Op het leeslijstje (9) – Leesnotities 2022

“Ik noemde hem Stropdas. De naam beviel hem. Hij moest erom lachen. Rood-grijze strepen op zijn borst. Zo wil ik hem in mijn herinnering bewaren.” (p.9)

Het gebeurt niet veel, maar het gebeurt: af en toe zet je een boek bij in het kastje van de kleine en net daardoor héél bijzondere pareltjes. Die eer mag, wat mij betreft, zeker ook het romandebuut uit 2012 van de Oostenrijks-Japanse schrijfster Milena Michiko Flašar (St. Pölten, 1980) te beurt vallen.

Dat de Oostenrijkse schrijfster met haar Japanse roots (via haar moeder) door een aantal mensen vergeleken wordt met Haruki Murakami lijkt mij dan weer net iets té véél eer. Maar niettemin is ‘Een bijna volmaakte vriendschap’ een bijna perfect boek. In een wat karige, ongebonden stijl zet Flašar een jonge ‘Hikikomori’ (een naar verluidt meer dan regelmatig voorkomend Japans fenomeen) die al twee jaar de kamer houdt zonder nog tegen iemand te praten, tegenover een wat grijze salaryman die net zijn job verloren heeft en dat voorlopig niet tegen zijn vrouw Kyoko wil opbiechten. De mannen leren elkaar kennen op een bank in het park. Wat ontstaat is een vriendschap die zonder heel veel woorden steeds intenser wordt. Tot op een ochtend de man niet verschijnt.

Een uittreksel:

“Twee jaar lang had ik geoefend om het spreken te verleren. Toegegeven, het was me niet gelukt. De taal die ik had geleerd drong door me heen, en zelfs als ik zweeg was mijn zwijgen veelzeggend. Ik sprak innerlijke monologen, sprak ononderbroken tegen de sprakeloosheid aan. Maar de klank van mijn stem was mij vreemd geworden. Soms ontwaakte ik ’s nachts badend in het zweet uit een nachtmerrie, alleen maar om de voortzetting daarvan te horen in het rauwe Aaah dat zich uit mijn buik, mijn longen, mijn keel naar buiten drong. Wie schreeuwt daar, vroeg ik me af en viel weer in slaap. Dwaalde door een landschap waarin elk geluid bij zijn ontstaan al wegstierf. De laatste zin die ik had uitgesproken was: Ik kan niets meer. Punt. Een vibrerende punt. Daarna was er iets dichtgeklapt. De moeite die het zou kosten om verder te spreken vanaf het punt waar ik was gestopt stond tegenover de zinloosheid om in woorden te vatten wat niet kon worden uitgedrukt.”

Een bijna volmaakte vriendschap, Milena Michiko Flašar. Uitgeverij Cossee Amsterdam, Vertaling Isabelle Schoepen en Kris Lauwerys, Eerste druk 2015
Oorspronkelijke titel Ich nannte ihn Krawatte, 2012

#demanmetdeleesbril #ophetleeslijstje #leesnotities2022 #MilenaMichikoFlašar

Milena Michiko Flašar

Looking for the artist

Looking for the artist
Enkele aantekeningen bij de tentoonstelling XXII met nieuw werk van Joost Gevaert
20/05 > 19/06/2022, Gevaert Galerie, Zwevezele


Vrijdag 20 mei 2022

Joost Gevaert heeft iets met Romeinse cijfers. Zijn vorige tentoonstellingen gaf hij kort en krachtig de titels XIX en XX mee. Het mag ons dus niet verbazen dat we hier, op deze mooie inspirerende plek, samen zijn voor een nieuwe tentoonstelling die kortweg XXII heet. Een ondertitel zoals het geval bij de vorige (‘Abats des jours’) is dit keer afwezig. De kunstenaar blijkt overigens in het algemeen niet erg veel op te hebben met al dan niet verhelderende titels. En dat geldt zelfs voor zijn werk zelf. Nog het liefst van al, zo vertrouwde hij mij onlangs toe, gaf hij zijn werken helemaal geen titels maar bondige bijna koel-mathematische omschrijvingen als ‘untitled’ of ‘zonder titel’ mee. Maar titels zijn nu eenmaal een soort noodzakelijk kwaad; hulplijnen om het werk te benoemen.

Met deze XXII waarvan het derde cijfer met rood is opgemaakt, is Joost Gevaert aan zijn derde tentoonstelling toe in nauwelijks drie jaar tijd. Ook was zijn werk vorig jaar te zien in Roeselare in Ter Posterie op de boeiende tentoonstelling Time & Tide.

