Om alles vast te houden

Recensie in Poëziekrant
Facebook-bericht van Vr 4/7/2025

Eerder – op reis in de Finistère en andere Bretoense streken – las ik de recensie al even online. Nu ook op papier. In het 4° nummer van de lopende jaargang van de Poëziekrant bespreekt Jooris van Hulle ‘Het Omber en het oker’. Alweer een recensie waar ik mij enkel over kan verheugen…
Om alles vast te houden…” Misschien is dat wel dé perfecte reden om gedichten te gaan schrijven…

Aan Het omber en het oker, de zesde dichtbundel van Paul Rigolle (1953), gaat onder meer dit citaat vooraf uit de Brieven aan Plinius van Marleen De Crée: ‘Een huis op de wind van het woord. / wonen is een tijd van keren. / maar ik breek open.’ En al even bepalend voor de verzen van Rigolle zijn de er onmiddellijk aan voorafgaande woorden van Hester Knibbe: ‘Doe al wat afleidt weg, de poespas / eromheen voor je begint. Behoud alleen / onzekerheid of je wel woorden vindt / voor wat je drijft.’

Rigolle houdt zich ver weg van vormexperimenten die de schijn van originaliteit moeten hooghouden. Binnen een klassieke vormgeving, waarin een voorkeur opvalt voor de terzine en het kwatrijn, tekent de dichter het kader uit waarin hij zijn aanwezigheid in de wereld bevestigt.

In ‘Een stem in de tijd’, de eerste van de zes cycli uit Het omber en het oker, staat de relatie tot de taal voorop. Wat zich hierbij manifest aandient is de antithese tussen de vervoering die de dichter ervaart bij het schrijven (‘In een klassiek / en wild gebaar maak ik van elk plafond // een hemel’) en de onzekerheid die ermee gepaard gaat als hij zich geconfronteerd weet met de taal van wie hem is voorafgegaan: de taal van het eerste land, zijn geboortestad (‘de taal die hem ooit als een snavelbeet in de vleugel /van een vlinder getroffen heeft. // En treffen blijft’), de taal ook van de wegbereiders in het schrijven, Baudelaire, Wittgenstein en Tsjebbe Hettinga, wiens stem door de ietwat geforceerde allitteraties letterlijk opklinkt in verzen als ‘het talmen het tintelen het tillen van taal’ van ‘een blinde bulderaar, bonkend bluffend en brekend’.

Finaal is het erom te doen een eigen ‘stem in de tijd’ te vinden. Meteen daagt ook het besef van verantwoordelijkheid die het schrijven met zich meebrengt: ‘de tijd / dringt om af te wenden wat ons bedreigt’. Deze stille vorm van verzet breekt ook door in de cyclus ‘Een jaagpad in de regen’, met weer de bekommernis om de teloorgang van de natuur en de nood aan verstilling: ‘trage wegen dragen ons als leestekens / in het landschap. (…) // Adempauze. Pas op de plaats.’

De ik die nadrukkelijk aanwezig blijft in de gedichten, zoekt de beslotenheid van de kamer op, hij legt vast wat hem aan geluksmomenten wordt aangereikt in en door de liefde (‘haal ik adem in een huis dat ons tot schuilplaats dient’), in en door de schoonheid van beeldende kunst (met voorop hier de kleuren, van ‘het omber tot het oker’ tot het ‘schildersverdriet 2,1’, Paul Snoek revisited).

In de binnenwaarts gerichte terugblik komen fragmenten aan bod uit het dagboek van een (zijn) leven, waarin de vader-zoonrelatie wordt belicht (de relatie van de ik met zijn zoon, maar evengoed die met zijn vader die in het rustoord verblijft (‘En dat hij alles maar vergeten blijft. Het is / de tijd, jongen, die aan alles knaagt. (…) // Alles maak ik voor hem mooier terwijl hij / in mijn ogen kijkt en iemand anders ziet.’). De gedichten uit de slotafdeling vormen een emotioneel gedragen lamento voor een overleden collega, ‘de acht letters van het woord afscheid’ maken dat de ik op zoek dient naar ‘de plaats / die een plek zal zijn zonder jou.’ Het omber en het oker herijkt, na ruim een decennium van zwijgen, op een treffende manier het dichterschap van Paul Rigolle.

© Jooris van Hulle

Het omber en het oker

Paul Rigolle
Uitgeverij P, Leuven, 2025, 59 p., €19,50

Koop

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *