De stad trekt haar gevels op

Donsai, het dichterscollectief uit Deinze bestaat vijftien jaar. Dat moet vanzelfsprekend gevierd worden. In buurtcentrum Rekkelinge in Deinze zijn er komende vrijdag 5 December 2025 tal van poëtische optredens en er wordt ook een boek voorgesteld met nieuw werk van de Donsai-dichters aangevuld met dat van een aantal gastdichters. Ik ben verheugd om één van hen te zijn.
Meer info via mijn blogbericht:
https://paulrigolle.wordpress.com/2025/12/03/het-dichterscollectie-donsai-viert/

Om alles vast te houden

Recensie in Poëziekrant
Facebook-bericht van Vr 4/7/2025

Eerder – op reis in de Finistère en andere Bretoense streken – las ik de recensie al even online. Nu ook op papier. In het 4° nummer van de lopende jaargang van de Poëziekrant bespreekt Jooris van Hulle ‘Het Omber en het oker’. Alweer een recensie waar ik mij enkel over kan verheugen…
Om alles vast te houden…” Misschien is dat wel dé perfecte reden om gedichten te gaan schrijven…

Aan Het omber en het oker, de zesde dichtbundel van Paul Rigolle (1953), gaat onder meer dit citaat vooraf uit de Brieven aan Plinius van Marleen De Crée: ‘Een huis op de wind van het woord. / wonen is een tijd van keren. / maar ik breek open.’ En al even bepalend voor de verzen van Rigolle zijn de er onmiddellijk aan voorafgaande woorden van Hester Knibbe: ‘Doe al wat afleidt weg, de poespas / eromheen voor je begint. Behoud alleen / onzekerheid of je wel woorden vindt / voor wat je drijft.’

Rigolle houdt zich ver weg van vormexperimenten die de schijn van originaliteit moeten hooghouden. Binnen een klassieke vormgeving, waarin een voorkeur opvalt voor de terzine en het kwatrijn, tekent de dichter het kader uit waarin hij zijn aanwezigheid in de wereld bevestigt.

In ‘Een stem in de tijd’, de eerste van de zes cycli uit Het omber en het oker, staat de relatie tot de taal voorop. Wat zich hierbij manifest aandient is de antithese tussen de vervoering die de dichter ervaart bij het schrijven (‘In een klassiek / en wild gebaar maak ik van elk plafond // een hemel’) en de onzekerheid die ermee gepaard gaat als hij zich geconfronteerd weet met de taal van wie hem is voorafgegaan: de taal van het eerste land, zijn geboortestad (‘de taal die hem ooit als een snavelbeet in de vleugel /van een vlinder getroffen heeft. // En treffen blijft’), de taal ook van de wegbereiders in het schrijven, Baudelaire, Wittgenstein en Tsjebbe Hettinga, wiens stem door de ietwat geforceerde allitteraties letterlijk opklinkt in verzen als ‘het talmen het tintelen het tillen van taal’ van ‘een blinde bulderaar, bonkend bluffend en brekend’.

Finaal is het erom te doen een eigen ‘stem in de tijd’ te vinden. Meteen daagt ook het besef van verantwoordelijkheid die het schrijven met zich meebrengt: ‘de tijd / dringt om af te wenden wat ons bedreigt’. Deze stille vorm van verzet breekt ook door in de cyclus ‘Een jaagpad in de regen’, met weer de bekommernis om de teloorgang van de natuur en de nood aan verstilling: ‘trage wegen dragen ons als leestekens / in het landschap. (…) // Adempauze. Pas op de plaats.’

De ik die nadrukkelijk aanwezig blijft in de gedichten, zoekt de beslotenheid van de kamer op, hij legt vast wat hem aan geluksmomenten wordt aangereikt in en door de liefde (‘haal ik adem in een huis dat ons tot schuilplaats dient’), in en door de schoonheid van beeldende kunst (met voorop hier de kleuren, van ‘het omber tot het oker’ tot het ‘schildersverdriet 2,1’, Paul Snoek revisited).

In de binnenwaarts gerichte terugblik komen fragmenten aan bod uit het dagboek van een (zijn) leven, waarin de vader-zoonrelatie wordt belicht (de relatie van de ik met zijn zoon, maar evengoed die met zijn vader die in het rustoord verblijft (‘En dat hij alles maar vergeten blijft. Het is / de tijd, jongen, die aan alles knaagt. (…) // Alles maak ik voor hem mooier terwijl hij / in mijn ogen kijkt en iemand anders ziet.’). De gedichten uit de slotafdeling vormen een emotioneel gedragen lamento voor een overleden collega, ‘de acht letters van het woord afscheid’ maken dat de ik op zoek dient naar ‘de plaats / die een plek zal zijn zonder jou.’ Het omber en het oker herijkt, na ruim een decennium van zwijgen, op een treffende manier het dichterschap van Paul Rigolle.

© Jooris van Hulle

Het omber en het oker

Paul Rigolle
Uitgeverij P, Leuven, 2025, 59 p., €19,50

Koop

Francis Cromphout bespreekt ‘Het Omber en het Oker’

Vrijdag 11 april 2025

Op De Schaal van Digther bespreekt Francis Cromphout mijn nieuwe bundel ‘Het Omber en het Oker’! Het is een mooie en warme recensie geworden waarvoor veel dank, Francis!
Dit is het linkadres:
https://digther.blogspot.com/2025/04/poezie-als-een-bedachtzame-oefening-in.html

Poëzie als een bedachtzame oefening in empathie

Het Omber en het Oker” is de titel van de zesde dichtbundel van Paul Rigolle. Hij verwijst hierbij naar aardkleurige pigmenten die vanuit de natuur hun weg vinden in de kunst. Deze titel bevat ook een taalspel die het nauwe verband toont tussen de fysieke ervaring van deze diepzinnige dichter en fietser met de poëtische taal. Zo leest men in het prachtige gedicht “Jaagpad”: “trage wegen dragen ons als leestekens in het landschap”.

De bundel bevat zes cycli die zijn persoon in diverse hoedanigheden weergeven. In “Een stem in de tijd” onderzoekt hij zijn dichterschap dat hij ziet als een “Missie”: “over de wereld, over de dagen en de dingen zal je zingen als zonder reden”. “Als”, maar niet echt zo, want zijn poëzie betracht een terugkeer in de tijd naar “de eerste taal” en dit aan de hand van verrassende beelden zoals “de dichter gooit de vogel als een handschoen op het plein” en “ wuivend, wevend keert hij terug in de tijd en in de taal”. Geduldig arbeidt hij via “de trage triomftocht van het gedicht” om op die wijze “ergens even (te) zijn, even (te) blijven” en “een stem te hebben in de tijd”.

In“Fragmenten van het huis” bezingt hij het huiselijk geluk. Hiervoor dompelt hij zich diep in de tijd “als een dier dat in holtes woont”om van daaruit opnieuw de weg te vinden “naar waar ik al jaren werk en woon en schrijf”. Dit huis is de plek van de liefde die hij deelt met zijn vrouw: “het huis plooit ons open…leest ons gulzig bij elkaar” en “het licht in de kamer (mag er) samen met ons van geluk spreken”. Een geluk dat hij vastlegt als “een bevroren beeld, rond een tafel geschaard…als aan de beide zijden van een evenaar”.

Rigolle’s fascinatie voor kunst en schoonheid komt aan bod in de cyclus “Het Omber en het Oker”. Hij stelt dat “wat je erft, is waar je aan moet komen, een plek, een taal, dingen die getuigen”. Dit is bijvoorbeeld een smidse of een schildersatelier waar hij is “alleen met een penseel van varkenshaar dat op het linnen van de wereld niets dan wonden hechten wil”.  Sterker kan de dichter doorheen de artistieke betrachting van de schilder zijn diepgeworteld mededogen met mens en wereld niet uitdrukken. In het gedicht “Het Omber en het oker” toont hij de afhankelijkheid van de schilder van het kleurenpalet: “Op hun ovaal ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij”. En de huizen die hij schildert weten dat hij hen geen angst voor het donker wil bezorgen “als hij hen met zorg tussen de sneldrogende heuvels van hun keuze “ schuift. “Roebel” heeft het over de tijd als een “ding waarin je kijken kunt”, een reis naar Sint-Petersburg bijvoorbeeld waarbij het beeld verschijnt van kinderen  “met kleine uitgestoken handjes,  bedelend om wat Roebel”.

Het werelds geluk vinden wij verwoord in ”Een jaagpad in de regen”.In het gedicht “Mijn stad” breekt “ op elke rotonde een beeld de hemel open” en “wie hier wil wonen zoekt niet meer naar een reden om hier te blijven”.”Mohair” schreef hij voor een cluster hoofdpijn patiënt. Mohair is er als herinnering aan pijnloze zachtheid en de dichter verzet zich tegen het idee dat pijn “bij het lichaam hoort als de schaduwkant bij een gebouw”. Ook drukt hij de hoop uit dat de pijn “op een dag in het niets verdwijnt. In “Camino, met Hindemith in het oor, komt hij  – iets wat mij doet denken aan het gedicht “Caminante” van Antonio Machado -, uit “waarheen de weg dat van ons wil”. En in het prachtige “Jaagpad” komt hij tot het besluit: “geluk is een jaagpad in de regen”.

