Misschien zit ook bij mij de ouwe Heer Thomas Stearns Eliot er wel voor iets tussen… Zou het? Kan het! Vaak en veel geciteerd alvast – en niet alleen door mij – is dat eerste, overbekende vers uit ‘The Burial of the Dead’ uit “The Waste Land” dat uit het gezegende jaar … 1922 dateert…
‘April is the cruellest month, breeding Lilacs out of the dead land, mixing Memory and desire, stirring Dull roots with spring rain.’ (…)
En kijk – honderd jaar en een eeuwigheid later – schrijven we, schrijf ik, alweer eind april en daar, daar treden net als elk jaar opnieuw de blikkerende scharen van de ploegen aan om alles bloot te leggen en te ontginnen. Om de winter achter ons te laten en open te breken wat – diepe ader van de aarde – was dichtgeslibd…
Weinig, weinig gaat wat mij betreft boven de aanblik van die brakke, blote, opengereten Aarde van April. Klaargelegd, omgeploegd en aangesneden voor wat komt! Een vorm van intense blijheid maakt zich zowaar van mij meester. Een blijheid is het die haaks staat op de gevoelens die de actuele toestand van de wereld momenteel oproept.
Maar mag het even… Dat hoop scheppen, dat moed vatten… Laat april – wreed of niet, cruel or not – dus nog maar even duren!
Renaat Ramon, al sinds ik hem in het gezegende jaar 1976 mocht leren kennen meer dan een man naar mijn hart, schreef voor het blad ‘De Geus’ dat driemaandelijks verschijnt een ‘poëstille’ over mijn gedicht ‘Jaagpad’.
Het gedicht dat deel uitmaakt van het “Poëziepad van A tot Z” staat sinds oktober van verleden jaar langs het Jaagpad van de Schelde tussen Escanaffles en Bossuit. Op de grens van twee talen, op de grens van wie het verbindt.
Gejaagd is de dichter Paul Rigolle (°1953) niet. Zijn recentste bundel Tot het bestaat verscheen in 2013. Sindsdien publiceert hij zijn gedichten vooral in Digther, een tijdschrift waarvan hij omtrent de eeuwwisseling een van de wroede vaders was en dat, teken des tijds, sinds 2012 onder de naam De schaal van Digther in digitale vorm overleeft. Onder leiding van Paul Rigolle. Het gedicht Jaagpad is sinds vorig jaar op het scherm te lezen.
Jaagpad opent met een originele metafoor. De ‘ons’ in de eerste versregel, dat zijn de wandelaars en de fietsers die het landschap lezen. Het landschap en de rivier. Die zich als tekens, als leestekens bewegen. Die pauzeren, die reflecteren over wat geweest (gelezen) is, die vragen stellen over wat komt. Op het ritme van de ademhaling. Tijd en ruimte liggen open en worden overbrugd. Je wordt herinnerd aan het klassieke beeld van de natuur, van het heelal als boek.
De wandelaar, de fietsers – de mensen – volgen de stroom: zij leven. Met alle geluid, met alle geweld van dien.
Maar het kolken en klokken – in de verte hoor je de zee van Willem Kloos: ‘de Zee klotst voort in de eindeloze deining’ – blijken arcadisch te zijn, met als climax, aangegeven door een dubbelpunt, de openbaring, het ultieme besef: ‘Geluk is een jaagpad in de regen’.
Veel vroeger, in de bundel Mond- en Clownzeer (1980) had Rigolle, in een stad geboren zijnde, het zebrapad geprezen, wellicht ook met enige ironie: ‘Een zebrapad is een weelde! Elk denken verloopt er licht’ en, welwillend en veilig van achter een raam, ook de regen: ‘God, zie hoe het regent, midden juni, waar/ik zit en weet: Hoe vanavond laat,/voor dit raam, de stadlichten zullen openbloeien/ als hangende tuilen goedkope bloemen.’
Jaagpad, dat je rustig een pastorale mag noemen, telt precies honderd woorden, evenwichtig verdeeld over vijf terzinen. De dichter toont zijn vakmanschap. In de tweede regel van de eerste strofe verschijnt, bijna halverwege, het eerste leesteken: een punt. Er wordt even halt gehouden. Ook de dichter houd even halt – om een punt te zetten.
De derde regel enjambeert functioneel: de versregel die begint met ‘Kijkend naar’ verwijst naar ‘wat achter ons ligt’ in de volgende strofe – ook letterlijk dus.
Ook in de derde strofe worden adequate punten gezet: ‘Adempauze. Pas op de plaats.’ – waarna beweging volgt, drie strofen ver. Ook de ritmische deining van kolken en klokken wordt typografisch getoond.
Het ontbreken van specifieke geografische gegevens – het jaagpad is ‘Een rivier op aarde’ – zorgt er voor dat het gedicht het regionale, de anekdotiek, overschrijdt en de aandacht geheel naar de sensitieve belevenis gaat.
Fietsen is niet altijd een feest. De hel van het Noorden (1982) is een titel die de wielerfanaten enigszins misleidt – de bundel gaat niet over keien – maar heeft Rigolle wel de reputatie van ‘dichtende Flandrien’ bezorgd. Het heeft hem niet belet aan de Waalse coureur Claude Criquielion aandacht te bestenden (Op de Helling, 1990). Op de tandem met Patrick Cornillie heeft hij de bloemezing ‘Het wielrennen in de Nederlandse Literatuur’ samengesteld onder de woordspelige titel Vélo-Dromen (1991).
Overigens is de poëzie van Paul Rigolle dromerig noch woordspelig. Het is een poëzie waarin vaak kritische leestekens worden gezet.
“Wie niet leest, is gedoemd om maar één leven te leiden“ Ilja Leonard Pfeiffer:
“Mensen die niet lezen zijn gedoemd om slechts één leven te leiden, denk ik. Lezen is een vorm van escapisme, waar trouwens niets mis mee is, maar het is op een ander niveau een cruciale functie van literatuur om empathie te kweken voor andere mensen”.
“Voor de duur van de lectuur van een boek leer je je verplaatsen in het leven van je medemens. Ook in film of theater heb je dat effect, maar het voordeel van literatuur is dat je, meer dan film en theater, de kans hebt om in het hoofd te kruipen van de mensen. Je kunt het verhaal beleven vanuit het perspectief van een ander mens, die in andere omstandigheden en andere tijden heeft geleefd.”
“Als ik een dialoog van Plato lees, zit ik in het hoofd van Plato, een paar duizend jaar geleden. Als je het gaat filmen wordt het toch geëxternaliseerd en op een andere manier een verhaal. Literatuur is meer van binnenuit.”
Ilja Leonard Pfeijfferover zijn boekenweekgeschenk, de eerste liefde en Europa’s grootste kracht.