverschap absoluut geen dienst mee. Het zorgde er voor dat hij bitter en met enig leedvermaak begon neer te kijken op alles wat met de Vlaamse poëzie te maken had:
Ik had geen zin meer in Vlaamse poëzie. Vlaamse poëzie leek me, instede van wat het zou moeten zijn, een ploegsport waarvan het de leden meestentijds aan individuele noodzaak en brille ontbreekt, Vlaamse poëzie als het equivalent van moddervoetbal in derde provinciale waarin de keeper niet tegen de linkse libero zegt dat hij nauwelijks tegen een bal kan stampen en de linkse libero op zijn beurt zijn kop houdt als de keeper de bal knullig door zijn benen laat glippen. (5)
In het gedicht Avondkelner (6) klinkt dat zo:
Avondkelner
Wie nog gedichten schrijft in het Nederlands
is niet goed bij zijn hoofd.
Collaboreert zo je wil met de postmoderne kliek
die van Nederlandstalige poëzie iets heeft
gemaakt dat je onder intellectuelen kunt verdelen.
Tot er niets meer te verdelen valt,
tot alles is verkruimeld in deridatjes
en verzuchtingen op niveau.
En men tot de nederige vaststelling komt
dat bijna niemand gedichten kan schrijven.
Wie nog gedichten schrijft in het Nederlands
is niet goed bij zijn hoofd. Hij kan het niet,
ziet als hij in de spiegel kijkt een avondkelner.
© Koenraad Goudeseune
Ook over het proza dat verscheen was hij niet (erg) te spreken:
Nou, ik bedoel daarmee dat je tegenwoordig absoluut geen roman meer hoeft te lezen om erachter te komen wat een roman precies is, tot wat een roman in staat is. Kort gezegd, de hoofdmoot van de hedendaagse romans wordt niet uit taal geboren, maar uit plot. Oorspronkelijk was de roman bedoeld om van een rode draad, een verhaal, een labyrint te maken. Thans wordt van een labyrint een rode draad gemaakt. Dat kan onmogelijk de bedoeling zijn. Dat is literaire armoede. Nou, ik heb een verhaal, jij hebt een verhaal. Zelfs die lul daar bij het biljart, ja die man daar met zijn snor, heeft een verhaal. Iedereen heeft een verhaal, om de simpele reden dat iedereen een leven heeft te leven en er in dat leven nou eenmaal vanalles gebeurt. Als dat allemaal moet worden opgeschreven, als dat allemaal literatuur wil zijn, dan is het einde zoek natuurlijk. Zelf houd ik er een schaal van Proust op na. Je kunt de recherche kort samenvatten: Marcel wordt schrijver. Pas na vijfduizend bladzijden, meesterlijke bladzijden mag ik wel zeggen, besluit de verteller met vertellen eindelijk te gaan beginnen. Is dat niet wonderlijk? (7)
Woelwater
Stilaan raakte bij Koenraad Goudeseune de zin voor nuancering zoek. Een blad voor de mond te nemen, nee dat had hij opgegeven. Prominent nam hij vooraan plaats in de ‘galerij van de malcontenten’. Veelvuldig waren ook de etiketten die Koenraad Goudeseune – al dan niet openlijk uitgesproken – bij leven kreeg opgekleefd. Van eeuwige poète maudit over ‘de Vlaamse Houllebecq’ tot ‘angry young man’ en rebel zonder een reden. Alle bevatten ze, zoals dat met etiketten gaat een vorm van waarheid. Vooral het epitheton ‘woelwater’ dook te pas en te onpas op bij het noemen van zijn naam. Dat had hij te danken, of te wijten aan zijn ongemeen scherpe grimmigheid, ja zelfs boosaardigheid, die hij met de jaren steeds vaker op de wereld losliet. “Hij deed soms zo zijn best om zichzelf onmogelijk te maken en mensen te schofferen” zou een vriend na zijn overlijden zeggen. Dat deed Koenraad onder meer in de recensies die hij omstreeks het tweede decennium van deze eeuw schreef voor onder meer Knack Boeken en de literaire site De Contrabas. Maar ook in zijn brievenboeken en op zijn blog ‘Grof Brood’ liet hij niet na om wanneer hij dat maar nodig vond hard en vilein uit te halen. Zelfs vrienden moesten er af en toe van lusten. Veelvuldig en impulsief gebruik makend van internet en Facebook was hij ook daar een te duchten (en voor velen te mijden) dwarsligger. Vaak ook schimpend op de ‘incrowd’ bij wie hij zich een buitenstaander voelde en op al wie er wel in slaagde om van zijn pen te leven.