Het heimwee van de bladen naar het boek” is met zijn dagboekgedichten de meest persoonlijke cyclus. Mooi is “Alles voor de film” dat herinnert aan het ogenblik waar een vader en een zoon (zijn zoon filmmaker Jasper) aan elkaar gelijk worden..”Croix de fer” is de col die hij al fietsend bedwingt met de gedachte aan de legendarische renners die hem daar zijn voorgegaan.

Ontroerend is “Rustoord” dat een liefdevol eerbetoon is aan zijn vader met de mooie, maar schrijnende slotzin ”alles maak ik voor hem mooi, terwijl hij in mij ogen kijkt en iemand anders ziet”. ”Bypass” verwoordt de “vurige hoop…dat morgen de glans terugkomt in jouw ogen”. In “Nauwelijks een gerucht” is niets hoorbaar op de dag waar nochtans intens gecommuniceerd werd zonder woorden  en de bladen “mateloos (trillen) in hun heimwee naar het boek”. Bij een afscheid (de fotografe Maaike Bearelle) stond een torenkraan als een knipmes boven de stad die dag in november”. Deze en andere mooie beelden zijn een poëtische oefening in empathie, die de dichter als volgt verwoordt: “Vereeuwigd hoeven we niet te worden, Eén ogenblik lang het licht vast te mogen houden in de blik van mensen, kan volstaan”.

In de laatste cyclus “De acht letters van het woord afscheid”, wordt de oefening in empathie verder gezet in de drie gedichten die gewijd zijn aan zijn betreurde vriend Dirk Pollet. ”Bries” is het beeld dat de dichter gebruikt om de eindigheid te verwoorden: “Valt dan de hemel in bij wie net als jij wennen moet aan het idee dat niets ooit zo eindig was als een zachte bries in het ochtendraam”.

Merel” vertelt de aftakeling van wie zal sterven. Maar als “alles wat geweest was aan je oog voorbij (trok)” kan hij als bij wonder noteren“hoe onhoorbaar soms de merel zingt tot het ochtend wordt”. In “Krijt” beschrijft Rigolle de dood  als “het ik valt weg in het ons”. Zacht maar onherroepelijk is het einde. “Nog even staan de woorden in het krijt tot ze door de regen worden uitgewist”. Je moet een groot dichter zijn om doorheen deze uitgelezen beeldspraak de menselijke conditio zo treffend weer te geven.

© Francis Cromphout

PaulRigolle, “Het Omber en het Oker”, gedichten, Uitgeverij P, Leuven, 2025, 19,5 euro.

—————————————————————————–

Het Omber en het Oker – De uitnodiging

Paul Rigolle & Uitgeverij P
i.s.m. het Brugse Snuffel-hostel
nodigen u en uw vrienden graag uit
op zondagmorgen 23 maart 2025 om 11:00 u
in de Snuffel, Ezelstraat 42, 8000 Brugge
op de voorstelling van ‘Het Omber en het Oker’, zijn zesde dichtbundel

Programma

Tania Verhelst, dichter en plastisch kunstenaar, leidt de bundel in
Edward Hoornaert, dichter, spreekt met Paul Rigolle
Paul Rigolle leest een aantal gedichten uit de bundel

Er zijn muzikale intermezzi van “The Caravan Juke Joint Band” (Peter Verberckmoes en Dirk de Cleen)
Na de overhandiging van de eerste exemplaren door uitgever Leo Peeraer wordt een drankje aangeboden
Signeersessie

Toegang gratis. Het is raadzaam vooraf een plaatsje te reserveren via email aan contact@uitgeverijp.be of paul.m.rigolle@gmail.com

Gelieve te antwoorden via onderstaande antwoordkaart voor 21 maart 2025 aan Uitgeverij P, Sint-Antoniusberg, 9, 3000 Leuven

Tel. 016 23 12 45 – E-mail: contact@uitgeverijp.be


Een stem in de tijd

Blindelings het hart van motoren vinden
en in het hout van gevallen bomen
de zwakke plekken aan te wijzen.

Bladwijzers in documenten, stenen
voor de stad, mijn hand op jouw hart,
alles met aandacht aan te brengen.

Ergens even zijn, ergens even blijven.
Een stem te hebben in de tijd
niets meer en niets minder.

Muren slechten, slopen wat uitzicht
op de einder hindert. Waar nodig
de onvertogen woorden laten vallen.

