Om alles vast te houden

Recensie in Poëziekrant
Facebook-bericht van Vr 4/7/2025

Eerder – op reis in de Finistère en andere Bretoense streken – las ik de recensie al even online. Nu ook op papier. In het 4° nummer van de lopende jaargang van de Poëziekrant bespreekt Jooris van Hulle ‘Het Omber en het oker’. Alweer een recensie waar ik mij enkel over kan verheugen…
Om alles vast te houden…” Misschien is dat wel dé perfecte reden om gedichten te gaan schrijven…

Aan Het omber en het oker, de zesde dichtbundel van Paul Rigolle (1953), gaat onder meer dit citaat vooraf uit de Brieven aan Plinius van Marleen De Crée: ‘Een huis op de wind van het woord. / wonen is een tijd van keren. / maar ik breek open.’ En al even bepalend voor de verzen van Rigolle zijn de er onmiddellijk aan voorafgaande woorden van Hester Knibbe: ‘Doe al wat afleidt weg, de poespas / eromheen voor je begint. Behoud alleen / onzekerheid of je wel woorden vindt / voor wat je drijft.’

Rigolle houdt zich ver weg van vormexperimenten die de schijn van originaliteit moeten hooghouden. Binnen een klassieke vormgeving, waarin een voorkeur opvalt voor de terzine en het kwatrijn, tekent de dichter het kader uit waarin hij zijn aanwezigheid in de wereld bevestigt.

In ‘Een stem in de tijd’, de eerste van de zes cycli uit Het omber en het oker, staat de relatie tot de taal voorop. Wat zich hierbij manifest aandient is de antithese tussen de vervoering die de dichter ervaart bij het schrijven (‘In een klassiek / en wild gebaar maak ik van elk plafond // een hemel’) en de onzekerheid die ermee gepaard gaat als hij zich geconfronteerd weet met de taal van wie hem is voorafgegaan: de taal van het eerste land, zijn geboortestad (‘de taal die hem ooit als een snavelbeet in de vleugel /van een vlinder getroffen heeft. // En treffen blijft’), de taal ook van de wegbereiders in het schrijven, Baudelaire, Wittgenstein en Tsjebbe Hettinga, wiens stem door de ietwat geforceerde allitteraties letterlijk opklinkt in verzen als ‘het talmen het tintelen het tillen van taal’ van ‘een blinde bulderaar, bonkend bluffend en brekend’.

Finaal is het erom te doen een eigen ‘stem in de tijd’ te vinden. Meteen daagt ook het besef van verantwoordelijkheid die het schrijven met zich meebrengt: ‘de tijd / dringt om af te wenden wat ons bedreigt’. Deze stille vorm van verzet breekt ook door in de cyclus ‘Een jaagpad in de regen’, met weer de bekommernis om de teloorgang van de natuur en de nood aan verstilling: ‘trage wegen dragen ons als leestekens / in het landschap. (…) // Adempauze. Pas op de plaats.’

De ik die nadrukkelijk aanwezig blijft in de gedichten, zoekt de beslotenheid van de kamer op, hij legt vast wat hem aan geluksmomenten wordt aangereikt in en door de liefde (‘haal ik adem in een huis dat ons tot schuilplaats dient’), in en door de schoonheid van beeldende kunst (met voorop hier de kleuren, van ‘het omber tot het oker’ tot het ‘schildersverdriet 2,1’, Paul Snoek revisited).

In de binnenwaarts gerichte terugblik komen fragmenten aan bod uit het dagboek van een (zijn) leven, waarin de vader-zoonrelatie wordt belicht (de relatie van de ik met zijn zoon, maar evengoed die met zijn vader die in het rustoord verblijft (‘En dat hij alles maar vergeten blijft. Het is / de tijd, jongen, die aan alles knaagt. (…) // Alles maak ik voor hem mooier terwijl hij / in mijn ogen kijkt en iemand anders ziet.’). De gedichten uit de slotafdeling vormen een emotioneel gedragen lamento voor een overleden collega, ‘de acht letters van het woord afscheid’ maken dat de ik op zoek dient naar ‘de plaats / die een plek zal zijn zonder jou.’ Het omber en het oker herijkt, na ruim een decennium van zwijgen, op een treffende manier het dichterschap van Paul Rigolle.

© Jooris van Hulle

Het omber en het oker

Paul Rigolle
Uitgeverij P, Leuven, 2025, 59 p., €19,50

Koop

Het menselijk tekort en schoonheid die verwondt

Meander25 jun, 2025

Ook en zelfs terwijl ik nog even op reis ben in Normandie en Bretagne weet mijn uitgever Leo Peeraer mij een aantal fijne berichten te signaleren. Zo laat hij weten dat er in het nieuwe Meander-nummer een erg mooie recensie staat van mijn recente dichtbundel ‘Het Omber en het Oker’. Met veel dank aan Anneruth Wibaut die de bundel wel heel grondig heeft gelezen. En daar ben ik, het mag gezegd, uiteraard meer dan blij mee!

Het menselijk tekort en schoonheid die verwondt

Recensie door Anneruth Wibaut op Meander

‘Wat loopt dat mooi’, dacht ik toen ik de eerste keer de bundel Het Omber en het Oker van Paul Rigolle doorbladerde. Onnadrukkelijk dansen de versvoeten in hun lichte of zware ritme, nergens opdringerig of opgelegd, vorm en inhoud werken samen en versterken elkaar. De bundel, Rigolle’s  zesde, is verdeeld in zes secties. De eerste heet ‘Een stem in de tijd’ en gaat over de noodzaak van het dichten. Het motto ervan wordt geleverd door de laatste regels uit het gedicht ‘Missie’: ‘over de wereld, over de dagen en de dingen / zul je zingen als zonder reden.’

In deel twee, ‘Fragmenten van het huis’, wordt het voortschrijden van de tijd bezongen en hoe vredig de ouderdom kan zijn, zij aan zij met een geliefde en met een veilig thuis. In de afdeling ‘Het Omber en het Oker’ staan de kunsten centraal. Onder andere komt de aan de orde wie eigenlijk de meester is in het scheppingsproces, de baas zo je wilt. Is dat de maker of is het de kunst? In de eerste strofe van het gedicht ‘Het Omber en het Oker’ is een schilder aan het woord die niet zo goed weet wat hij met zijn kleuren aan wil. Zijn twijfel is zelfs groter: ‘En toch ben ik het niet. Op hun ovaal / ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij.’ Ook dichters kennen de ervaring dat niet zij de woorden, maar de woorden hen kiezen, alsof ze medium zijn voor de taal. Voor de sectie ‘Een jaagpad in de regen’ vormen de regels ‘vinden wij pelgrims in onze tijd / een tafel in ieder huis uit’ uit het gedicht ‘Camino’ het motief, zoals dagboekgedichten dat zijn voor ‘Het heimwee naar de bladen van het boek’. De zesde en laatste sectie heeft als onderwerp ‘Acht letters van het woord afscheid’. De titel dekt de inhoud.

Ik ervaar geen dwingende reden om me aan de chronologie van de bundel te houden. Bladerend stuit ik op pareltjes als ‘Niets valt op // zolang het niet ontbreekt’, uit het gedicht ‘Orgelpunt’ op pag.41 en gedichten die ik wil herlezen, brieven die de dichter richt aan overleden schrijvers en filosofen, odes aan een mooi stadsgezicht, wandelingen en fietstochten en zelfs een recept.

Huiselijk geluk wordt bezongen zonder enig cliché, dat is knap en verfrissend. Voor het dichten over de oorlogen, de machthebbers en het klimaat geldt dat ook. Een dichter moet vandaag de dag van goeden huize komen om daarover niet in holle oneliners verstrikt te raken. Paul Rigolle komt van goeden huize. Zijn poëzie overstijgt het particuliere, ze geeft ruimte aan de lezer om er ook eigen ervaringen met vreugde of verdriet in te lezen of gedachten daarover te herkennen.

Rigolle snijdt diep menselijke vraagstukken aan die hij behandelt in gewone, alledaagse taal. Zoals in het vraagstuk hoe in het ondergaan en bejubelen van kunst de twijfel binnen kan komen sluipen over het glanzend onbeschadigde ervan. In het onderstaande gedicht uit de afdeling ‘Het Omber en het Oker’ legt hij de woorden weliswaar in de mond van de schrijver Stendhal, maar er staan gedichten in de bundel die de gedachte rechtvaardigen dat hij ze zelf ook onderschrijft:

Een zucht te zijn
(Stendhal bezoekt Florence)

Een zucht te zijn in het lichaam van de stad!
Uitkijkend naar alles wat we willen zien en zijn.
Florence! Florence davert in ons door, rookt ons uit.

Met minder moet het, jij en ik alleen, het kan volstaan.
Al het goud van de wereld, het brokaat, weg ermee.
Er moet iets af, ergens moet iets af gaan bladderen.

Vergane verf, vaalgeworden streek, een hoekje af,
een ezelsoor. Een kraak in een bast. Een vijzel, krijtend
in een gebroken kom. Geef ons bij al die schoonheid

eindelijk weer ’s iets dat zijn schaduw werpt.
Want onwel nu van het surplus zijn wij, kleine
slaafjes van een schoonheid die ons openrijt.

[pag.31]

Mooi en waar, niet alleen menselijk leed kan zo raken, ook schoonheid weet te verwonden en te ontregelen. Er bestaat zelfs een Stendhal-syndroom. Dat is, volgens Wikipedia ‘een psychische aandoening die optreedt als iemand volledig overrompeld wordt door de schoonheid van kunst. Lichamelijke verschijnselen zijn een versnelde hartslag, duizeligheid, verwarring en flauwvallen.’

Misschien om niet ten onder te gaan aan alle schoonheid in de wereld, bezingt Rigolle ook uitbundig de narigheid: clusterhoofdpijn, de wrede oorlogen van machthebbers, afnemend geheugen, dood door ouderdom, afscheid van vrienden. En in onderstaande geheel gedicht: verkalkte slagaderen.

Bypass

Iemand zegt dat je nu een krijger bent.
Geheeld en wel, met een litteken
als een omgekeerde rechtopstaande
evenaar over de borst.

Je checkt of alles er nog is. De zonnestelsels
in het hoofd. Duizend wegen, Mille Miglia.
De wonderlijke vragen.

Of ook bomen weten wat ze willen?
Of ook domme vogels kunnen vliegen?
En hoe zou het zijn als de Aarde ringen had?

Hoe vurig hoop je dat morgen al
de glans terugkomt in jouw ogen.

[pag. 49]

Ik word blij van de vraag of ‘ook domme vogels kunnen vliegen.’ De afwisseling tussen ernst en vreugde in dit gedicht kenmerkt de hele bundel. Of je die nu chronologisch van begin tot eind tot je neemt of al bladerend, je blijft je steeds bewust van hoe alle gedichten een samenhangend geheel vormen. Ze zijn bevriend, verwijzen naar elkaar en naar meer of minder bekende gedichten en kunstwerken in vele intertekstuele dwarsverbanden. Misschien wel het sterkste voorbeeld daarvan is de brief aan een dichter die Rigolle heeft beïnvloed, in onderstaand gedicht:

Brief aan Baudelaire

Ha Baudelaire, kan ik jou, kan ik jou nog schrijven
anderhalve eeuw, een land en een landschap later
nu het duister opnieuw deemstert doorheen

de dagen en verderop in het Oosten een man
halsstarrig bommen gooit op uitgestorven steden.
Wie of wat zou je zijn indien je terug kon keren?

Een rapper, een rekkenvuller die vol gramschap
de dingen schikt of ergens tussenin een dichter
die zich inzet voor het klimaat? Ik kan er enkel maar

naar talen, Baudelaire, net zo verstrikt als ik ben
in de halsstrik van de taal. En graag, wat graag
herdenk ik in jou, in mij, anno nu, de dag dat

Menno duizend dromen stierf, de dag
dat Pernath van rechts naar links het boek
van de waarheid droeg, het uitgebreid hebbend

over de onmacht een mens te zijn.

[pag. 9]

Wat een heerlijk eigentijds begin: ‘Ha, Baudelaire.’ En dan eindigen met zo’n rijk beladen zin ‘over de onmacht een mens te zijn’. Baudelaire (1821-1867) staat erom bekend dat in zijn werk vorm en inhoud samensmelten. Hij was voor de beide in dit gedicht genoemde dichters Hugues Pernath en Menno Wigman een groot voorbeeld. De laatste vertaalde Baudelaires bekendste werk Les Fleurs du mal (De bloemen van het kwaad) en in 2001 werd hij genomineerd voor de Hugues C. Pernath-prijs voor zijn bundel Zwart als kaviaar. Een minder feitelijke, meer thematische dwarsverbinding vormt de laatste zin ‘over de onmacht een mens te zijn’. Die sluit ook aan bij zinnen in de twee eerder geciteerde gedichten over schoonheid in het menselijke: ‘afgebladderd’ en ‘krijger met litteken’. Het roept de vraag op of misschien de mens die de onvolmaaktheid niet accepteert vatbaarder is voor machtswellust en hebzucht die tot oorlog leiden? Zoals de man die ‘halsstarrig bommen gooit op uitgestorven steden’? Vragenderwijs stelt de dichter eigenlijk dat het juist onze imperfectie is die ons mens maakt, samen met het feit dat we ons daarvan bewust zijn.

Met dit soort dwarsverbindingen binnen de (dicht)kunst staat de bundel vol, maar ze dringen zich niet op, het is niet nodig hun precieze betekenis steeds op te zoeken. Het komt niet cerebraal over, maar meer alsof de dichter al die andere schrijvers en kunstenaars, dood of levend, als zijn vrienden beschouwt.
____

Paul Rigolle (2025). Het Omber en het Oker. Uitgeverij P, 64 blz. € 19,50. ISBN 139789464757705

Meanderlink: Het menselijk tekort en schoonheid die verwondt

Facebook-bericht van 26 juni 2025

Poëzie van een robuuste élégance

Bert Bevers bespreekt ‘Het Omber en het Oker’ voor De Boekhouding van de VVVL – Vereniging van Vlaamse Letterkundigen vzw. Blij met de mooie woorden!

Dit is de link:
https://deboekhouding.blogspot.com/2025/06/betrokken-bij-het-weidse-nabije.html

De volledige recensie:

Met Het omber en het oker is Paul Rigolle (° 1953, Roeselare) toe aan zijn zesde bundel. Die is onderverdeeld in de cycli Een stem in de tijd, Fragmenten van het huis, Het omber en het oker, Een jaagpad in de regen, Het heimwee van de bladen naar het boek en De acht letters van het woord afscheid. Die tellen respectievelijk tien, zes, acht, nog eens acht, zes en drie verzen.