Het maakte dat sommigen hem in besloten kring ‘kribbige Koen’ gingen noemen. Veel van zijn kritische passages mochten dan wel satirisch bedoeld zijn, de geviseerden zullen maar weinig redenen gezien hebben om het allemaal zomaar als Goudeseune-geraas en gedaas weg te zetten. Talrijk zijn de mensen die van Koenraad Goudeseune om zijn eigen particuliere redenen fikse vegen uit de would-be satirische pan kregen. Op het internet zijn er her en der nog een groot aantal van die sporen terug te vinden.
Toen bleek dat er in december van 2008 van hem maar één gedicht zou worden opgenomen in Hotel New Flanders, de omvangrijke bloemlezing van 60 jaar Vlaamse poëzie tussen 1945 en 2005, begon hij een rondje fulmineren tot het niet mooi meer was:
Dat zei ik. Ik bedoel: lig je daar jaar in jaar uit, bundel in bundel uit, je ziel te spellen en plukt van Zwingelaere er slechts één gedichtje, één miezerige bladzijde uit en geeft hij, in een uitgestrekt voorwoord, ook nog te kennen dat deze brede groep van 1-ster-poëten hem en zijn paradigma’s alleen maar voor de voeten lopen. Je kunt het, wat mij betreft, niet gekker bedenken, maar zo is het in de Vlaamse poëzie, en ik zeg: de brand er in! (8)
In een brief aan Benno Barnard schrijft hij, een evaluatie van het Vlaamse Letterenfonds ironisch parafraserend:
“Ik bezit een interessante voyeuristische kijk op het leven van het hoofdpersonage, een vlotte en spitante vertelstijl, spijtig alleen dat mijn proza bol staat van zelfbeklag en rancune en nauwelijks de anekdotiek overstijgt.” (9)
Toch dient gezegd dat zijn gramschap hem vooral werd ingegeven door de hoge kwaliteitseisen die hij stelde aan de gedichten en het proza van anderen in het algemeen en die van zichzelf in het bijzonder. Verdienstelijk werk leveren volstond niet voor Goudeseune! Excelleren, of toch daartoe de vaste wil hebben, was waar hij voor zichzelf en voor anderen de lat legde.
“Zijn afkeer voor het literaire wereldje ging gepaard met een even romantische als destructieve opvatting van het schrijverschap” schreef Piet Piryns in ‘Jullie waren fantastisch aan mijn sterfbed’, zijn mooie herdenkingsstuk in het papieren lentenummer van 2021 van Apache. (10)
Bij dat stuk stonden ook vijf van de sonnetten die Koenraad Goudeseune in razend tempo en zeer lucide in de laatste dagen van zijn leven schreef. Ook in ‘Vrachtbrief’ uit 2019, misschien wel zijn beste bundel ooit, stonden al een flink aantal parlando-achtige sonnetten. Die sonnetvorm zonder rijm (4-4-3-3) bleek hem de laatste jaren op het lijf geschreven. Deze niets en niemand ontziende gedichten bewijzen hard en schrijnend dat Koenraad Goudeseune in de eerste plaats een dichter was. In haar beste momenten greep én grijpt zijn belijdenislyriek ronduit naar de keel. Het bewijst wat hij was: een dichter met allure.
Zijn werk mag dan in het algemeen misschien een resem flauwiteiten en goedkoop grappige invallen bevatten, een flink aantal gedichten van Koenraad Goudeseune verdienen het om zonder meer klassiek genoemd te worden. Ook zijn brieven en hele stukken proza van zijn hand zijn er, waar hij het schimpen en het zelfbeklag binnen de perken houdt, om blijvend te bewaren. En te lezen.
Ter illustratie een wat willekeurig gekozen fragment uit zijn brievenroman ‘Wat duurt op drift zijn lang’ (11)
‘Ik was vanmiddag in het Museum voor Schone Kunsten. Mijn ogen waren moe van het lezen en buiten was het erg aardig herfst. Ik dacht er goed aan te doen wat frisse lucht op te snuiven en wat daglicht te consumeren, verstoken van dat laatste als ik meestal ben. Het museum grenst aan een stadspark met daarin bronzen bustes van in de vergetelheid geraakte staatsmannen, dokters, architecten, weldoeners, kunstenaars allerhande. Gele eikenbladeren woeien rond mijn doldwaze kop. In mijn verbeelding, en alleen in mijn verbeelding, liep ik er naast jou. Ik goot grappige dingen in je oor en vroeg aan een meer dan levensgrote Emiel Claus ons met zijn penselen te vereeuwigen.’
In een In Memoriam in Poëziekrant (12) schrijft Ron Elshout die zijn werk vergelijkt met dat van een zekere… Heinrich Heine: “Vanonder de op het eerste gezicht autobiografische anekdotiek ademt een wijdere strekking: die van een existentiële, metafysische eenzaamheid, die zich onder meer uit in gevoelens van verlatenheid, verguizing, afgewezen te worden.”
In het najaar van 2020 werd bij Koenraad Goudeseune vergevorderde kanker vastgesteld. Na een initiële behandeling en een operatie in oktober werd hij in november 2020 uit het ziekenhuis ontslagen. Kort daarna maakte Koenraad Goudeseune op zijn Facebookpagina bekend dat hij, uitbehandeld, nog voor het einde van het jaar voor euthanasie zou kiezen. Hij koos er voor om tot het eind zelf soeverein over zijn leven te belissen. Hij overleed op woensdag 9 december 2020.
In een facebook-bericht van 10 december 2020 kondigde Hans Van Willigenburg die zich met Uitgeverij Douane over zijn latere werk ontfermde samen met zijn dood ook de bundels ‘Laatste woorden’ (21 afscheidsgedichten) en een bundeling van zijn beste sonnetten aan. De laatste gesuggereerde titel voor die sonnetten was ‘Ik heb voor niks geschreven‘. Uiteindelijk komen de ‘Nagelaten Gedichten’ niet bij Uitgeverij Douane terecht maar wordt Koenraad Goudeseune postuum opgevist door Uitgeverij Atlas Contact, zijn eerste uitgever, die hem nochtans in het jaar 2011 de wacht had aangezegd. Uiteindelijk zullen zijn laatste gedichten op 17 december 2021 verschijnen in de vorm van een bundel met als titel ‘Nagelaten gedichten’.
Een standbeeld in zijn geboortedorp zal Koenraad Goudeseune wel niet krijgen maar de fans van zijn werk hopen met mij dat de publicatie van zijn ‘Nagelaten gedichten’ een aanzet kan zijn om nog meer werk van deze eigenzinnige en al te vroeg overleden poète maudit beschikbaar te maken voor al wie er onbevangen voor openstaat.
© Paul Rigolle
13 augustus 2021
Dit artikel verscheen eerder onder de titel ‘Het gooien van een mes in een oceaan‘ in het Jaarboek van de VWS (‘Dun lied donkere draad’) – Jaarwerk MMXXI – oktober 2021
https://blogvandevws.blogspot.com/2021/11/jaarwerk-mmxxi-de-inhoud.html
NOTEN
[1] Wikipedia-pagina Koenraad Goudeseune met o.a. bibliografie: https://nl.wikipedia.org/wiki/Koenraad_Goudeseune
[2] ‘Een goed gedicht is slimmer dan zijn maker‘ : Koenraad Goudeseune over zijn poëzie – Lotte Dodion in Kunsttijdschrift Vlaanderen, Jrg. 61 (2012) nr. 340, p. 105-108
[3] Dionysisch inferno – Matthias Somers
https://leuven.bibliotheek.be/en/catalog/koenraad-goudeseune/de-nuttige-last-van-tragiek-roman/book/library-marc-vlacc_10305585
[4] Zinsnede uit het tijdschrift Extaze –geciteerd in een overlijdensbericht op Tzum.
https://www.tzum.info/2020/12/nieuws-koenraad-goudeseune-1965-2020-overleden/
[5] In Knack Boeken 20/5/2012 – Recensie over de bundel ‘buiten westen’ van David Troch. Knack Boeken 20/05/12
[6] Avondkelner uit ‘Het probleem met mensen die naar zee gaan’-Leesmagazijn, 2014.
[7] Uittreksel uit ‘Al mijn risico’s zitten onder het stof’, een titel die behalve op zijn weblog niet in boekvorm verscheen maar die opging in het brievenboek “Het boek is beter dan de vrouw”. In deze versie ook verschenen op zijn weblog ‘Grof Brood’ https://wwwgrofbrood.blogspot.com/2015/04/)
[8] IJdeler dan een dichter is een kleinere dichter. Grof Brood – 31/8/2014
[9] Wat duurt of drift zijn lang, Koenraad Goudeseune. P 89
[10] Piet Piryns in Apache, Lentenummer 2021
[11] Wat duurt of drift zijn lang, Koenraad Goudeseune. P 141
[12] Flessenpost voor Koenraad Goudeseune, Ron Elshout in Poëziekrant, maart-april 2021
Met dank aan Akim A.J. Willems voor de Wikipedia-foto’s van het verzameld werk en aan Gust Peeters voor de Foto van KG lezen in ‘De Pastorie’





