De verantwoordelijkheid van de dichter

Drie gedichten en een recensie in het zomernummer van 2025 van ART04

In het zomernummer van 2025 van het kunsttijdschrift ART04 – nummer 82 al – staan mijn gedichten ‘Passer’, ‘Slang’ en ‘Respijt’. De drie gedichten komen uit ‘Het Omber en het Oker‘ mijn recente bundel. Zij worden met ‘De verantwoordelijkheid van de dichter‘ vergezeld van een recensie van Andreas Van Rompaey.
De volledige recensie kun je nalezen via dit blogbericht.

Op zaterdag 11 Oktober 2025 gaat om 19:00 uur in Cultuurcafé Het Parlement in Harelbeke een Literaire Ontmoeting tussen Noord en Zuid door. Op de affiche staan Noud BlesPaul RigolleArne Deprez en Etienne Colman. Er is muziek van de Caravan Juke Joint Band en Andreas Van Rompaey staat in voor de presentatie. De organisatie is in handen van Kunstkring De Geus die ook, en dat al sinds 2004, het kunsttijdschrift ART04 publiceert.

De man die de dichters naar het Internet bracht.

Als mijn info helemaal klopt dan stuurt Raymond Noë, publicist, columnist en redacteur van Boekenkrant en Onze Taal  al sedert het gezegende jaar 1997 (!) (toen het internet nog maar pas kwam kijken) onder de naam Laurens Jz Coster,  elke werkdag aan de poëzieliefhebbers die dat wensen, per email een gedicht. Het is een fantastische en onvolprezen gedichtenmailservice waaraan ik zelf – samen met duizenden andere liefhebbers – al jaren plezier beleef. Bijgaand en aanvullend is er ook de blog: https://laurensjzcoster.blogspot.com/

Dubbel plezier doet het mij nu dat ik vandaag op zijn onvolprezen de Coster-lijst als “Dichter van de dag mag fungeren”. Dat betekent dat een groot aantal poëzieminnaars vandaag twee gedichten uit mijn recente bundel “Het Omber en het Oker” in hun mailbox krijgen. Waarvoor heel veel dank!
Het zijn de gedichten: Okkernoot en Passer. Ik plaats ze hieronder ook nog ’s in hun geheel.

Raymond Noë – Foto Boekenkrant

Foto: Via Boekenkrant
Inschrijven op de mailservice van Raymond kan nog altijd:
https://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

In 2018 kreeg Raymond Noë voor zijn onvolprezen maildienst een Visser-Neerlandia-prijs.
Marc van Oostendorp schreef daar in september 2018 toen dit over:

“Toen Noë bijna 20 jaar geleden met zijn werk aan Coster begon, was er nog maar heel weinig literatuur op het internet, en al helemaal nauwelijks Nederlandse lyriek. Het is niet overdreven om te zeggen dat Noë’s inspanningen een belangrijke rol hebben gespeeld om onze dichters een stem te geven op de grote marktplaats die het internet inmiddels is. Het is heel belangrijk voor de literatuur dat mensen blijven proberen nieuwe vormen te vinden om te kunnen blijven genieten van de klassieke letteren. Ik ben blij dat hij deze prijs krijgt. Ik ben trots dat Neerlandistiek de gedichten ook mag plaatsen.”

De man die de dichters naar het internet-bracht (Bericht op Neerlandistiek)
De keuze van Raymond Noë op Meander-magazine
Foto Raymond Noë via Boekenkrant
De Coster-lijst op Facebook
De Neerlandistiek-link naar de gedichten

De gedichten op de Costerlijst uit ‘Het Omber en het Oker‘:

Okkernoot

Dat we trage dieren zijn met een intellect
dat schrijnt, het wordt beweerd, het staat
geschreven. De okkernoot van ons brein

laat niets aan toeval over. Keer op keer
draaien wij de waarheid om en wachten
op de lessen die het leven ons moet geven.

Steeds hogerop, ladderdrift mijn deel, wuif ik weg
wat ik niet wil weten. In een klassiek
en wild gebaar maak ik van elk plafond

een hemel. Wat er nog niet is zal ik maken,
hoogmoed zit mij als gegoten, past mij zoals
alleen een hoofd kan passen in mijn handen.


•••


Passer

Aan elk schrijven hoort een visioen
vooraf te gaan. Eerst komt het oerbos,
diep en stil. Bramen, struiken, lianen
slingeren zich in touw de bomen uit.
Groot en levensvatbaar schrijft de trek
zich in de vlucht van vroege vogels in.

Dieren kiezen vasteland. Wie straks
rechtop zal staan doemt kruipend op.
Figuren, personen breken uit hun lijst.
Mensen zwellen in de straten aan.
Eentweedrie een optocht. Een mars,
een stil protest. Een foto scheurt ze uit.

Tijd vloeit het uurwerk uit. Het punt
kruipt opnieuw de passer in. Klank
houdt woord. Of het snelsnel of werk
van lange adem wordt, moet nog blijken.
Wat onomkeerbaar is, is nog lang niet klaar.


© Paul Rigolle (1953)
uit: Het omber en het oker (Uitgeverij P, 2015)

Om alles vast te houden

Recensie in Poëziekrant
Facebook-bericht van Vr 4/7/2025

Eerder – op reis in de Finistère en andere Bretoense streken – las ik de recensie al even online. Nu ook op papier. In het 4° nummer van de lopende jaargang van de Poëziekrant bespreekt Jooris van Hulle ‘Het Omber en het oker’. Alweer een recensie waar ik mij enkel over kan verheugen…
Om alles vast te houden…” Misschien is dat wel dé perfecte reden om gedichten te gaan schrijven…

Aan Het omber en het oker, de zesde dichtbundel van Paul Rigolle (1953), gaat onder meer dit citaat vooraf uit de Brieven aan Plinius van Marleen De Crée: ‘Een huis op de wind van het woord. / wonen is een tijd van keren. / maar ik breek open.’ En al even bepalend voor de verzen van Rigolle zijn de er onmiddellijk aan voorafgaande woorden van Hester Knibbe: ‘Doe al wat afleidt weg, de poespas / eromheen voor je begint. Behoud alleen / onzekerheid of je wel woorden vindt / voor wat je drijft.’

Rigolle houdt zich ver weg van vormexperimenten die de schijn van originaliteit moeten hooghouden. Binnen een klassieke vormgeving, waarin een voorkeur opvalt voor de terzine en het kwatrijn, tekent de dichter het kader uit waarin hij zijn aanwezigheid in de wereld bevestigt.

In ‘Een stem in de tijd’, de eerste van de zes cycli uit Het omber en het oker, staat de relatie tot de taal voorop. Wat zich hierbij manifest aandient is de antithese tussen de vervoering die de dichter ervaart bij het schrijven (‘In een klassiek / en wild gebaar maak ik van elk plafond // een hemel’) en de onzekerheid die ermee gepaard gaat als hij zich geconfronteerd weet met de taal van wie hem is voorafgegaan: de taal van het eerste land, zijn geboortestad (‘de taal die hem ooit als een snavelbeet in de vleugel /van een vlinder getroffen heeft. // En treffen blijft’), de taal ook van de wegbereiders in het schrijven, Baudelaire, Wittgenstein en Tsjebbe Hettinga, wiens stem door de ietwat geforceerde allitteraties letterlijk opklinkt in verzen als ‘het talmen het tintelen het tillen van taal’ van ‘een blinde bulderaar, bonkend bluffend en brekend’.

Finaal is het erom te doen een eigen ‘stem in de tijd’ te vinden. Meteen daagt ook het besef van verantwoordelijkheid die het schrijven met zich meebrengt: ‘de tijd / dringt om af te wenden wat ons bedreigt’. Deze stille vorm van verzet breekt ook door in de cyclus ‘Een jaagpad in de regen’, met weer de bekommernis om de teloorgang van de natuur en de nood aan verstilling: ‘trage wegen dragen ons als leestekens / in het landschap. (…) // Adempauze. Pas op de plaats.’

De ik die nadrukkelijk aanwezig blijft in de gedichten, zoekt de beslotenheid van de kamer op, hij legt vast wat hem aan geluksmomenten wordt aangereikt in en door de liefde (‘haal ik adem in een huis dat ons tot schuilplaats dient’), in en door de schoonheid van beeldende kunst (met voorop hier de kleuren, van ‘het omber tot het oker’ tot het ‘schildersverdriet 2,1’, Paul Snoek revisited).

In de binnenwaarts gerichte terugblik komen fragmenten aan bod uit het dagboek van een (zijn) leven, waarin de vader-zoonrelatie wordt belicht (de relatie van de ik met zijn zoon, maar evengoed die met zijn vader die in het rustoord verblijft (‘En dat hij alles maar vergeten blijft. Het is / de tijd, jongen, die aan alles knaagt. (…) // Alles maak ik voor hem mooier terwijl hij / in mijn ogen kijkt en iemand anders ziet.’). De gedichten uit de slotafdeling vormen een emotioneel gedragen lamento voor een overleden collega, ‘de acht letters van het woord afscheid’ maken dat de ik op zoek dient naar ‘de plaats / die een plek zal zijn zonder jou.’ Het omber en het oker herijkt, na ruim een decennium van zwijgen, op een treffende manier het dichterschap van Paul Rigolle.

© Jooris van Hulle

Het omber en het oker

Paul Rigolle
Uitgeverij P, Leuven, 2025, 59 p., €19,50

Koop

Het menselijk tekort en schoonheid die verwondt

Meander25 jun, 2025

Ook en zelfs terwijl ik nog even op reis ben in Normandie en Bretagne weet mijn uitgever Leo Peeraer mij een aantal fijne berichten te signaleren. Zo laat hij weten dat er in het nieuwe Meander-nummer een erg mooie recensie staat van mijn recente dichtbundel ‘Het Omber en het Oker’. Met veel dank aan Anneruth Wibaut die de bundel wel heel grondig heeft gelezen. En daar ben ik, het mag gezegd, uiteraard meer dan blij mee!

Het menselijk tekort en schoonheid die verwondt

Recensie door Anneruth Wibaut op Meander

‘Wat loopt dat mooi’, dacht ik toen ik de eerste keer de bundel Het Omber en het Oker van Paul Rigolle doorbladerde. Onnadrukkelijk dansen de versvoeten in hun lichte of zware ritme, nergens opdringerig of opgelegd, vorm en inhoud werken samen en versterken elkaar. De bundel, Rigolle’s  zesde, is verdeeld in zes secties. De eerste heet ‘Een stem in de tijd’ en gaat over de noodzaak van het dichten. Het motto ervan wordt geleverd door de laatste regels uit het gedicht ‘Missie’: ‘over de wereld, over de dagen en de dingen / zul je zingen als zonder reden.’

In deel twee, ‘Fragmenten van het huis’, wordt het voortschrijden van de tijd bezongen en hoe vredig de ouderdom kan zijn, zij aan zij met een geliefde en met een veilig thuis. In de afdeling ‘Het Omber en het Oker’ staan de kunsten centraal. Onder andere komt de aan de orde wie eigenlijk de meester is in het scheppingsproces, de baas zo je wilt. Is dat de maker of is het de kunst? In de eerste strofe van het gedicht ‘Het Omber en het Oker’ is een schilder aan het woord die niet zo goed weet wat hij met zijn kleuren aan wil. Zijn twijfel is zelfs groter: ‘En toch ben ik het niet. Op hun ovaal / ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij.’ Ook dichters kennen de ervaring dat niet zij de woorden, maar de woorden hen kiezen, alsof ze medium zijn voor de taal. Voor de sectie ‘Een jaagpad in de regen’ vormen de regels ‘vinden wij pelgrims in onze tijd / een tafel in ieder huis uit’ uit het gedicht ‘Camino’ het motief, zoals dagboekgedichten dat zijn voor ‘Het heimwee naar de bladen van het boek’. De zesde en laatste sectie heeft als onderwerp ‘Acht letters van het woord afscheid’. De titel dekt de inhoud.

Ik ervaar geen dwingende reden om me aan de chronologie van de bundel te houden. Bladerend stuit ik op pareltjes als ‘Niets valt op // zolang het niet ontbreekt’, uit het gedicht ‘Orgelpunt’ op pag.41 en gedichten die ik wil herlezen, brieven die de dichter richt aan overleden schrijvers en filosofen, odes aan een mooi stadsgezicht, wandelingen en fietstochten en zelfs een recept.

Huiselijk geluk wordt bezongen zonder enig cliché, dat is knap en verfrissend. Voor het dichten over de oorlogen, de machthebbers en het klimaat geldt dat ook. Een dichter moet vandaag de dag van goeden huize komen om daarover niet in holle oneliners verstrikt te raken. Paul Rigolle komt van goeden huize. Zijn poëzie overstijgt het particuliere, ze geeft ruimte aan de lezer om er ook eigen ervaringen met vreugde of verdriet in te lezen of gedachten daarover te herkennen.

Rigolle snijdt diep menselijke vraagstukken aan die hij behandelt in gewone, alledaagse taal. Zoals in het vraagstuk hoe in het ondergaan en bejubelen van kunst de twijfel binnen kan komen sluipen over het glanzend onbeschadigde ervan. In het onderstaande gedicht uit de afdeling ‘Het Omber en het Oker’ legt hij de woorden weliswaar in de mond van de schrijver Stendhal, maar er staan gedichten in de bundel die de gedachte rechtvaardigen dat hij ze zelf ook onderschrijft:

Een zucht te zijn
(Stendhal bezoekt Florence)

Een zucht te zijn in het lichaam van de stad!
Uitkijkend naar alles wat we willen zien en zijn.
Florence! Florence davert in ons door, rookt ons uit.

Met minder moet het, jij en ik alleen, het kan volstaan.
Al het goud van de wereld, het brokaat, weg ermee.
Er moet iets af, ergens moet iets af gaan bladderen.

Vergane verf, vaalgeworden streek, een hoekje af,
een ezelsoor. Een kraak in een bast. Een vijzel, krijtend
in een gebroken kom. Geef ons bij al die schoonheid

eindelijk weer ’s iets dat zijn schaduw werpt.
Want onwel nu van het surplus zijn wij, kleine
slaafjes van een schoonheid die ons openrijt.

[pag.31]

Mooi en waar, niet alleen menselijk leed kan zo raken, ook schoonheid weet te verwonden en te ontregelen. Er bestaat zelfs een Stendhal-syndroom. Dat is, volgens Wikipedia ‘een psychische aandoening die optreedt als iemand volledig overrompeld wordt door de schoonheid van kunst. Lichamelijke verschijnselen zijn een versnelde hartslag, duizeligheid, verwarring en flauwvallen.’

Misschien om niet ten onder te gaan aan alle schoonheid in de wereld, bezingt Rigolle ook uitbundig de narigheid: clusterhoofdpijn, de wrede oorlogen van machthebbers, afnemend geheugen, dood door ouderdom, afscheid van vrienden. En in onderstaande geheel gedicht: verkalkte slagaderen.

Bypass

Iemand zegt dat je nu een krijger bent.
Geheeld en wel, met een litteken
als een omgekeerde rechtopstaande
evenaar over de borst.

Je checkt of alles er nog is. De zonnestelsels
in het hoofd. Duizend wegen, Mille Miglia.
De wonderlijke vragen.

Of ook bomen weten wat ze willen?
Of ook domme vogels kunnen vliegen?
En hoe zou het zijn als de Aarde ringen had?

Hoe vurig hoop je dat morgen al
de glans terugkomt in jouw ogen.

[pag. 49]

Ik word blij van de vraag of ‘ook domme vogels kunnen vliegen.’ De afwisseling tussen ernst en vreugde in dit gedicht kenmerkt de hele bundel. Of je die nu chronologisch van begin tot eind tot je neemt of al bladerend, je blijft je steeds bewust van hoe alle gedichten een samenhangend geheel vormen. Ze zijn bevriend, verwijzen naar elkaar en naar meer of minder bekende gedichten en kunstwerken in vele intertekstuele dwarsverbanden. Misschien wel het sterkste voorbeeld daarvan is de brief aan een dichter die Rigolle heeft beïnvloed, in onderstaand gedicht:

Brief aan Baudelaire

Ha Baudelaire, kan ik jou, kan ik jou nog schrijven
anderhalve eeuw, een land en een landschap later
nu het duister opnieuw deemstert doorheen

de dagen en verderop in het Oosten een man
halsstarrig bommen gooit op uitgestorven steden.
Wie of wat zou je zijn indien je terug kon keren?

Een rapper, een rekkenvuller die vol gramschap
de dingen schikt of ergens tussenin een dichter
die zich inzet voor het klimaat? Ik kan er enkel maar

naar talen, Baudelaire, net zo verstrikt als ik ben
in de halsstrik van de taal. En graag, wat graag
herdenk ik in jou, in mij, anno nu, de dag dat

Menno duizend dromen stierf, de dag
dat Pernath van rechts naar links het boek
van de waarheid droeg, het uitgebreid hebbend

over de onmacht een mens te zijn.

[pag. 9]

Wat een heerlijk eigentijds begin: ‘Ha, Baudelaire.’ En dan eindigen met zo’n rijk beladen zin ‘over de onmacht een mens te zijn’. Baudelaire (1821-1867) staat erom bekend dat in zijn werk vorm en inhoud samensmelten. Hij was voor de beide in dit gedicht genoemde dichters Hugues Pernath en Menno Wigman een groot voorbeeld. De laatste vertaalde Baudelaires bekendste werk Les Fleurs du mal (De bloemen van het kwaad) en in 2001 werd hij genomineerd voor de Hugues C. Pernath-prijs voor zijn bundel Zwart als kaviaar. Een minder feitelijke, meer thematische dwarsverbinding vormt de laatste zin ‘over de onmacht een mens te zijn’. Die sluit ook aan bij zinnen in de twee eerder geciteerde gedichten over schoonheid in het menselijke: ‘afgebladderd’ en ‘krijger met litteken’. Het roept de vraag op of misschien de mens die de onvolmaaktheid niet accepteert vatbaarder is voor machtswellust en hebzucht die tot oorlog leiden? Zoals de man die ‘halsstarrig bommen gooit op uitgestorven steden’? Vragenderwijs stelt de dichter eigenlijk dat het juist onze imperfectie is die ons mens maakt, samen met het feit dat we ons daarvan bewust zijn.

Met dit soort dwarsverbindingen binnen de (dicht)kunst staat de bundel vol, maar ze dringen zich niet op, het is niet nodig hun precieze betekenis steeds op te zoeken. Het komt niet cerebraal over, maar meer alsof de dichter al die andere schrijvers en kunstenaars, dood of levend, als zijn vrienden beschouwt.
____

Paul Rigolle (2025). Het Omber en het Oker. Uitgeverij P, 64 blz. € 19,50. ISBN 139789464757705

Meanderlink: Het menselijk tekort en schoonheid die verwondt

Facebook-bericht van 26 juni 2025

Poëzie van een robuuste élégance

Bert Bevers bespreekt ‘Het Omber en het Oker’ voor De Boekhouding van de VVVL – Vereniging van Vlaamse Letterkundigen vzw. Blij met de mooie woorden!

Dit is de link:
https://deboekhouding.blogspot.com/2025/06/betrokken-bij-het-weidse-nabije.html

De volledige recensie:

Met Het omber en het oker is Paul Rigolle (° 1953, Roeselare) toe aan zijn zesde bundel. Die is onderverdeeld in de cycli Een stem in de tijd, Fragmenten van het huis, Het omber en het oker, Een jaagpad in de regen, Het heimwee van de bladen naar het boek en De acht letters van het woord afscheid. Die tellen respectievelijk tien, zes, acht, nog eens acht, zes en drie verzen.

Ik lees de poëzie van Paul Rigolle reeds jaren met genoegen. Deze West-Vlaamse dichter schrijft, ik merkte dat eerder al eens op, een poëzie die aan je blijft haken, poëzie van een robuuste élégance. Hij schrijft gedichten om op te kauwen, om na te proeven, met straffe regels als Wat onomkeerbaar is, is nog lang niet klaar.

Rigolle gebruikt bepaalde woorden graag regelmatig. Neem in deze bundel taal dat je niet minder dan 12 keer ziet verschijnen. Ook tijd (9 keer) vindt hij fijn. Zijn poëzie is geen navelstaarderij maar een weerspiegeling van het leven in alle facetten. Van verlies en winst, van angst en liefde, maar ook van dood en pijn. Zijn poëzie werkt in wisselende perspectieven aan het bezweren van vergetelheid.

Het is boeiend om te lezen hoe zorgvuldig Rigolle wat hij zoal in zijn belevingswereld toelaat ontleedt. Hij is een begenadigd kijker (Het landschap beneemt de adem, slijpt zich / in de ogen vast) en analytisch waarnemer (Soms wordt de tijd een ding waarin je kijken kunt. / Viewmaster, album, kijkkast.) met behalve voor het leven zelf een groot hart voor de kunst die dat verwerkt. Hij verwijst naar dichters, componisten en filosofen als Baudelaire, Hettinga, Hindemith, Pernath, Stendhal, Wigman en Wittgenstein. Ook beeldend kunstenaars als Philip Aguirre y Otegui, Maaike Bearelle, Jasper Rigole en Hans Vandekerckhove worden genoemd.

Rigolle ziet dat je niet zomaar licht hebt maar: Zoveel soorten licht zijn er. Licht dat gulzig likt / en licht dat met het blote oog voltooit wat is / gemaakt, er mag gekeken, er mag gestaard. Je vóelt bij het lezen dat hij alleszins telkens wárm licht ziet. Om het in beeldende kunsttermen te plaatsen is Rigolle nauwer verwant met de aardkleuren van Paul Klee dan met de tinten van de kille abstracties van lieden als Piet Mondriaan. Dit is poëzie die het recht opeist om schoonheid niet verloren te laten gaan.

Deze dichter is ook precies. Wat mij, als liefhebber van onze gevleugelde vrienden, bijvoorbeeld veel genoegen doet is het feit dat Rigolle hen als ze relevant opduiken in zijn werk niet zomaar als ‘vogels’ opvoert maar expliciet noemt als merel, als leeuweriken, als spreeuwen.

Hij houdt niet van kabaal, apprecieert meer en meer de stilte blijkens Van elke boodschap halen wij de ruis. (Interieur) en zoete mechaniekjes die zoemen en zingen en welhaast geluidloos mee stappen in de trage triomftocht van het gedicht (Orgelpunt) en Niets is hoorbaar. Mateloos trillen de bladen in hun heimwee naar het boek (Nauwelijks een gerucht).

Een heel erg mooi slot vind ik (van Slang) En jij, jij zal liedjes zingen in het Italiaans / en schoenen dragen, gemaakt om weg / te wandelen uit het grijs van onze steden. Zulke regels ontroeren mij, zonder dat ik kan duiden waarom. Maar gelukkig hoeft dat niet. En bij poëzie al helemaal niet. Dat Paul Rigolle nog maar lang getuigenis af mag leggen van zijn betrokkenheid bij het weidse nabije.

Het omber en het oker, Paul Rigolle, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978-94-64757-70-5

© Bert Bevers

Bypass in het Indonesisch

Van goede zorgen gesproken! Dichter en Beeldend Kunstenaar Albert Hagenaars vertaalde samen met Siti Wahyuningsih mijn gedicht “Bypass” (uit ‘Het Omber en het Oker’) in het Indonesisch. Waarvoor veel dank!

Je kunt het hier nalezen. In het Nederlands én dus ook in het Indonesisch.
De link:
https://puisibelanda.blogspot.com/2025/05/paul-rigolle-bypass.html

Er misschien toch nog even bijzeggen dat de foto van deze jongen (van Bert Bevers) bij het gedicht tot iet of wat gedateerd lijkt… 🙂


Jumat, 30 Mei 2025

PAUL RIGOLLE – Bypass

BYPASS

Seseorang berkata kau sekarang
adalah seorang prajurit. Sembuh sehat,
dengan bekas luka seperti ekuator
yang terbalik tegak di dada.

Kau memeriksa apakah semuanya masih ada.
Tata surya dalam kepala. Seribu jalan, Mille Miglia.
Pertanyan-pertanyan yang luar biasa.

Apakah juga pohon-pohon tahu apa yang mereka inginkan?
Apakah juga burung-burung bodoh bisa terbang?
Dan bagaimana jadinya jika Bumi memiliki cincin?

Betapa sungguh-sungguh kau berharap
agar esok matamu kembali berbinar.

Terjemahan: © Siti Wahyuningsih dan Albert Hagenaars

29-05-2025

BYPASS

Iemand zegt dat je nu een krijger bent.
Geheeld en wel, met een litteken
als een omgekeerde rechtopstaande
evenaar over de borst.

Je checkt of alles er nog is. De zonnestelsels
in het hoofd. Duizend wegen, Mille Miglia.
De wonderlijke vragen.

Of ook bomen weten wat ze willen?
Of ook domme vogels kunnen vliegen?
En hoe zou het zijn als de Aarde ringen had?

Hoe vurig hoop je dat morgen al
de glans terugkomt in jouw ogen.

Paul Rigolle

Het omber en het oker

Penerbit: Uitgeverij P, Leuven, 2025
Photo penyair: © Bert Bevers
Photo sampul buku: nama ‘Sublimis’, Pol Delameillieure
Kunjungi juga:
Frozen Poets – Patung-patung, kuburan dan jejak lain dari penyair2

www.alberthagenaars.nl

Taal een kostbaar goed

Vrijdag 30 Mei 2025
Facebook-bericht van 29/5/2025
Op Roer.me – zeer gewaardeerde vrijhaven voor poëzie – staat in de vorm van een interview een gesprek dat ik mocht hebben met Roer-redacteur Edward Hoornaert. Edward was ook al de man die mij tijdens de voorstelling van ‘Het Omber en het Oker’ op 23 maart 2025 een aantal vragen mocht stellen voor een wel zeer levendig publiek.

Hieronder plaats ik met veel dank het Roer-gesprek integraal.

In gesprek met Paul Rigolle

https://www.roer.me/post/taal-een-kostbaar-goed

Over het wonderlijke instrument van de taal, het verschil tussen Kijken en Zien en de kunst van het invulling geven. En over zijn zesde bundel Het Omber en het Oker.

Welkom terug, Paul! Eerst en vooral proficiat met je nieuwe bundel Het Omber en het Oker (Uitgeverij P)! Je bent een graag geziene gast op poëzie-evenementen, brengt via De schaal van Digther het werk van vele collega-dichters onder de aandacht, neemt een actieve rol op binnen de VWS, schrijft regelmatig over wielrennen, … Heeft die verscheidenheid aan activiteiten een vertragend effect gehad op het verschijnen van deze bundel (de vorige dateert van 2013) of had deze bundel gewoon meer tijd nodig om te rijpen dan de voorgaande?

Doorheen de jaren is het bij mij een beetje een tweede natuur geworden om een aantal dingen op de voet te volgen. Of dat toch met veel goesting te willen doen. Dat is in eerste instantie uiteraard het geval met de poëzie (en bij uitbreiding de literatuur, de kunst en ook de filosofie). Of zoals de psycholoog van dienst ooit in een PMS-verslag schreef: ‘De interesse is nogal diffuus…’ Daarnaast blijft ook het wielrennen al van in mijn vroegste jeugd één van mijn andere vreemde dada’s waarvan ik vaststel dat die moeiteloos de jaren weten te overleven. Noem het wielrennen gerust één van mijn wel erg guilty pleasures waarover ik ook regelmatig schrijf. Bovendien broed ik op een aantal plannen om er in de toekomst nog iets uitgebreider over te schrijven. Ik noem het ook vaak de meest poëtische sport…Ik moet dus wel toegeven dat ik op heel veel momenten nogal onderhevig ben aan verregaande versnippering. Wellicht zorgt dat bij mij inderdaad wel voor een vertragend effect op het vlak van puur creatief schrijven. Maar dat is uiteindelijk niet echt mijn grootste zorg. Wat niet is, is niet gemaakt. En wat komt moet maar komen. Pure publicatiedrang is mij misschien wat té vreemd en ik schrijf bovendien nogal traag en met veel aandacht… Het Omber en het Oker, mijn recente bundel, liet lang op zich wachten (een kleine twaalf jaar) maar het kan heus nog erger. Tussen mijn derde (Overal en op alle plaatsen) en mijn vierde bundel (Van het Hart een Steen uit 2009) zaten zo maar eventjes 23 jaar! Kan qua afstand in de tijd tellen hé…

De titel van je bundel, Het Omber en het Oker, roept een beeld op van warme, aardse kleuren die vaak in de schilderkunst worden gebruikt. In hoeverre weerspiegelen deze kleuren de thematiek van je poëzie?

Misschien moet ik vooraf even zeggen dat de titel van mijn bundel ook de titel is van een cyclus die vooral het schilderen en de kunst in het algemeen als thema heeft. Maar het klopt wel, ik denk dat mijn bundel nogal down to earth is. Dus die schaduwrijke omberachtige kleuren zinnen me wel. ‘Meer een man van stenen dan van sterren’, stond er eerder al op de flap van mijn dichtbundel Van het hart een steen uit 2009. Het aardse is mij dus net iets liever dan de hemel wat niet belet dat ik net als elke dichter niet af en toe met mijn gedichten naar de sterren wil reiken en ook dat ik vind dat er in heel wat van mijn gedichten toch wel flink wat licht voorkomt.

Alsof je bent voorbestemd om alles / vast te houden moet en zal je zingen. Zo opent het eerste gedicht (Missie) van de bundel. In het daaropvolgende gedicht krijgt deze opgave al meteen een bijna theatrale invulling: Steeds hogerop, ladderdrift mijn deel, wuif ik weg / wat ik niet wil weten. In een klassiek / en wild gebaar maak ik van elk plafond / een hemel. Wat er nog niet is zal ik maken, / hoogmoed zit mij als gegoten, past mij zoals / alleen een hoofd kan passen in mijn handen. Het lijkt erop dat poëzie bij uitstek de plek is waar de ontkenning van de vergankelijkheid kan worden gesublimeerd?

Ja, in zijn beste momenten is de dichter voor mij iemand die de taal naar zijn eigen maat en wensen weet te dwingen. Het is een gevoel dat je via de taal werkelijk macht kunt krijgen over de dingen die je nauw aan het hart liggen. Dat gebeurt zeker niet dagelijks, eerder zelden, maar als het lukt om net die woorden te vinden die in een gedicht of in een tekst voorgoed en precies hun plaats hebben gevonden dan lijkt het alsof je in die begenadigde momenten greep krijgt op de werkelijkheid. En op het voortschrijden van de tijd. De taal is een kostbaar goed dat we in warrige tijden nog intenser moeten koesteren dan we het voordien altijd al deden.

In de eerste cyclus Een stem in de tijd onderzoek je vooral ook de worsteling met taal en de positie van de dichter in deze tijd. Welke rol speelt poëzie volgens jou in een wereld die steeds minder vatbaar lijkt voor nuance? En voel je je soms, zoals je schrijft, verstrikt in de halsstrik van de taal?

Ik schrijf nu al zowat een halve eeuw poëzie… Het zou gek klinken als ik hier zou zeggen dat ik niet in de kracht van de poëzie zou geloven. Het tegendeel is waar. Maar inderdaad, de wereld ziet er steeds minder rooskleurig uit en dat brengt mee dat het schrijven in het algemeen niet zomaar meer vrijblijvend kan zijn. Dat het ook moeilijker wordt… En vaak draait het schrijven ook bij mij – ik weet niet hoe het bij jou is – uit op een gevecht met de taal. Vandaar het beeld van de halsstrik van de taal. Maar het besef wordt niettemin en ondanks alles altijd maar groter dat een mens eigenlijk niets voorstelt zonder dat wonderlijke instrument van de taal.

In diezelfde cyclus duikt de taalfilosoof Wittgenstein op in het gedicht ‘Dag Ludwig’. Zijn fameuze leuze ‘Waarover je niet kunt spreken moet je zwijgen’ wordt er zelfs letterlijk geciteerd. Is dichter zijn een les in bescheidenheid of heeft de dichter de taak om de grenzen van het verstand voortdurend op te rekken door de grenzen van zijn taal op te rekken?

Zelf hou ik van gedichten die niet meteen te doorgronden zijn. Er mag heus wel wat denkwerk bij komen kijken. Niet alleen om ze te lezen maar ook om ze te schrijven. Voor mij – hoe verstaanbaar ik mijn poëzie ook probeer te houden – is een gedicht altijd een samengaan van, laten we zeggen, hart en hoofd. Misschien is de poëzie wel een vorm van filosofie maar dan een filosofie die alle mogelijke absolute antwoorden gewoon openhoudt. En het raadsel van de mens en van het leven nog groter maakt dan het al is.

Een heel mooie gedachtegang die ons naadloos naar het intimistisch alledaagse van de cycli Fragmenten van het huis en Een jaagpad in de regen brengt. In die cycli komen huiselijkheid en werelds geluk samen te vallen. In welke mate is poëzie voor jou een manier om mooie momenten vast te leggen en te bewaren?

Ondanks de toestand van de wereld en de invloed van allerhande bullebakken van internationaal niveau die mij – net zoals velen onder ons – zorgen baart, acht ik mij absoluut geen ongelukkig mens. Laatst hadden we het er thuis over naar aanleiding van een krantenartikel. De vraag was hoeveel zou je jezelf als geluksgevoel geven op een schaal van 1 tot 10. Mieke, mijn vrouw, en ik kwamen zowaar uit op een cijfer van acht plus. Soms vertaalt dat gevoel zich ook in de toon en ook het onderwerp van mijn poëzie. Een gedicht als Jaagpad bijvoorbeeld eindigt bijna met een boutade: Geluk is een jaagpad in de regen. Meer en meer besef ik dat het vooral de kleine dingen zijn die het leven zeer de moeite waard maken. Het gedicht ‘Een stem in de tijd’ eindigt met de slotsom: En nooit, nee nooit/ de genade vergeten van dat ene leven/ dat het jouwe is, en niet van een ander.

In de cyclus Het omber en het oker lijk je poëzie en schilderkunst nog dichter bij elkaar te brengen. Je gebruikt kleuren, materiaal/materie, verhoudingen, contouren en lichtschakeringen als uitgangspunt, maar schildert met woorden. Hoe ervaar je die verwantschap tussen beeldende kunst en poëzie?

Die verwantschap is bij mij toch wel zeer aanwezig. Ik wil hier ruiterlijk toegeven dat ik wat afgunstig ben op mensen die er in slagen om op creatieve manier getuigenis af te leggen zonder daarvoor het gesproken of geschreven woord nodig te hebben. Ik heb zelf tijdens een paar blauwe maandagen wat geschilderd. Maar het resultaat was niet van die aard dat ik er ooit aan heb gedacht om daar veel mee naar buiten te komen. Misschien maar best ook. Maar het illustreert wel de affiniteit die ik heb met de plastische kunst. De vrijheid die ik ooit ondervond toen ik – niet gehinderd door veel technische bagage – probeerde te schilderen leek me ook veel groter dan die van het schrijven. Maar misschien zullen echte schilders en kunstenaars daar wel anders over denken. Enfin, wat mij zeer intrigeert, zowel in de poëzie als in de plastische kunst, is de spanning die er heerst, het verschil tussen Kijken en Zien. Al klinkt dat natuurlijk vrij cryptisch.

Je bundel wemelt van verwijzingen naar dichters, filosofen, kunstenaars en zelfs persoonlijke figuren zoals je vader en je zoon. Zijn deze mensen ankerpunten in je poëtica of duiken ze eerder spontaan op in je schrijfproces? En in welke mate zie je poëzie als een dialoog met anderen – zowel grote namen als intieme, persoonlijke stemmen?

Vaak zijn de onderwerpen al veel langer aanwezig dan dat ik er effectief over ga schrijven. Maar ik weet wel dat ik er vroeg of laat, wanneer de tijd er rijp voor is, over zal schrijven. Op mijn laptop heb ik heel wat bestanden met titels van gedichten die nog niet geschreven zijn. Het gebeurt onderweg, dingen die je ergens tegenkomt, of dingen die je leest. Alles kan voor inspiratie zorgen. Alles kan een thema zijn. Maar doorgaans is het wel zo dat de onderwerpen mij eigenlijk overkomen zonder dat ik ze zelf opzoek.

De vele oorlogen en het geweld dat de wereld momenteel teistert laten je duidelijk niet onberoerd. Je roept Baudelaire op als getuige van het duister dat opnieuw deemstert doorheen de dagen, brengt Pernath in herinnering wiens werk doordrongen is van oorlog en trauma. Draagt een gedicht op aan de vluchtelingen die ondanks het vastlopen in taal, het opgejaagd worden, het ontheemd zijn het vuur diep van binnen brandende weten te houden. Wat vermag een dichter tegen de onmacht die hij ervaart mens te zijn?

Er zijn actueel dingen en ontwikkelingen in de wereld aan de orde waar je als je zoals ik al een aantal decennia hebt mogen meemaken licht verbijsterd en vol onbegrip naar zit te kijken. Het is moeilijk om er met je aanleg als verlate soixante-huitard met je gevoel en verstand bij te kunnen. Het maakt ook dat ik steeds moeilijker licht en onbevangen poëzie en proza kan schrijven. Je kunt wel terugplooien op jezelf en soelaas zoeken in de taal maar veel zorgeloosheid kan ik tegenwoordig niet meer in mijn gedichten toelaten. Verontwaardiging vergt een accurate taal. Wanhoop en onmacht, én engagement,  vormgeven al evenzeer. Niettemin mag daarbij ook het taalplezier niet ontbreken.

Met de cyclus Het heimwee van de bladen naar het boek introduceer je dagboekgedichten, en in de afsluitende Lamento-reeks komt afscheid nemen sterk naar voren. De poëzie lijkt er sterk op thuis komen op een vertrouwde en tegelijk (nog) onbekende plek. Poëzie is een eindig instrument, beperkt door taal en vorm, en toch lijkt het vaak te reiken naar het onzegbare, het oneindige. Hoe ervaar je die spanning?

In het begin van dit gesprek zei ik al dat ik al zowat een halve eeuw met poëzie bezig ben. Poëzie is en blijft een constante in mijn leven… die nooit weggaat. Da’s een zekerheid. En zowaar ook een troost. Met de jaren die voorbijgaan ervaar je de intensiteit van veel dingen veel meer dan toen je jonger was. Een pak mensen die je dierbaar zijn of waren zijn er niet meer. Dus ook dat speelt mee in het proberen te vatten van de eindigheid van het leven en al die dingen die voorbijgaan zonder dat je er erg in hebt. Poëzie is dus ook een manier om zij die er niet meer zijn te herdenken. Of te gedenken. Om te bewaren ook. En om vast te leggen wat eigenlijk niet vast te leggen is.

Schrijver Frank Pollet roemt je poëzie om de perfect gekozen woorden en subtiele zinswendingen. Hoe kijk je zelf naar het schrijfproces? Is poëzie voor jou eerder de zoektocht van een ambachtsman naar precisie en betekenis, of eerder een intuïtieve beweging richting iets wat nog niet volledig te vatten is?

Ik denk dat intuïtie bij mij een grote rol blijft spelen. Intuïtie lijkt mij een erg belangrijk instrument in de taal. Maar ook in het leven. De woorden moeten zich bij wijze van spreken bij mij een beetje opdringen vooraleer ze in een gedicht terechtkomen. Dagelijks noteer ik wel heel veel maar het is lang niet zeker wat ik van al die notities ook echt ga gebruiken. Of wat bruikbaar zal blijken. Uiteindelijk komt het er dan toch op neer dat inspiratie wel een mooie factor is maar dat het schrijven uiteindelijk vooral neerkomt op ambacht en werken. En dat je gewoon aan de slag moet gaan. All the rest is silence…

Over stilte (en stil komen te staan) gesproken. De laatste cyclus De acht letters van het woord afscheid is uiterst kort maar blijft lang nazinderen. Het is de plek waar de hemel invalt, gewend moet worden aan het idee dat niets ooit zo eindig was als een zachte bries in het ochtendraam. Waar taal wordt aangetast, het ik wegvalt in het ons. Het gezang van de merel het donker haast onhoorbaar doet oplichten. Waar de dichter op zoek gaat naar een plaats die een plaats zal zijn zonder jou. Vaak wordt gezegd dat rouw een vorm van liefde is die nergens terecht kan. Hoe bereid je je voor op een afscheid dat eigenlijk nooit helemaal af is – een verlies dat zich blijft aandienen in herinneringen, momenten en stiltes?

Afscheid nemen hoort bij het leven. Dat we er vroeg of laat dood-gewoon niet meer zullen zijn ervaar ik persoonlijk niet als problematisch. Voor mij is de ‘invulling’ van dat ene leven dat je gegeven is, een manier om zin te geven aan deze vreemde episode die we het leven noemen…

Hoe vul je jouw poëziekalender anno 2025 verder in, Paul?

Altijd staan er bij mij wel een aantal cycli van nieuwe gedichten in de steigers. Zo werk ik momenteel aan verschillende reeksen met als werktitels ‘Abri’, ‘Liederen voor de Steenweg’ en ‘De as van Pasolini’. Ik hoop die in het lopende jaar ook helemaal af te ronden. En zeker wil ik ook aan wat proza werken. Uiteraard ben ik intussen blij met de publicatie van Het Omber en het Oker waarvoor ik uiteraard – op sociale media en elders – de nodige publiciteit wil maken. Er staan alvast een aantal samenwerkingen in het vooruitzicht. Zo lees ik op 23 september bij de voorstelling van een cd van Tender Lion in Tielt een flink stuk uit mijn nieuwe bundel en op 24 september ben ik te gast bij Radio Tequila in Deinze. Voldoende dingen dus om naar uit te kijken.

Dank je wel, Paul, voor dit openhartige interview! En ik wens je veel nagenieten-met-anderen van de bundel! Te beginnen hier met de volgende drie gedichten:

Een stem in de tijd

Passer

Goin’ up the country




*** *** **

Francis Cromphout bespreekt ‘Het Omber en het Oker’

Vrijdag 11 april 2025

Op De Schaal van Digther bespreekt Francis Cromphout mijn nieuwe bundel ‘Het Omber en het Oker’! Het is een mooie en warme recensie geworden waarvoor veel dank, Francis!
Dit is het linkadres:
https://digther.blogspot.com/2025/04/poezie-als-een-bedachtzame-oefening-in.html

Poëzie als een bedachtzame oefening in empathie

Het Omber en het Oker” is de titel van de zesde dichtbundel van Paul Rigolle. Hij verwijst hierbij naar aardkleurige pigmenten die vanuit de natuur hun weg vinden in de kunst. Deze titel bevat ook een taalspel die het nauwe verband toont tussen de fysieke ervaring van deze diepzinnige dichter en fietser met de poëtische taal. Zo leest men in het prachtige gedicht “Jaagpad”: “trage wegen dragen ons als leestekens in het landschap”.

De bundel bevat zes cycli die zijn persoon in diverse hoedanigheden weergeven. In “Een stem in de tijd” onderzoekt hij zijn dichterschap dat hij ziet als een “Missie”: “over de wereld, over de dagen en de dingen zal je zingen als zonder reden”. “Als”, maar niet echt zo, want zijn poëzie betracht een terugkeer in de tijd naar “de eerste taal” en dit aan de hand van verrassende beelden zoals “de dichter gooit de vogel als een handschoen op het plein” en “ wuivend, wevend keert hij terug in de tijd en in de taal”. Geduldig arbeidt hij via “de trage triomftocht van het gedicht” om op die wijze “ergens even (te) zijn, even (te) blijven” en “een stem te hebben in de tijd”.

In“Fragmenten van het huis” bezingt hij het huiselijk geluk. Hiervoor dompelt hij zich diep in de tijd “als een dier dat in holtes woont”om van daaruit opnieuw de weg te vinden “naar waar ik al jaren werk en woon en schrijf”. Dit huis is de plek van de liefde die hij deelt met zijn vrouw: “het huis plooit ons open…leest ons gulzig bij elkaar” en “het licht in de kamer (mag er) samen met ons van geluk spreken”. Een geluk dat hij vastlegt als “een bevroren beeld, rond een tafel geschaard…als aan de beide zijden van een evenaar”.

Rigolle’s fascinatie voor kunst en schoonheid komt aan bod in de cyclus “Het Omber en het Oker”. Hij stelt dat “wat je erft, is waar je aan moet komen, een plek, een taal, dingen die getuigen”. Dit is bijvoorbeeld een smidse of een schildersatelier waar hij is “alleen met een penseel van varkenshaar dat op het linnen van de wereld niets dan wonden hechten wil”.  Sterker kan de dichter doorheen de artistieke betrachting van de schilder zijn diepgeworteld mededogen met mens en wereld niet uitdrukken. In het gedicht “Het Omber en het oker” toont hij de afhankelijkheid van de schilder van het kleurenpalet: “Op hun ovaal ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij”. En de huizen die hij schildert weten dat hij hen geen angst voor het donker wil bezorgen “als hij hen met zorg tussen de sneldrogende heuvels van hun keuze “ schuift. “Roebel” heeft het over de tijd als een “ding waarin je kijken kunt”, een reis naar Sint-Petersburg bijvoorbeeld waarbij het beeld verschijnt van kinderen  “met kleine uitgestoken handjes,  bedelend om wat Roebel”.

Het werelds geluk vinden wij verwoord in ”Een jaagpad in de regen”.In het gedicht “Mijn stad” breekt “ op elke rotonde een beeld de hemel open” en “wie hier wil wonen zoekt niet meer naar een reden om hier te blijven”.”Mohair” schreef hij voor een cluster hoofdpijn patiënt. Mohair is er als herinnering aan pijnloze zachtheid en de dichter verzet zich tegen het idee dat pijn “bij het lichaam hoort als de schaduwkant bij een gebouw”. Ook drukt hij de hoop uit dat de pijn “op een dag in het niets verdwijnt. In “Camino, met Hindemith in het oor, komt hij  – iets wat mij doet denken aan het gedicht “Caminante” van Antonio Machado -, uit “waarheen de weg dat van ons wil”. En in het prachtige “Jaagpad” komt hij tot het besluit: “geluk is een jaagpad in de regen”.

Het heimwee van de bladen naar het boek” is met zijn dagboekgedichten de meest persoonlijke cyclus. Mooi is “Alles voor de film” dat herinnert aan het ogenblik waar een vader en een zoon (zijn zoon filmmaker Jasper) aan elkaar gelijk worden..”Croix de fer” is de col die hij al fietsend bedwingt met de gedachte aan de legendarische renners die hem daar zijn voorgegaan.

Ontroerend is “Rustoord” dat een liefdevol eerbetoon is aan zijn vader met de mooie, maar schrijnende slotzin ”alles maak ik voor hem mooi, terwijl hij in mij ogen kijkt en iemand anders ziet”. ”Bypass” verwoordt de “vurige hoop…dat morgen de glans terugkomt in jouw ogen”. In “Nauwelijks een gerucht” is niets hoorbaar op de dag waar nochtans intens gecommuniceerd werd zonder woorden  en de bladen “mateloos (trillen) in hun heimwee naar het boek”. Bij een afscheid (de fotografe Maaike Bearelle) stond een torenkraan als een knipmes boven de stad die dag in november”. Deze en andere mooie beelden zijn een poëtische oefening in empathie, die de dichter als volgt verwoordt: “Vereeuwigd hoeven we niet te worden, Eén ogenblik lang het licht vast te mogen houden in de blik van mensen, kan volstaan”.

In de laatste cyclus “De acht letters van het woord afscheid”, wordt de oefening in empathie verder gezet in de drie gedichten die gewijd zijn aan zijn betreurde vriend Dirk Pollet. ”Bries” is het beeld dat de dichter gebruikt om de eindigheid te verwoorden: “Valt dan de hemel in bij wie net als jij wennen moet aan het idee dat niets ooit zo eindig was als een zachte bries in het ochtendraam”.

Merel” vertelt de aftakeling van wie zal sterven. Maar als “alles wat geweest was aan je oog voorbij (trok)” kan hij als bij wonder noteren“hoe onhoorbaar soms de merel zingt tot het ochtend wordt”. In “Krijt” beschrijft Rigolle de dood  als “het ik valt weg in het ons”. Zacht maar onherroepelijk is het einde. “Nog even staan de woorden in het krijt tot ze door de regen worden uitgewist”. Je moet een groot dichter zijn om doorheen deze uitgelezen beeldspraak de menselijke conditio zo treffend weer te geven.

© Francis Cromphout

PaulRigolle, “Het Omber en het Oker”, gedichten, Uitgeverij P, Leuven, 2025, 19,5 euro.

—————————————————————————–

Tweespalten

Pascal Cornet bespreekt ‘Het Omber en het Oker’
Facebook-post van Do 10/4/2025

Pluk
Iedereen die mij een beetje kent weet dat ik veel waardering heb voor de mens en schrijver Pascal Cornet. Hij was niet alleen op de voorstelling van ‘Het Omber en het Oker‘ aanwezig in De Snuffel (wat mij veel plezier deed) maar hij heeft intussen de bundel ook zeer aandachtig gelezen. Waarvoor veel dank. Cornet zorgt met ‘Tweespalten‘ voor een recensie die in geen enkel literair tijdschrift zou misstaan. Ook zijn slotsom is er een die ik graag noteer:

Het Omber en het Oker” is een bedachtzaam, traag en afwachtend tot stand gekomen bundel waar de lezer veel pluk aan heeft. “
Hieronder lees je de volledige recensie

‘Alsof je bent voorbestemd om alles / vast te houden moet en zal je zingen.’ Zo begint ‘Missie’, en meteen ook *Het Omber en het Oker*, Paul Rigolles eerste bundel in twaalf (!) jaar. Dat openingsgedicht, meteen een intentieverklaring, eindigt als volgt:

Over het pierewaaien, het konkelfoezen
van de taal en de tijd die jou gegeven is,
over de wereld, over de dagen en de dingen
zul je zingen als zonder reden.

‘Konkelfoezen’ betekent zoveel als samenzweerderig en onhoorbaar, en dus onbegrijpbaar voor anderen, iets bedisselen. Ik lees hier dat de dichter niet alles weet over zowel taal als levensduur.

Het ‘Alsof je bent voorbestemd’ (de eerste woorden van het gedicht) contrasteert met het zelfrelativerende ‘als zonder reden’ (de laatste woorden). De dichter zou zichzelf met voorbestemdheid een grote allure kunnen toemeten, maar hij stelt die hoge verwachting meteen bij: hij zal ‘zingen als zonder reden’. Toch is zijn aan zichzelf toegemeten taak (‘moet en zal’) niet van belang gespeend want:

In naam van velen, leen je een stem aan
wie op een dag zonder spoor verdween.

Waarbij in het midden wordt gelaten wie die spoorloos verdwenene dan wel mag zijn – al heb ik een sterk vermoeden dat Rigolle het hier minstens ook over zichzelf heeft (naast de dierbaren die hem al zijn ontvallen en die hij hier en daar in zijn bundel een stem geeft en zodoende gedenkt). Rigolle mag dan een bescheiden dichter zijn of willen zijn (hij zingt ‘als zonder reden’), hij aarzelt toch ook niet om zichzelf, als persoon, een schier kosmisch belang toe te dichten: ‘Een stem te hebben in de tijd / niets meer en niets minder.’ (‘Een stem in de tijd’). Maar ook hier botst het plechtstatige met een relativerende inschatting van de eigen betekenis, in zowel tijd als ruimte: ‘Ergens even zijn, ergens even blijven.’ En:

weten dat wij – moleculen in een heelal
waar we enkel naar kunnen raden –
niets dan toeval zijn. En nooit, nee nooit
de genade vergeten van dat ene leven
dat het jouwe is en niet dat van een ander.

Paul Rigolle balanceert met zijn poëzie op de spanningsboog tussen nietigheid en uniciteit. (Is dat niet de uitdaging voor elke dichter en bij uitbreiding elke kunstenaar?) Want het bestaan, zijn bestaan, mag op kosmologische schaal gemeten (ik denk als vanzelf aan Luceberts kruimel op de rok van het universum) een nietig toeval zijn, de dichter zal en moet zich daartegen verzetten: ‘ons brein // laat niets aan toeval over’. Het mag dan al een vorm van ‘hoogmoed’ zijn, de dichter moet ‘[k]eer op keer’ de waarheid omdraaien ‘en wachten / op de lessen die het leven ons moet geven’. Hij moet ‘van elk plafond // een hemel’ maken. De dichter is een aan de aarde (aan zijn nietig- en sterfelijkheid) gekluisterde hemelbestormer. (Alle citaten in deze alinea uit ‘Okkernoot’.)

Het ‘zingen als zonder reden’ van het openingsgedicht lijkt op een gebrek aan verantwoording te wijzen, op het ontbreken van een beredeneerde en dwingende poëtica. (Of toch minstens op het niet nadrukkelijk aanwezig zijn ervan.) Niettemin licht Rigolle toe wat dat zingen zonder reden voor hem betekent. Schrijven lijkt in elk geval een receptiviteit, een passiviteit in te houden. In ‘Dag Ludwig’ spiegelt de dichter Rigolle zich aan Wittgensteins pleidooi voor zwijgen (‘Waarover men niet spreken kan…’). En als het dan geen zwijgen kan zijn, dan toch minstens een gezonde portie bedachtzaamheid: ‘Vooraan op de tong ligt, // na al die jaren, nu ook bij mij het woord / dat vaker niet, dan wel geschreven wordt.’ Maar zwijgen kan de dichter – op straffe van geen dichter te zijn – natuurlijk nooit helemaal: ‘Tot iemand zichzelf verrast en wel / in het wonder van het schrift verstaat.’

Rigolle lijkt mij hier te suggereren dat hij niet de volledige controle uitoefent over zijn schrijven, over de manier waarop de woorden ontstaan en, zich aaneenrijgend, gedichten vormen. Wellicht bedoelt hij iets gelijkaardigs wanneer hij in het titelgedicht van zijn bundel – dat niet over dichten maar over schilderen gaat – stelt: ‘En toch ben ik het niet. Op hun ovaal [van het schilderspalet?, PC] / ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij.’

Tussen actieve controle en passieve inspiratie: schrijven is een noodzaak. In het (erg sombere) klimaatcrisisgedicht ‘Toeverlaat’ heet het:

de woorden van de dichter krullen in het vuur.
Uit de botten van de taal – niets dan taal
en toeverlaat – snijdt hij een instrument
voor het spelen van een tragisch lied.

Hoe het komt dat de nieuwe bundel zo lang op zich heeft laten wachten, weet ik niet, maar de manier van schrijven – de bedachtzaamheid en het wachten die daarmee gepaard gaan – zal er zeker niet vreemd aan zijn. ‘Wat er komt en wat er staat valt nog lang / niet af te lezen van het blad.’ (‘Orgelpunt’). Rigolle hengelt niet naar snel en gemakzuchtig succes: ‘Het haantjesgedrag van hen / die garen spinnen van het rijm’ (let op het kluchtige contrast van haan en hen). Schrijven is verduldig schrappen: ‘Niets // valt op zolang het niet ontbreekt’. Het is een werk van lange adem vooraleer de dichter, zeer op zijn hoede voor rijm, humor, zoemende en zingende ‘zoete mechaniekjes’, zijn gedicht ‘welhaast geluidloos’ kan laten meestappen in een ‘trage triomftocht’.

Op die traagheid komt Rigolle nog eens terug in ‘Jaagpad’. Dat gedicht gaat over geluk maar ook over schrijven en over het leven in de avond des levens. Het begint als volgt:

Trage wegen dragen ons als leestekens
in het landschap. Even halt te houden,
even een punt te zetten. Kijkend naar
wat achter ons ligt en naar wat nog
moet komen, zoveel tijd is er ons gegeven
om ons niet te moeten haasten.

Ik heb het in deze bespreking niet over de gedichten over huis en huiselijkheid gehad (in de cyclus ‘Fragmenten van het huis’) en over beeldende kunst en het ervaren van schoonheid (de cyclus ‘Het omber en het oker’).

In weerwil van de ouderdom (‘Veel rest er het slome, vermoeide lichaam niet.’ (‘Respijt’)) blijft Rigolle vatbaar voor geluk. Bijvoorbeeld bij het fietsen op een Franse berg (‘Croix de fer’): ‘Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!’. Of bij de liefde, met dien verstande dat zij de fundamentele eenzaamheid nooit ongedaan kan maken: ‘het lieve leven verscheurt ons bij elkaar’ (‘Respijt’).

Dergelijke tweespalten zijn *passim* aanwezig in deze bundel: verscheuren/liefde; ‘Er zal neergang zijn en verblijding!’ (‘Mijn stad’); ‘Eén ogenblik lang het licht vast te mogen / houden’ versus de eeuwige duisternis van de dood (‘Knipmes’, een gedicht over een te jong overleden fotografe); pijn en satijn (‘Mohair’):

Altijd is er de hoop dat alles
wat ons aan pijn en puin in lichterlaaie zet,
op een dag in het niets verdwijnt.

Het Omber en het Oker is een bedachtzaam, traag en afwachtend tot stand gekomen bundel waar de lezer veel pluk aan heeft.

© Pascal Cornet

Paul Rigolle, Het Omber en het Oker, uitgeverij P

Website Pascal Cornet
Tweespalten bij Pascal Cornet

Inleiding van Tania Verhelst op ‘Het Omber en het Oker’ op de VWS-site ‘Dun lied donkere draad’


Op de VWS-site ‘Dun lied donkere draad‘ staat intussen dankzij de goede zorgen van Koen D’Haene de inleiding die dichter Tania Verhelst op zondag 23 maart 2025 uitsprak bij de voorstelling van de bundel in het Snuffel-Hostel in Brugge.

Hier volgt de tekst:

Op zondag 23 maart stelde dichter Paul Rigolle in Brugge zijn nieuwe poëziebundel Het omber en het oker voor.

Paul houdt al zowat een halve eeuw de dingen en de dagen bij. Sinds vele jaren is hij bestuurslid van de VWS en mederedacteur van Jaarwerk, het literaire jaarboek van de vereniging. Maar Paul doet nog veel meer. Hij vult dozen met schrijfsels en notities en rapporteert en registreert literaire gebeurtenissen op literaire blogs en sociale media. Er is weinig dat hij niet ziet, niet hoort, niet leest en niet schrijft.

Vaak zijn er gedichten, soms een nieuwe bundel. Paul’s nieuwste bundel Het omber en het oker (uitgeverij P.) kreeg een fijne voorstelling in de Brugse Snuffel. Er was heel veel volk afgezakt naar de stille Brugse binnenstad. Tania Verhelst leidde de bundel in, Paul vertelde over zijn gedachten en gedichten in dialoog met Edward Hoornaert en las en signeerde er vervolgens op los. De warme jazz- en diepe bluestonen van ‘The Caravan Juke Joint Band’ maakten de literaire morgen compleet.

Maar de meeste aandacht moet naar de nieuwe bundel gaan. Hieronder lees je de integrale tekst van de inleiding van dichter Tania Verhelst. Je krijgt meteen een kleine bloemlezing uit de bundel.

” Paul Rigolle vroeg mij zijn bundel in te leiden. Ik zal dat doen aan de hand – hoe anders – van zijn gedichten. Ik ga er geen grote analyses op los laten, dat laat ik over aan de schriftgeleerden, maar vooral die gedichten uitkiezen die ik mooi vind, die mij raken en u laten meegenieten.

Wat mij opviel: Paul Rigolle is een man die kijkt. Hij kijkt naar dingen, mensen en onderzoekt dat kijken in zijn taal.

In ‘Jaagpad’ klinkt

Trage wegen dragen ons als leestekens
in het landschap. Even halt te houden,
even een punt te zetten.

In enkele beelden vangt hij een wereld. Een wereld die voorbij is, of een wereld die zich in al zijn intimiteit toont.

Zo zegt hij in het gedicht met als titel ‘Interieur’:
Badend in het avondlicht plooit het huis ons open,
leest ons gulzig bij elkaar.

Zelfs geluiden worden zichtbaar gemaakt:

Een torenklok morst met klanken, veegt ons de mantel uit
 (‘De tocht van Fibonacci’).

Ook het gedicht ‘Knipmes’ begint met een observatie:

Er stond een torenkraan als een knipmes
boven de stad

Het is een in memoriam gedicht voor iemand die ook door kijken bezeten was, een fotografe.
Het eindigt met:

Vereeuwigd hoeven we niet te worden.
Eén ogenblik lang het licht vast te mogen
houden in de blik van mensen, kan volstaan.

En weten dat wat bij de gratie
van het beeld wordt vastgelegd,
ons al zoveel langer voor ogen staat.

Die gratie van dat ene ogenblik vat hij ook in de act van de wielrenner:

Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!
De weg die klimt sloopt wat je voor het laatst
had opgespaard. Het leven hier heeft aan zichzelf
genoeg. Een intens geluk is het om voor eeuwig
en een dag in dit decor een figurant te mogen zijn.

Wat wil je dan met al dat kijken? Misschien klinkt iets van een antwoord in het gedicht ‘Atelier’:

Van de verf de gedaante. In staat tot veel,
bereid tot alles. En alleen, tot op het laatst
alleen met een penseel van varkenshaar
dat op het linnen van de wereld
niets dan wonden hechten wil.

Hij kijkt naar de wereld en laat de wereld naar hem kijken. En soms lijkt zijn perspectief open te barsten in een ander perspectief.

De dichter plaatst ook vraagtekens bij dit hier en nu. In vele gedichten laat hij een andere werkelijkheid om de hoek kijken. Of in een denkbeeldige toekomst kijkt hij naar een denkbeeldig verleden. Daarbij is de ik-figuur oud, ouder dan de geschiedenis van een mens. Wat te denken van de perspectieven in het volgende gedicht

Evenaar

Elke kier en kamer ken ik, elke vezel
van dit huis. Niet eens zeker of ik
wakker ben of waak herinneren zich
in mij de diepste tijden.

Zoals het dier zichzelf herhaalt, opnieuw
in holtes woont, zich opricht plots
en rechtop gaat lopen verdwijn ik naar waar
ik al jaren werk en woon en schrijf.

En wij beiden als zon en maan, ooit bevriest
ons beeld. Ooit vindt men ons nog wel ‘s
in de boeken van een uitgestorven soort terug:
exemplarisch, rond een tafel geschaard

als aan de beide zijden van een evenaar.

En natuurlijk gaat het om meer dan kijken. Kijken is ook maar een excuus om te zien wat je niet kunt zien. In respijt komen vele thema’s samen. liefde, vergankelijkheid, ouder worden, tijd, zorg, maar dan veel mooier verwoord dan deze grote woorden dat kunnen:

Respijt

Veel rest er het slome, vermoeide lichaam niet.
Op dagen als vandaag legt het zich met zorg
en zonder aarzelen onder jouw handen
en het gestreel van hun vingertoppen neer.

Dit is een dag die niet veel van het leven vraagt.
Weinig om het lijf en tot zachtheid voorbestemd
haal ik adem in een huis dat ons tot schuilplaats dient.
Buiten trekken vrachtboten lijnen in het kanaal.

Af en toe lijkt het alsof je een misthoorn hoort.
Een thuiskomst zonder huis, een bed zonder dons
of lakens, het lieve leven verscheurt ons bij elkaar.
Respijt, dat pas, is een woord waarvan ik hou.

En tot slot lees ik het titelgedicht waar alles samenkomt: schilderen, schrijven, lezen, dankbaar zijn om zoveel leven

Het omber en het oker

‘don’t be afraid of the dark’
The Robert Cray band.

Zoveel dagen zijn er, zoveel nachten
waarop ik niet meer weet hoe, of waar
ik de bergen wil. Er is het blauw waarbij ik
aarzel of ik naar de hemel ga. Er zijn
het omber en het oker, het geel uit Napels.

Er is het schreeuwen van het rood. Wit
dat blind en stom aan al mijn handen likt.
En toch ben ik het niet. Op hun ovaal
ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij.

De spiegel maakt geen bezwaar dat ik
in hem mijn ogen doe. En de huizen,
de huizen weten best dat ik in hen
geen wanhoop, geen angst voor het donker wil,
als ik hen met zorg tussen de sneldrogende
heuvels van hun keuze schuif.

Het omber en het oker van Paul Rigolle verscheen bij Uitgeverij P.

(Verslag: Koen D’haene)

Facebook-bericht van 31/3/2025

Lang leve de boekhandel!!!

Kijk ’s aan: ‘Het Omber en het Oker‘ is al opgemerkt op wel héél mooie plaatsen… Lang Leve de Boekhandel!!! Foto’s respectievelijk uit de Limerick in Gent en de boekhandels Raaklijn en De Reyghere in Brugge.

#hetomberenhetoker #boekhandelLimerick #boekhandelRaaklijn #boekhandeldereyghere

“Het Omber en het Oker in de boekhandel” – Resp. Boekhandel Raaklijn in Brugge, Boekhandel Limerick Gent en Boekhandel De Reyghere in Brugge. Waarvoor dank!