Ik lees de poëzie van Paul Rigolle reeds jaren met genoegen. Deze West-Vlaamse dichter schrijft, ik merkte dat eerder al eens op, een poëzie die aan je blijft haken, poëzie van een robuuste élégance. Hij schrijft gedichten om op te kauwen, om na te proeven, met straffe regels als Wat onomkeerbaar is, is nog lang niet klaar.

Rigolle gebruikt bepaalde woorden graag regelmatig. Neem in deze bundel taal dat je niet minder dan 12 keer ziet verschijnen. Ook tijd (9 keer) vindt hij fijn. Zijn poëzie is geen navelstaarderij maar een weerspiegeling van het leven in alle facetten. Van verlies en winst, van angst en liefde, maar ook van dood en pijn. Zijn poëzie werkt in wisselende perspectieven aan het bezweren van vergetelheid.

Het is boeiend om te lezen hoe zorgvuldig Rigolle wat hij zoal in zijn belevingswereld toelaat ontleedt. Hij is een begenadigd kijker (Het landschap beneemt de adem, slijpt zich / in de ogen vast) en analytisch waarnemer (Soms wordt de tijd een ding waarin je kijken kunt. / Viewmaster, album, kijkkast.) met behalve voor het leven zelf een groot hart voor de kunst die dat verwerkt. Hij verwijst naar dichters, componisten en filosofen als Baudelaire, Hettinga, Hindemith, Pernath, Stendhal, Wigman en Wittgenstein. Ook beeldend kunstenaars als Philip Aguirre y Otegui, Maaike Bearelle, Jasper Rigole en Hans Vandekerckhove worden genoemd.

Rigolle ziet dat je niet zomaar licht hebt maar: Zoveel soorten licht zijn er. Licht dat gulzig likt / en licht dat met het blote oog voltooit wat is / gemaakt, er mag gekeken, er mag gestaard. Je vóelt bij het lezen dat hij alleszins telkens wárm licht ziet. Om het in beeldende kunsttermen te plaatsen is Rigolle nauwer verwant met de aardkleuren van Paul Klee dan met de tinten van de kille abstracties van lieden als Piet Mondriaan. Dit is poëzie die het recht opeist om schoonheid niet verloren te laten gaan.

Deze dichter is ook precies. Wat mij, als liefhebber van onze gevleugelde vrienden, bijvoorbeeld veel genoegen doet is het feit dat Rigolle hen als ze relevant opduiken in zijn werk niet zomaar als ‘vogels’ opvoert maar expliciet noemt als merel, als leeuweriken, als spreeuwen.

Hij houdt niet van kabaal, apprecieert meer en meer de stilte blijkens Van elke boodschap halen wij de ruis. (Interieur) en zoete mechaniekjes die zoemen en zingen en welhaast geluidloos mee stappen in de trage triomftocht van het gedicht (Orgelpunt) en Niets is hoorbaar. Mateloos trillen de bladen in hun heimwee naar het boek (Nauwelijks een gerucht).

Een heel erg mooi slot vind ik (van Slang) En jij, jij zal liedjes zingen in het Italiaans / en schoenen dragen, gemaakt om weg / te wandelen uit het grijs van onze steden. Zulke regels ontroeren mij, zonder dat ik kan duiden waarom. Maar gelukkig hoeft dat niet. En bij poëzie al helemaal niet. Dat Paul Rigolle nog maar lang getuigenis af mag leggen van zijn betrokkenheid bij het weidse nabije.

Het omber en het oker, Paul Rigolle, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978-94-64757-70-5

© Bert Bevers

Een boek als een milde koortsdroom

Over ‘Het Jaagpad‘ van Paul Verrept
Op het leeslijstje (21)

Un beau soir l’ avenir s’ appelle le passé’ van Louis Aragon

De onafhankelijke boekhandels reiken met de Confituur-Boekhandelsprijs elk jaar een prijs uit aan een boek dat meer aandacht verdient dan het (tot hiertoe misschien) gekregen heeft. Komende woensdag 23 april 2025 op ‘Wereldboekendag’ weten we wie de opvolger wordt van Rik Van Puymbroeck die verleden jaar geheel en al terecht de prijs kreeg voor ‘Treurwil‘, zijn eerste literaire roman. Vijf auteurs bevolken voor 2025 de shortlist: Marieke De Maré met ‘Ik ga naar de schapen‘, Tim ’s Jongers met ‘Armoede uitgelegd aan mensen met geld‘, Safae El Khannoussi met ‘Oroppa‘ (eerder al laureaat van de Boon-prijs), Paul Verrept met ‘Het Jaagpad‘ en de dichter-romancier Tomas Lieske met zijn roman “Wij van de Ripetta“. Eén voor één zijn het boeken die de prijs best wel zouden verdienen.

Zelf loop ik meer dan gewoon warm voor ‘Het Jaagpad’ van Paul Verrept. Het was het eerste boek dat ik las van deze schrijver die ook bekendheid geniet als illustrator en grafisch ontwerper en ook betrokken is bij ‘Bebuquin’, een uitgever van toneelteksten. En zeker is: het zal niet het laatste boek zijn dat ik in de toekomst van hem zal lezen.

Ik las ‘Het Jaagpad’ tijdens een koude decemberavond van 2024 op een Blankenbergse hotelkamer (in Hotel José), net groot genoeg om twee mensen een warme tijd te bezorgen. En zoals dat gaat met plaatsen waar je iets las dat je midscheeps wist te raken zal dat hotel voor mij persoonlijk wel voor lange tijd met dit boek verbonden blijven.
 ‘Het Jaagpad’ zorgt van meet af aan voor een sfeer waarin je helemaal wordt ondergedompeld. Het boek vangt aan met een cursief gedrukt sfeerbeeld, een poëtische proloog zo je wil, die al een beetje de contouren schetst van waar de schrijver met de lezer heen wil.

De stad is zoals alle steden. Ze is verzadigd, opgeladen, draagt in zich wat was, wat is en wat gaat komen. Ze is betoverd, zoals alle steden.” (Pagina 7)

Het is in die betoverde en toch naamloze stad (met heel veel herkenbare Brusselse accenten) waar Paul Verrept zijn twee hoofdfiguren laat bewegen. De gepensioneerde oudere Lucas brengt zijn dagen wat uitzichtloos door op een flat gelegen aan een groot kruispunt in de stad. Op een dag neemt hij de trein terug naar zijn verleden.
Ongeveer simultaan verlaat Claus, een student van achttien, zelf ook zijn dorp om vol jeugdig verlangen en enthousiasme het volle leven in ‘de grote stad’ te gaan ontdekken.
Rondom de beide figuren ontspint er zich een fijnmazig netwerk van “schijn en werkelijkheid”. Lucas is gefascineerd door Claus (de namen zijn elkaars anagram!) die op zijn beurt erg aangetrokken wordt door het meisje ‘Maria’, net als Claus een eerstejaarsstudent. De figuren raken in het verhaal met elkaar verstrengeld. Identiteiten neigen naar elkaar.  Heden en verleden vloeien in elkaar over, intens gekleurd door eenzaamheid, menselijk verlangen en begeerte. Het Jaagpad is een subtiele kleine roman – het boek telt ‘slechts’ 120 pagina’s – waarin er vooral ook voor “de stad” een hoofdrol is weggelegd. Heel regelmatig voel je je daarin als lezer zowaar een voyeur.

In korte zinnen – er zit vaart in dit dunne boekje – lijkt ‘Het Jaagpad’ op een milde koortsdroom.

Onder hem ligt de stad. De zon hangt al lager. Claus stelt zichzelf voor, daar, in de stad, in allerlei gedaantes loopt hij er rond. Als kunstenaar, schrijver, minnaar, in drukke gesprekken gewikkeld. In cafés en theaters, rokend, drinkend.” (Pagina 76)

In een tweede cursief gedrukt prozastuk op het einde van het boek lees je:
De stad is een schrift, waarin elke beweging, elk gebaar, elk woord en elke gedachte onuitwisbaar wordt opgeschreven en bewaard’.
De stad slaat op, houdt vast.”  (Pagina 113)

Het Jaagpad‘ is een fascinerend en fijnzinnig boekje dat blijft nazinderen met hoofdfiguren die in elkaar lijken te willen vloeien en die je lang na lezing niet los willen laten.

Hij denkt dat hij de jongen ziet nu.
Hij is er. Hij is er niet. Hij komt dichterbij.
Hij is nu vlakbij.’

Paul Verrept – Het jaagpad. Koppernik – Amsterdam. 120 blz. €19,50

Update van 23/4/2025
De Confituur-prijs voor 2025 gaat naar de fijne roman “Ik ga naar de schapen” van de Brugse schrijfster Marieke de Maré. En hét spreekt dat we ons ook in deze keuze perfect kunnen vinden! Alvast onze gelukwensen!

Meer info via dit VRT-Nws-bericht.


#desmaakvanconfituur #confituurboekhandelsprijs #shortlist #literaireprijs #confituurboekhandels #onafhankelijkeboekhandels #samenonafhankelijk
#paulverrept #uitgeverijkoppernik

Recensie André Keikes – Tzum
Uitgeverij Bebuquin
Website Paul Verrept
Wie droedelt, die blijft: auteur Paul Verrept over schrijvers die tekenen in de marge (Art De Standaard)
Wereldboekendag 23 April

Foto: Bert Bevers – https://detafelvan1.blogspot.com/2013/05/paul-verrept.html

Francis Cromphout bespreekt ‘Het Omber en het Oker’

Vrijdag 11 april 2025

Op De Schaal van Digther bespreekt Francis Cromphout mijn nieuwe bundel ‘Het Omber en het Oker’! Het is een mooie en warme recensie geworden waarvoor veel dank, Francis!
Dit is het linkadres:
https://digther.blogspot.com/2025/04/poezie-als-een-bedachtzame-oefening-in.html

Poëzie als een bedachtzame oefening in empathie

Het Omber en het Oker” is de titel van de zesde dichtbundel van Paul Rigolle. Hij verwijst hierbij naar aardkleurige pigmenten die vanuit de natuur hun weg vinden in de kunst. Deze titel bevat ook een taalspel die het nauwe verband toont tussen de fysieke ervaring van deze diepzinnige dichter en fietser met de poëtische taal. Zo leest men in het prachtige gedicht “Jaagpad”: “trage wegen dragen ons als leestekens in het landschap”.

De bundel bevat zes cycli die zijn persoon in diverse hoedanigheden weergeven. In “Een stem in de tijd” onderzoekt hij zijn dichterschap dat hij ziet als een “Missie”: “over de wereld, over de dagen en de dingen zal je zingen als zonder reden”. “Als”, maar niet echt zo, want zijn poëzie betracht een terugkeer in de tijd naar “de eerste taal” en dit aan de hand van verrassende beelden zoals “de dichter gooit de vogel als een handschoen op het plein” en “ wuivend, wevend keert hij terug in de tijd en in de taal”. Geduldig arbeidt hij via “de trage triomftocht van het gedicht” om op die wijze “ergens even (te) zijn, even (te) blijven” en “een stem te hebben in de tijd”.

In“Fragmenten van het huis” bezingt hij het huiselijk geluk. Hiervoor dompelt hij zich diep in de tijd “als een dier dat in holtes woont”om van daaruit opnieuw de weg te vinden “naar waar ik al jaren werk en woon en schrijf”. Dit huis is de plek van de liefde die hij deelt met zijn vrouw: “het huis plooit ons open…leest ons gulzig bij elkaar” en “het licht in de kamer (mag er) samen met ons van geluk spreken”. Een geluk dat hij vastlegt als “een bevroren beeld, rond een tafel geschaard…als aan de beide zijden van een evenaar”.

Rigolle’s fascinatie voor kunst en schoonheid komt aan bod in de cyclus “Het Omber en het Oker”. Hij stelt dat “wat je erft, is waar je aan moet komen, een plek, een taal, dingen die getuigen”. Dit is bijvoorbeeld een smidse of een schildersatelier waar hij is “alleen met een penseel van varkenshaar dat op het linnen van de wereld niets dan wonden hechten wil”.  Sterker kan de dichter doorheen de artistieke betrachting van de schilder zijn diepgeworteld mededogen met mens en wereld niet uitdrukken. In het gedicht “Het Omber en het oker” toont hij de afhankelijkheid van de schilder van het kleurenpalet: “Op hun ovaal ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij”. En de huizen die hij schildert weten dat hij hen geen angst voor het donker wil bezorgen “als hij hen met zorg tussen de sneldrogende heuvels van hun keuze “ schuift. “Roebel” heeft het over de tijd als een “ding waarin je kijken kunt”, een reis naar Sint-Petersburg bijvoorbeeld waarbij het beeld verschijnt van kinderen  “met kleine uitgestoken handjes,  bedelend om wat Roebel”.

Het werelds geluk vinden wij verwoord in ”Een jaagpad in de regen”.In het gedicht “Mijn stad” breekt “ op elke rotonde een beeld de hemel open” en “wie hier wil wonen zoekt niet meer naar een reden om hier te blijven”.”Mohair” schreef hij voor een cluster hoofdpijn patiënt. Mohair is er als herinnering aan pijnloze zachtheid en de dichter verzet zich tegen het idee dat pijn “bij het lichaam hoort als de schaduwkant bij een gebouw”. Ook drukt hij de hoop uit dat de pijn “op een dag in het niets verdwijnt. In “Camino, met Hindemith in het oor, komt hij  – iets wat mij doet denken aan het gedicht “Caminante” van Antonio Machado -, uit “waarheen de weg dat van ons wil”. En in het prachtige “Jaagpad” komt hij tot het besluit: “geluk is een jaagpad in de regen”.

Het heimwee van de bladen naar het boek” is met zijn dagboekgedichten de meest persoonlijke cyclus. Mooi is “Alles voor de film” dat herinnert aan het ogenblik waar een vader en een zoon (zijn zoon filmmaker Jasper) aan elkaar gelijk worden..”Croix de fer” is de col die hij al fietsend bedwingt met de gedachte aan de legendarische renners die hem daar zijn voorgegaan.

Ontroerend is “Rustoord” dat een liefdevol eerbetoon is aan zijn vader met de mooie, maar schrijnende slotzin ”alles maak ik voor hem mooi, terwijl hij in mij ogen kijkt en iemand anders ziet”. ”Bypass” verwoordt de “vurige hoop…dat morgen de glans terugkomt in jouw ogen”. In “Nauwelijks een gerucht” is niets hoorbaar op de dag waar nochtans intens gecommuniceerd werd zonder woorden  en de bladen “mateloos (trillen) in hun heimwee naar het boek”. Bij een afscheid (de fotografe Maaike Bearelle) stond een torenkraan als een knipmes boven de stad die dag in november”. Deze en andere mooie beelden zijn een poëtische oefening in empathie, die de dichter als volgt verwoordt: “Vereeuwigd hoeven we niet te worden, Eén ogenblik lang het licht vast te mogen houden in de blik van mensen, kan volstaan”.

In de laatste cyclus “De acht letters van het woord afscheid”, wordt de oefening in empathie verder gezet in de drie gedichten die gewijd zijn aan zijn betreurde vriend Dirk Pollet. ”Bries” is het beeld dat de dichter gebruikt om de eindigheid te verwoorden: “Valt dan de hemel in bij wie net als jij wennen moet aan het idee dat niets ooit zo eindig was als een zachte bries in het ochtendraam”.

Merel” vertelt de aftakeling van wie zal sterven. Maar als “alles wat geweest was aan je oog voorbij (trok)” kan hij als bij wonder noteren“hoe onhoorbaar soms de merel zingt tot het ochtend wordt”. In “Krijt” beschrijft Rigolle de dood  als “het ik valt weg in het ons”. Zacht maar onherroepelijk is het einde. “Nog even staan de woorden in het krijt tot ze door de regen worden uitgewist”. Je moet een groot dichter zijn om doorheen deze uitgelezen beeldspraak de menselijke conditio zo treffend weer te geven.

© Francis Cromphout

PaulRigolle, “Het Omber en het Oker”, gedichten, Uitgeverij P, Leuven, 2025, 19,5 euro.

—————————————————————————–

Tweespalten

Pascal Cornet bespreekt ‘Het Omber en het Oker’
Facebook-post van Do 10/4/2025

Pluk
Iedereen die mij een beetje kent weet dat ik veel waardering heb voor de mens en schrijver Pascal Cornet. Hij was niet alleen op de voorstelling van ‘Het Omber en het Oker‘ aanwezig in De Snuffel (wat mij veel plezier deed) maar hij heeft intussen de bundel ook zeer aandachtig gelezen. Waarvoor veel dank. Cornet zorgt met ‘Tweespalten‘ voor een recensie die in geen enkel literair tijdschrift zou misstaan. Ook zijn slotsom is er een die ik graag noteer:

Het Omber en het Oker” is een bedachtzaam, traag en afwachtend tot stand gekomen bundel waar de lezer veel pluk aan heeft. “
Hieronder lees je de volledige recensie

‘Alsof je bent voorbestemd om alles / vast te houden moet en zal je zingen.’ Zo begint ‘Missie’, en meteen ook *Het Omber en het Oker*, Paul Rigolles eerste bundel in twaalf (!) jaar. Dat openingsgedicht, meteen een intentieverklaring, eindigt als volgt:

Over het pierewaaien, het konkelfoezen
van de taal en de tijd die jou gegeven is,
over de wereld, over de dagen en de dingen
zul je zingen als zonder reden.

‘Konkelfoezen’ betekent zoveel als samenzweerderig en onhoorbaar, en dus onbegrijpbaar voor anderen, iets bedisselen. Ik lees hier dat de dichter niet alles weet over zowel taal als levensduur.

Het ‘Alsof je bent voorbestemd’ (de eerste woorden van het gedicht) contrasteert met het zelfrelativerende ‘als zonder reden’ (de laatste woorden). De dichter zou zichzelf met voorbestemdheid een grote allure kunnen toemeten, maar hij stelt die hoge verwachting meteen bij: hij zal ‘zingen als zonder reden’. Toch is zijn aan zichzelf toegemeten taak (‘moet en zal’) niet van belang gespeend want:

In naam van velen, leen je een stem aan
wie op een dag zonder spoor verdween.

Waarbij in het midden wordt gelaten wie die spoorloos verdwenene dan wel mag zijn – al heb ik een sterk vermoeden dat Rigolle het hier minstens ook over zichzelf heeft (naast de dierbaren die hem al zijn ontvallen en die hij hier en daar in zijn bundel een stem geeft en zodoende gedenkt). Rigolle mag dan een bescheiden dichter zijn of willen zijn (hij zingt ‘als zonder reden’), hij aarzelt toch ook niet om zichzelf, als persoon, een schier kosmisch belang toe te dichten: ‘Een stem te hebben in de tijd / niets meer en niets minder.’ (‘Een stem in de tijd’). Maar ook hier botst het plechtstatige met een relativerende inschatting van de eigen betekenis, in zowel tijd als ruimte: ‘Ergens even zijn, ergens even blijven.’ En:

weten dat wij – moleculen in een heelal
waar we enkel naar kunnen raden –
niets dan toeval zijn. En nooit, nee nooit
de genade vergeten van dat ene leven
dat het jouwe is en niet dat van een ander.

Paul Rigolle balanceert met zijn poëzie op de spanningsboog tussen nietigheid en uniciteit. (Is dat niet de uitdaging voor elke dichter en bij uitbreiding elke kunstenaar?) Want het bestaan, zijn bestaan, mag op kosmologische schaal gemeten (ik denk als vanzelf aan Luceberts kruimel op de rok van het universum) een nietig toeval zijn, de dichter zal en moet zich daartegen verzetten: ‘ons brein // laat niets aan toeval over’. Het mag dan al een vorm van ‘hoogmoed’ zijn, de dichter moet ‘[k]eer op keer’ de waarheid omdraaien ‘en wachten / op de lessen die het leven ons moet geven’. Hij moet ‘van elk plafond // een hemel’ maken. De dichter is een aan de aarde (aan zijn nietig- en sterfelijkheid) gekluisterde hemelbestormer. (Alle citaten in deze alinea uit ‘Okkernoot’.)

Het ‘zingen als zonder reden’ van het openingsgedicht lijkt op een gebrek aan verantwoording te wijzen, op het ontbreken van een beredeneerde en dwingende poëtica. (Of toch minstens op het niet nadrukkelijk aanwezig zijn ervan.) Niettemin licht Rigolle toe wat dat zingen zonder reden voor hem betekent. Schrijven lijkt in elk geval een receptiviteit, een passiviteit in te houden. In ‘Dag Ludwig’ spiegelt de dichter Rigolle zich aan Wittgensteins pleidooi voor zwijgen (‘Waarover men niet spreken kan…’). En als het dan geen zwijgen kan zijn, dan toch minstens een gezonde portie bedachtzaamheid: ‘Vooraan op de tong ligt, // na al die jaren, nu ook bij mij het woord / dat vaker niet, dan wel geschreven wordt.’ Maar zwijgen kan de dichter – op straffe van geen dichter te zijn – natuurlijk nooit helemaal: ‘Tot iemand zichzelf verrast en wel / in het wonder van het schrift verstaat.’

Rigolle lijkt mij hier te suggereren dat hij niet de volledige controle uitoefent over zijn schrijven, over de manier waarop de woorden ontstaan en, zich aaneenrijgend, gedichten vormen. Wellicht bedoelt hij iets gelijkaardigs wanneer hij in het titelgedicht van zijn bundel – dat niet over dichten maar over schilderen gaat – stelt: ‘En toch ben ik het niet. Op hun ovaal [van het schilderspalet?, PC] / ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij.’

Tussen actieve controle en passieve inspiratie: schrijven is een noodzaak. In het (erg sombere) klimaatcrisisgedicht ‘Toeverlaat’ heet het:

de woorden van de dichter krullen in het vuur.
Uit de botten van de taal – niets dan taal
en toeverlaat – snijdt hij een instrument
voor het spelen van een tragisch lied.

Hoe het komt dat de nieuwe bundel zo lang op zich heeft laten wachten, weet ik niet, maar de manier van schrijven – de bedachtzaamheid en het wachten die daarmee gepaard gaan – zal er zeker niet vreemd aan zijn. ‘Wat er komt en wat er staat valt nog lang / niet af te lezen van het blad.’ (‘Orgelpunt’). Rigolle hengelt niet naar snel en gemakzuchtig succes: ‘Het haantjesgedrag van hen / die garen spinnen van het rijm’ (let op het kluchtige contrast van haan en hen). Schrijven is verduldig schrappen: ‘Niets // valt op zolang het niet ontbreekt’. Het is een werk van lange adem vooraleer de dichter, zeer op zijn hoede voor rijm, humor, zoemende en zingende ‘zoete mechaniekjes’, zijn gedicht ‘welhaast geluidloos’ kan laten meestappen in een ‘trage triomftocht’.

Op die traagheid komt Rigolle nog eens terug in ‘Jaagpad’. Dat gedicht gaat over geluk maar ook over schrijven en over het leven in de avond des levens. Het begint als volgt:

Trage wegen dragen ons als leestekens
in het landschap. Even halt te houden,
even een punt te zetten. Kijkend naar
wat achter ons ligt en naar wat nog
moet komen, zoveel tijd is er ons gegeven
om ons niet te moeten haasten.

Ik heb het in deze bespreking niet over de gedichten over huis en huiselijkheid gehad (in de cyclus ‘Fragmenten van het huis’) en over beeldende kunst en het ervaren van schoonheid (de cyclus ‘Het omber en het oker’).

In weerwil van de ouderdom (‘Veel rest er het slome, vermoeide lichaam niet.’ (‘Respijt’)) blijft Rigolle vatbaar voor geluk. Bijvoorbeeld bij het fietsen op een Franse berg (‘Croix de fer’): ‘Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!’. Of bij de liefde, met dien verstande dat zij de fundamentele eenzaamheid nooit ongedaan kan maken: ‘het lieve leven verscheurt ons bij elkaar’ (‘Respijt’).

Dergelijke tweespalten zijn *passim* aanwezig in deze bundel: verscheuren/liefde; ‘Er zal neergang zijn en verblijding!’ (‘Mijn stad’); ‘Eén ogenblik lang het licht vast te mogen / houden’ versus de eeuwige duisternis van de dood (‘Knipmes’, een gedicht over een te jong overleden fotografe); pijn en satijn (‘Mohair’):

Altijd is er de hoop dat alles
wat ons aan pijn en puin in lichterlaaie zet,
op een dag in het niets verdwijnt.

Het Omber en het Oker is een bedachtzaam, traag en afwachtend tot stand gekomen bundel waar de lezer veel pluk aan heeft.

© Pascal Cornet

Paul Rigolle, Het Omber en het Oker, uitgeverij P

Website Pascal Cornet
Tweespalten bij Pascal Cornet

Inleiding van Tania Verhelst op ‘Het Omber en het Oker’ op de VWS-site ‘Dun lied donkere draad’


Op de VWS-site ‘Dun lied donkere draad‘ staat intussen dankzij de goede zorgen van Koen D’Haene de inleiding die dichter Tania Verhelst op zondag 23 maart 2025 uitsprak bij de voorstelling van de bundel in het Snuffel-Hostel in Brugge.

Hier volgt de tekst:

Op zondag 23 maart stelde dichter Paul Rigolle in Brugge zijn nieuwe poëziebundel Het omber en het oker voor.

Paul houdt al zowat een halve eeuw de dingen en de dagen bij. Sinds vele jaren is hij bestuurslid van de VWS en mederedacteur van Jaarwerk, het literaire jaarboek van de vereniging. Maar Paul doet nog veel meer. Hij vult dozen met schrijfsels en notities en rapporteert en registreert literaire gebeurtenissen op literaire blogs en sociale media. Er is weinig dat hij niet ziet, niet hoort, niet leest en niet schrijft.

Vaak zijn er gedichten, soms een nieuwe bundel. Paul’s nieuwste bundel Het omber en het oker (uitgeverij P.) kreeg een fijne voorstelling in de Brugse Snuffel. Er was heel veel volk afgezakt naar de stille Brugse binnenstad. Tania Verhelst leidde de bundel in, Paul vertelde over zijn gedachten en gedichten in dialoog met Edward Hoornaert en las en signeerde er vervolgens op los. De warme jazz- en diepe bluestonen van ‘The Caravan Juke Joint Band’ maakten de literaire morgen compleet.

Maar de meeste aandacht moet naar de nieuwe bundel gaan. Hieronder lees je de integrale tekst van de inleiding van dichter Tania Verhelst. Je krijgt meteen een kleine bloemlezing uit de bundel.

” Paul Rigolle vroeg mij zijn bundel in te leiden. Ik zal dat doen aan de hand – hoe anders – van zijn gedichten. Ik ga er geen grote analyses op los laten, dat laat ik over aan de schriftgeleerden, maar vooral die gedichten uitkiezen die ik mooi vind, die mij raken en u laten meegenieten.

Wat mij opviel: Paul Rigolle is een man die kijkt. Hij kijkt naar dingen, mensen en onderzoekt dat kijken in zijn taal.

In ‘Jaagpad’ klinkt

Trage wegen dragen ons als leestekens
in het landschap. Even halt te houden,
even een punt te zetten.

In enkele beelden vangt hij een wereld. Een wereld die voorbij is, of een wereld die zich in al zijn intimiteit toont.

Zo zegt hij in het gedicht met als titel ‘Interieur’:
Badend in het avondlicht plooit het huis ons open,
leest ons gulzig bij elkaar.

Zelfs geluiden worden zichtbaar gemaakt:

Een torenklok morst met klanken, veegt ons de mantel uit
 (‘De tocht van Fibonacci’).

Ook het gedicht ‘Knipmes’ begint met een observatie:

Er stond een torenkraan als een knipmes
boven de stad

Het is een in memoriam gedicht voor iemand die ook door kijken bezeten was, een fotografe.
Het eindigt met:

Vereeuwigd hoeven we niet te worden.
Eén ogenblik lang het licht vast te mogen
houden in de blik van mensen, kan volstaan.

En weten dat wat bij de gratie
van het beeld wordt vastgelegd,
ons al zoveel langer voor ogen staat.

Die gratie van dat ene ogenblik vat hij ook in de act van de wielrenner:

Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!
De weg die klimt sloopt wat je voor het laatst
had opgespaard. Het leven hier heeft aan zichzelf
genoeg. Een intens geluk is het om voor eeuwig
en een dag in dit decor een figurant te mogen zijn.

Wat wil je dan met al dat kijken? Misschien klinkt iets van een antwoord in het gedicht ‘Atelier’:

Van de verf de gedaante. In staat tot veel,
bereid tot alles. En alleen, tot op het laatst
alleen met een penseel van varkenshaar
dat op het linnen van de wereld
niets dan wonden hechten wil.

Hij kijkt naar de wereld en laat de wereld naar hem kijken. En soms lijkt zijn perspectief open te barsten in een ander perspectief.

De dichter plaatst ook vraagtekens bij dit hier en nu. In vele gedichten laat hij een andere werkelijkheid om de hoek kijken. Of in een denkbeeldige toekomst kijkt hij naar een denkbeeldig verleden. Daarbij is de ik-figuur oud, ouder dan de geschiedenis van een mens. Wat te denken van de perspectieven in het volgende gedicht

Evenaar

Elke kier en kamer ken ik, elke vezel
van dit huis. Niet eens zeker of ik
wakker ben of waak herinneren zich
in mij de diepste tijden.

Zoals het dier zichzelf herhaalt, opnieuw
in holtes woont, zich opricht plots
en rechtop gaat lopen verdwijn ik naar waar
ik al jaren werk en woon en schrijf.

En wij beiden als zon en maan, ooit bevriest
ons beeld. Ooit vindt men ons nog wel ‘s
in de boeken van een uitgestorven soort terug:
exemplarisch, rond een tafel geschaard

als aan de beide zijden van een evenaar.

En natuurlijk gaat het om meer dan kijken. Kijken is ook maar een excuus om te zien wat je niet kunt zien. In respijt komen vele thema’s samen. liefde, vergankelijkheid, ouder worden, tijd, zorg, maar dan veel mooier verwoord dan deze grote woorden dat kunnen:

Respijt

Veel rest er het slome, vermoeide lichaam niet.
Op dagen als vandaag legt het zich met zorg
en zonder aarzelen onder jouw handen
en het gestreel van hun vingertoppen neer.

Dit is een dag die niet veel van het leven vraagt.
Weinig om het lijf en tot zachtheid voorbestemd
haal ik adem in een huis dat ons tot schuilplaats dient.
Buiten trekken vrachtboten lijnen in het kanaal.

Af en toe lijkt het alsof je een misthoorn hoort.
Een thuiskomst zonder huis, een bed zonder dons
of lakens, het lieve leven verscheurt ons bij elkaar.
Respijt, dat pas, is een woord waarvan ik hou.

En tot slot lees ik het titelgedicht waar alles samenkomt: schilderen, schrijven, lezen, dankbaar zijn om zoveel leven

Het omber en het oker

‘don’t be afraid of the dark’
The Robert Cray band.

Zoveel dagen zijn er, zoveel nachten
waarop ik niet meer weet hoe, of waar
ik de bergen wil. Er is het blauw waarbij ik
aarzel of ik naar de hemel ga. Er zijn
het omber en het oker, het geel uit Napels.

Er is het schreeuwen van het rood. Wit
dat blind en stom aan al mijn handen likt.
En toch ben ik het niet. Op hun ovaal
ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij.

De spiegel maakt geen bezwaar dat ik
in hem mijn ogen doe. En de huizen,
de huizen weten best dat ik in hen
geen wanhoop, geen angst voor het donker wil,
als ik hen met zorg tussen de sneldrogende
heuvels van hun keuze schuif.

Het omber en het oker van Paul Rigolle verscheen bij Uitgeverij P.

(Verslag: Koen D’haene)

Facebook-bericht van 31/3/2025

Leesbaar licht, hoorbare stilte

Bij ‘Interieur’, een gedicht van Paul Rigolle
(Voorpublicatie uit ‘Het Omber en het Oker’)

Op het literaire tijdschrift Roer bespreekt Edward Hoornaert onder de mooie titel ‘Leesbaar licht, hoorbare stilte‘ – bij wijze van voorpublicatie – mijn gedicht ‘Interieur‘ dat straks ook in mijn nieuwe bundel ‘Het Omber en het Oker‘ staat. Edward, voormalig stadsdichter van Roeselare, oprichter en redactielid van 1P2, bezieler van het dichterscollectief Obsidiaan en ondertussen ook uitgever bij Uitgeverij Archipel is overigens ook de man waarmee ik straks tijdens de voorstelling van mijn nieuwe bundel op zondag 23/3/2025 om 11:00 u. in de Brugse Snuffel in gesprek mag gaan.

#HetOmberenhetOker #Roer #EdwardHoornaert

Hier volgt de volledige tekst op Roer:

Leesbaar licht, hoorbare stilte

Foto van schrijver: Edward Hoornaert
Edward Hoornaert

Interieur

Buiten legt de regen het weefsel
van de avond bloot, water wast
de ramen. In de kamer waarin wij
leven warmen wij de woorden op, 

leggen ze stil en onbesproken weg voor
later. Jij en ik, wij luisteren naar muziek
die bij dit soort winters past.
Eensgezind scharen de stoelen zich

rond de tafel. Van elke boodschap
halen wij de ruis. Badend in het
avondlicht plooit het huis ons open,
leest ons gulzig bij elkaar.

(Uit: Het Omber en het Oker, Paul Rigolle)

Iedereen kan zich wel een voorstelling maken van een gure winteravond die ons naar binnen drijft of aan een of ander scherm/boek vastgekluisterd houdt. Zo’n avonden kunnen gezellig zijn, maar volgen zich liefst niet te lang na elkaar op. Een mens wil zo af en toe ook wel eens uitbreken. Of wordt er zenuwachtig van. Maar winterse weersomstandigheden hoeven niet per se voor een gevoel van ongemak of troosteloosheid te zorgen. Ze kunnen, zoals in het gedicht Interieur van Paul Rigolle, net zo goed een katalysator zijn voor een huiselijke sfeer en harmonie. De manier waarop deze harmonie in het gedicht tot leven komt is van een buitengewone eenvoud. Alle elementen die hiertoe bijdragen en die door de dichter naar voren geschoven worden sluiten naadloos op elkaar aan en vloeien natuurlijk in elkaar over.

Het gedicht opent met een intrigerend beeld: Buiten legt de regen het weefsel / van de avond bloot. De avond heeft iets dat zichtbaar of voelbaar wordt door de regen, alsof het neerplenzende water structuren, patronen of texturen onthult die anders verborgen zouden blijven. In dezelfde blik naar buiten gericht wordt ook het water dat de ramen wast gevangen. De onthulling krijgt zo haast een louterend effect en wordt de kamer binnengeleid. Het woord weefsel is in dat opzicht erg zorgvuldig gekozen en legt op een enigmatische manier een subtiele verbinding tussen buiten en binnen. De dichter slaagt er vervolgens in intimiteit op te roepen die niet alleen de binnenruimte omhelst, maar ook de onderlinge verhouding tussen de aanwezigen tastbaar maakt.

Het valt ook op hoe woorden in dit gedicht een fysieke aanwezigheid krijgen. Ze worden opgewarmd, stil en onbesproken weggelegd voor later. Taal heeft gewicht en waarde. Woorden die er toe doen hoeven niet meteen uitgesproken, kunnen later de gezamenlijke beleving van het lezen in herinnering brengen, een tweede leven geven. Wanneer de tijd er rijp voor is. Voor nu volstaat de stilte en het samenzijn, een kalm, organisch evenwicht gedragen door muziek die bij dit soort winters past, binnen- en buitenwereld mee op elkaar afstemt.

Het huis is niet alleen een toevluchtsoord of schuilplaats voor het slechte weer maar vooral ook een plek waar de bewoners zichzelf en elkaar naar waarde schatten. In de ogenschijnlijke tegenstelling én eigenlijke wisselwerking tussen de gure buitenwereld en de geborgenheid van de huiselijke kamer ligt de essentie van het gedicht: een moment van verstilde harmonie. Ook het interieur maakt deel uit van dit vreedzaam tafereel. Stoelen komen ingetogen tot leven en scharen zich eensgezind rond de tafel. Het huis beperkt zich evenmin tot een passieve, beschuttende rol, maar draagt de rijkdom van het avondlicht over op haar bewoners die verder openbloeien en ondanks hun afzonderlijke leesactiviteit verder toegroeien naar elkaar.