De vreemde pandemie die ons veel langer dan ons lief is heeft verlamd, ja zelfs verdeeld, lijkt naar buiten toe dus nauwelijks vat gehad te hebben op de onverbiddelijke kunstenaar die Joost is, én blijft. Natuurlijk, ook hij kijkt niet zorgeloos om zich heen. Pandemie, klimaat, de oorlog in Oekraïne … Er zijn in deze tijd kopzorgen genoeg voor de ordinaire stervelingen die we allen zijn. En specifiek stelt Gevaert zich ook wel ’s de vraag: wat betekent het om in deze tijd kunstenaar te zijn? En veranderen de sterk evoluerende wereld en denkwijzen de kijk van de artiest? Hebben die invloed op het werk zelf? Moet de kunstenaar nog wel voor een hommage aan de schoonheid zorgen? Het zijn vragen die ook Joost bezighouden maar er hem niettemin niet van weerhouden om onverminderd te doen wat hij hoort te doen: nieuw werk maken, zeg maar het beste werk maken naar eigen vermogen.

En dat blijft hij onverdroten doen, op een af en toe verbluffend veelzijdige manier. Dat is ook in deze XXII-tentoonstelling te merken. De kunstenaar werkt intuïtief, kwiek en alert, in een handomdraai switchend van discipline naar discipline, van medium naar medium. Er zijn nieuwe intrigerende schilderijen te zien, naast aquarellen, tekeningen, 3D-dingen, kijkkastjes, borden en vissen in aluminium.

De bijzondere thematiek van het totale werk zie je uitstekend weerspiegeld in de hashtags die hij op Instagram gebruikt en waar hij sinds zijn eerste post op 15 september 2018 een heel mooi overzicht biedt van zijn werk. Sociale media mogen dan voor sommigen een vloek zijn voor wie het werk van een kunstenaar op de voet wil volgen zijn ze een zegen. Elk voordeel heb zijn nadeel, zou Johan Cruijf zeggen. De instagram-hashtags bij Joost liegen er niet om: #abandoned #behindwindows #shadow #vide #cloudeddroom #absence #space #empty #windows #illusion #aroomwithaview #shelter #illusion #anotheremptyspace
Of hoe een kunstenaar zijn thematiek en zichzelf, misschien wel meer dan hij zelf wenst, weet prijs te geven. “Authenticity, often mistaken for naïvity” schreef iemand, Frederik Vanlaere, om hem niet bij naam te noemen bij een van de werken. En da’s geheel terecht.

De schilderijen en bij uitbreiding het hele werk van Joost roepen een vreemde, bijna voelbare spanning op. De ruimte wordt in veel werken begrensd en intens afgetast. Wat regelmatig opduikt zijn de ‘dots’, de ronde vlekken en de opstijgende vlekjes die een wat wrevelig en bevreemdend effect sorteren. De werken beelden vaak een contradictie uit: de volheid van de leegte en de leegte als invulling en bezieling van de ruimte. Daar verwijzen ook veel titels naar: Yellow space, For rent, Salmon room, Schaduw, Landschap, Gele Ruimte, Bonte Kamer, Blauwe ruimte, Bewolkte kamer… Lege kamers blazen de verbeelding leven in. In andere is er het struggelen met de lichamelijkheid. In veel ruimtes staat er iets te gebeuren, of lijkt er net iets gebeurd. Iets waar de kijker in een droomgebied, een tussentijd terechtgekomen, niet meteen de vinger weet op te leggen. Aanwezigheid lijkt op fluisteren. Shelter komt naast vide en shadow te staan. Er is vaak desolaatheid. Huis clos. Met de dichter Hans Lodeizen kun je zoals in zijn bekende regel zeggen: “Deze wereld is niet de echte”. Er zijn, voor wie er voor open staat, nog meer literaire reminiscenties in het werk van Gevaert aan te treffen. De vissen in aluminum, hoewel ook aan Magritte refererend, doen mij denken aan de Japanse schrijver Haruki Murakami. In een van zijn beste boeken ‘Kafka op het strand’ vallen ook bij hem de vissen als regen uit de hemel.

Deze tentoonstelling is meer dan de som van alle bij elkaar gebrachte werken. De meervoudige gelaagdheid in het werk van Joost zet ons geregeld op het verkeerde been. Trompe l’Oeil, optische illusies genoeg, geloof nooit wat je ziet. Een vleugje humor en een kwinkslag zijn nooit ver weg. ‘Let’s call this one untitled’ heet het ironisch in een werk uit 2020. ‘Meestal probeer ik iets te schilderen’ en ‘soms probeer ik niets te schilderen’ zegt de kunstenaar in 2019 in het kunstentijdschrift ‘The Art Couch’ over de essentie van zijn kunstenaarsschap.