De regen, de woorden, de muziek, de stoelen – ze maken als vanzelf deel uit van een zorgvuldig gecomponeerd geheel waarin alles en iedereen zich naar elkaar lijkt te voegen, zich lijkt te schikken in een gezamenlijk ritme, waarin er geen ruimte is voor ruis op de boodschap. Toch werpt het slotvers nog een kleine spanning op: het huis leest ons gulzig bij elkaar. Gulzigheid impliceert een honger, een gretigheid, een grote drang naar het zich begerig overgeven aan een moment als dit, een moment dat alleen maar toeneemt aan intensiteit naarmate het weefsel van de avond zich verder uitspant. Een moment dat grenzen tussen binnen en buiten, spreken en zwijgen, mens en ruimte doet vervagen.

(Het gedicht Interieur maakt deel uit van Het Omber en het Oker (Uitgeverij P), de nieuwe bundel van Paul Rigolle die op zondag 23 maart voorgesteld wordt in Snuffel Hostel te Brugge. Het verschijnt hier in voorpublicatie.)

© Edward Hoornaert

Facebook-bericht van 11/3/2025

Kopwolven op ‘De Schaal van Digther’

Donderdag 26 December 2024

Op De Schaal van Digther publiceerde ik een recensie over de omvangrijke dichtbundel ‘Kopwolven‘ van Martin Knaapen, de huidige stadsdichter van Deventer, met héle mooie illustraties van Marcel Herms Art. “Een synergie tussen woord en beeld“.
Hier na te lezen voor wie dat maar wil:

https://digther.blogspot.com/2024/12/kopwolven-een-synergie-tussen-woord-en.html
Met foto’s.
Facebook-bericht van donderdag 26 december 2024

Geluk in de regen

Renaat Ramon, al sinds ik hem in het gezegende jaar 1976 mocht leren kennen meer dan een man naar mijn hart, schreef voor het blad ‘De Geus’ dat driemaandelijks verschijnt een ‘poëstille’ over mijn gedicht ‘Jaagpad’.

Het gedicht dat deel uitmaakt van het “Poëziepad van A tot Z” staat sinds oktober van verleden jaar langs het Jaagpad van de Schelde tussen Escanaffles en Bossuit. Op de grens van twee talen, op de grens van wie het verbindt.

Meer info:
‘Jaagpad’ langs de Schelde’
De Geus

De Geus – Jrg 54-nr 2-April 2022-pagina 41

De integrale tekst van Renaat Ramon in ‘De Geus’:

Geluk in de regen.

Paul Rigolle zet een punt.

Gejaagd is de dichter Paul Rigolle (°1953) niet. Zijn recentste bundel Tot het bestaat verscheen in 2013. Sindsdien publiceert hij zijn gedichten vooral in Digther, een tijdschrift waarvan hij omtrent de eeuwwisseling een van de wroede vaders was en dat, teken des tijds, sinds 2012 onder de naam De schaal van Digther in digitale vorm overleeft. Onder leiding van Paul Rigolle. Het gedicht Jaagpad is sinds vorig jaar op het scherm te lezen.

Jaagpad opent met een originele metafoor. De ‘ons’ in de eerste versregel, dat zijn de wandelaars en de fietsers die het landschap lezen. Het landschap en de rivier. Die zich als tekens, als leestekens bewegen. Die pauzeren, die reflecteren over wat geweest (gelezen) is, die vragen stellen over wat komt. Op het ritme van de ademhaling. Tijd en ruimte liggen open en worden overbrugd. Je wordt herinnerd aan het klassieke beeld van de natuur, van het heelal als boek.

De wandelaar, de fietsers – de mensen – volgen de stroom: zij leven. Met alle geluid, met alle geweld van dien.

Maar het kolken en klokken – in de verte hoor je de zee van Willem Kloos: ‘de Zee klotst voort in de eindeloze deining’ – blijken arcadisch te zijn, met als climax, aangegeven door een dubbelpunt, de openbaring, het ultieme besef: ‘Geluk is een jaagpad in de regen’.

Veel vroeger, in de bundel Mond- en Clownzeer (1980) had Rigolle, in een stad
geboren zijnde, het zebrapad geprezen, wellicht ook met enige ironie: ‘Een
zebrapad is een weelde! Elk denken verloopt er licht’ en, welwillend en veilig van achter een raam, ook de regen: ‘God, zie hoe het regent, midden juni, waar/ik zit en weet: Hoe vanavond laat,/voor dit raam, de stadlichten zullen openbloeien/ als hangende tuilen goedkope bloemen.’

Jaagpad, dat je rustig een pastorale mag noemen, telt precies honderd woorden, evenwichtig verdeeld over vijf terzinen. De dichter toont zijn vakmanschap.
In de tweede regel van de eerste strofe verschijnt, bijna halverwege, het
eerste leesteken: een punt. Er wordt even halt gehouden. Ook de dichter houd even halt – om een punt te zetten.

De derde regel enjambeert functioneel: de versregel die begint met ‘Kijkend naar’ verwijst naar ‘wat achter ons ligt’ in de volgende strofe – ook letterlijk dus.

Ook in de derde strofe worden adequate punten gezet: ‘Adempauze. Pas op de plaats.’ – waarna beweging volgt, drie strofen ver. Ook de ritmische deining van kolken en klokken wordt typografisch getoond.

Het ontbreken van specifieke geografische gegevens – het jaagpad is ‘Een rivier op aarde’ – zorgt er voor dat het gedicht het regionale, de anekdotiek, overschrijdt en de aandacht geheel naar de sensitieve belevenis gaat.

Fietsen is niet altijd een feest. De hel van het Noorden (1982) is een titel die de wielerfanaten enigszins misleidt – de bundel gaat niet over keien – maar heeft Rigolle wel de reputatie van ‘dichtende Flandrien’ bezorgd. Het heeft hem niet belet aan de Waalse coureur Claude Criquielion aandacht te bestenden (Op de Helling, 1990). Op de tandem met Patrick Cornillie heeft hij de bloemezing ‘Het wielrennen in de Nederlandse Literatuur’ samengesteld onder de woordspelige titel Vélo-Dromen (1991).

Overigens is de poëzie van Paul Rigolle dromerig noch woordspelig. Het is een poëzie waarin vaak kritische leestekens worden gezet.

© Renaat Ramon

Poëstille, De Geus, Jaargang 54, nr 2,April 2022

…/…

Jaagpad

Trage wegen dragen ons als leestekens
in het landschap. Even halt te houden,
even een punt te zetten. Kijkend naar

wat achter ons ligt en naar wat nog
moet komen, zoveel tijd is er ons gegeven
om ons niet te moeten haasten.

Adempauze. Pas op de plaats.
We ademen in en uit, bladeren
in het boek van tijd en ruimte,

slaan lang en breed een brug,
wandelen en fietsen langs het water
dat tussen de oevers deint en kolkt

en klokt. Een stroom te volgen!
Een rivier op aarde en dan plots beseffen:
Geluk is een jaagpad in de regen.

© Paul Rigolle

Atlas – Renaat Ramon