En graag besluit ik deze aantekeningen met een persoonlijke noot. In de jaren zeventig van de vorige eeuw had ik het voorrecht om Wilfried Gevaert, de vader van Joost, goed te leren kennen. Er was toen zelfs even sprake om samen iets artistieks te beginnen. Daaraan moest ik eind verleden jaar met veel warmte terugdenken toen Joost mij uitnodigde om samen met hem ergens in de meersen van Moorslede de opening van een veldoven met ondermeer werk van hem bij te wonen. “Een feest van bouwen, stoken, wachten”. Een erg mooie ervaring was dat en ze confronteerde mij met een intense periode uit mijn eigen verleden. Zoveel jaar later zag ik de man die Wilfried Gevaert was, gereflecteerd in de man en de kunstenaar die zijn zoon geworden is. Het was een moment, een van de vele, waar ik dankbaar om ben. Zoals ook deze tentoonstelling werken bevat – daar ben ik zeker van – die impressies zullen oproepen waar we alleen dankbaar om kunnen zijn. Dankbaar ook om de schilderijen en beelden die naar de handen van de kunstenaar blijven zoeken. Om uiteindelijk iets te betekenen in het leven. En in de wereld.

Paul Rigolle,
Telkst uitgesproken bij de Vernissage van XXII, expo met werk van Joost Gevaert
Galerie Gevaert, vrijdag 20 mei 2022

Thuissite Joost Gevaert
Galerie Gevaert

Couloir – Joost Gevaert
Groene stippen-Joost Gevaert
Catalogus XXII – Joost Gevaert

Op het leeslijstje (8) – Leesnotities 2022

“Het geluid van die motor was voor hem de trompet van de eerste engel. De engel die vuur en bloed vermengde en op de aarde wierp tot al het groen was verbrand.”

pagina 18 – De vlucht

Het leeslijstje? Rechtlijnig is het niet altijd, en da’s maar goed ook. Soms kom je toe tot het lezen van boeken die wel al ergens in de middelste regionen van jouw lijstje terechtgekomen waren maar die nog lang niet bovenaan waren geraakt. Laat staan dat ze daar ooit zouden in slagen. Ooit, als de tijd er klaar voor was zou je al die aangestipte maar niet dringende titels wel ’s gaan lezen. “De weelde van de voorraad” of “De inhoud van een kast“, zoiets. Maar kijk, een beetje gedwongen door de omstandigheden van een onverwacht verlengd ziekenhuisverblijf mag jouw leesgedrag dan toch nog wat onvoorziene kronkels vertonen.

Breng maar mee wat je de voorbije maanden zelf graag gelezen hebt, vroeg ik dus laatst aan zij die mij lief is. Zij bracht mee en ik las. Met het uitzicht op de Assebroekse meersen. En zo kwam het dat ik in de voorbije weken achtereenvolgens – al lang fan van Pfeijffer en Claudel zijnde – Monterosso mon amour en Duitse Fantasie las. Dat ik in functie van wat persoonlijk recensiewerk Wat is er van de nacht? van de Antwerpse dichter Richard Foqué en ‘Aanslag in Antwerpen’ (Boem Boem 1) van Jan Van Der Cruysse tot mij nam. Dat ook het aardige Treindromen van Denis Johnson en Oerhert, de eerste dichtbundel van Astrid Haerens mijn ziekenhuisrevue passeerden.

Maar wat mij vooral een klap gaf die ik niet licht wil vergeten was het romandebuut uit 2013 van de Spaanse auteur Jesús Carrasco (°1972). In “De vlucht” (Intemperie) zet hij een sober en beenhard verhaal neer dat je naar het hart, én de strot grijpt. In een dorre niet nader genoemde landstreek waar de dorpen geen naam hebben – Carrasco kent zelf goed de Spaanse provincie Extremadura – word je deelgenoot van het lot van een aantal naamloze figuren als ‘de jongen’, ‘de geitenhoeder, ‘de rechter’, ‘de rooie’ en ‘de andere’. De dreiging dat ‘de jongen’ die op de vlucht is voor een niet nader omschreven onheil uit het verleden opnieuw zou worden opgepakt door ‘de mannen van het dorp’ zorgt voor een uitermate knap uitgebouwde spanning. Af en toe moest ik zelfs denken aan “De Weg” van Cormac McCarthy; dat ander boek dat evenzogoed een harde streep trekt door een dorre en verwoeste streek vol dreiging. ‘De Vlucht‘ werd inmiddels vertaald in 20 talen. Carrasco heeft zich met de opvolgers van zijn debuut, ‘De grond onder onze voeten’ (2016) en ‘Terug naar huis’ (2021) ondertussen een benijdenswaardige status als Groot Europees auteur in wording bij elkaar geschreven. Een auteur die ik wil blijven volgen.

De vlucht, Jesús Carrasco, Uitgeverij J.M. Meulenhoff, 2013, vertaling Arie van der Wal en Arne van der Wal.

#demanmetdeleesbril #ophetleeslijstje #leesnotities2022 #JesúsCarrasco