Wijn te drinken uit groene roemers,
weten dat wij – moleculen in een heelal
waar we enkel naar kunnen raden –

niets dan toeval zijn. En nooit, nee nooit
de genade vergeten van dat ene leven
dat het jouwe is en niet dat van een ander.

© Paul Rigolle
(gedicht uit de bundel)

Over Het Omber en het Oker

Het omber en het Oker is de zesde dichtbundel van Paul Rigolle.
In zes cycli haalt hij ook nu weer mét deemoed én met bravoure de onderwerpen die hem dierbaar zijn nader naar zich toe.
 
In Een stem in de tijd onderzoekt hij wat het betekent om als dichter in deze tijd verstrikt te raken in de halsstrik van de taal. De cycli Fragmenten van het huis en Een jaagpad in de regen leggen de sporen vast van huiselijk en ander werelds geluk. In de titelcyclus Het Omber en het Oker geeft hij volop ruimte aan zijn fascinatie voor kunst en schoonheid. Het heimwee van de bladen naar het boek bundelt dan weer een aantal erg persoonlijke dagboekgedichten om met de afsluitende Lamento-cyclus vast te stellen wat het is om alsmaar meer afscheid te moeten nemen van mensen die hem dierbaar zijn.

Net als met zijn eerder werk zorgt Rigolle met deze nieuwe bundel voor een persoonlijke diagnose van het menselijk bestaan in een steeds minder te vatten wereld en voor een eigen plaatsbepaling daarin.

Dichter Frank Pollet daarover: Al zo’n halve eeuw volg ik de poëzie van Paul Rigolle. En nog altijd blijft ze me verrassen met die perfect gekozen woorden, verrassende zinswendingen, subtiliteiten allerhande. Gedichten zoals ik ze graag lees en herlees. Echte Poëzie, dus.”

Okkernoot

Dat we trage dieren zijn met een intellect
dat schrijnt, het wordt beweerd, het staat
geschreven. De okkernoot van ons brein

laat niets aan toeval over. Keer op keer
draaien wij de waarheid om en wachten
op de lessen die het leven ons moet geven.

Steeds hogerop, ladderdrift mijn deel, wuif ik
weg wat ik niet wil weten. In een klassiek
en wild gebaar maak ik van elk plafond

een hemel. Wat er nog niet is zal ik maken,
hoogmoed zit mij als gegoten, past mij zoals
alleen een hoofd kan passen in mijn handen.

© Paul Rigolle
(gedicht uit de bundel)

Paul Rigolle

Paul Rigolle (°Roeselare,1953) schrijft poëzie en proza. Hij publiceerde eerder 5 dichtbundels en de wielerboeken Op de helling en Vélo-Dromen (samen met Patrick Cornillie). 

Rigolle is eindredacteur van De Schaal van Digther en bestuurslid van de VWS (Vereniging van West-Vlaamse auteurs) waarvoor hij cahiers bezorgde over de dichters Philip Hoorne, Magda Castelein en Patrick Cornillie.

In 2024 verscheen zijn essay ‘Wij worden erts dat niemand delft’ over de poëzie van Frank Pollet. Gedichten van hem werden in het verleden gepubliceerd in verschillende tijdschriften en ontvingen diverse literaire prijzen. 

Richard Foqué over Tot het bestaat zijn meest recente dichtbundel: “Elk woord staat waar het moet staan en draagt feilloos bij tot betekenis, vorm en ritme van het geheel. Voor de dichter Rigolle geldt – Descartes parafraserend – “Ik kan het schrijven, dus het bestaat”.

Naar aanleiding van het gedicht Jaagpad dat in Outrijve langs de Schelde staat en ook opgenomen is in deze nieuwe bundel, schreef Renaat Ramon in De Geus: “De poëzie van Paul Rigolle is noch dromerig noch woordspelig. Het is een poëzie waarin vaak kritische leestekens worden gezet.”

ANTWOORDKAART

Naam:……………………………………………………………………………………………………….
Adres:……………………………………………………………………………………………………….
…………………………….. Tel.: ……………………………………………………………………………
E-mail: ……………………………………………………………………………………………………..

° komt met …. pers. naar de Brugse Snuffel op zondagochtend 23 maart e.k.
° bestelt  …. ex. van ‘Het Omber & het Oker’ aan de voorintekenprijs van 18 euro
(vanaf 24 maart: 19,50 euro) en stort het verschuldigde bedrag op rekeningnummer Uitgeverij P: BE08 4310 5290 8113.

° haalt het bestelde op bij de boekpresentatie.
° Wenst het bestelde via de post te ontvangen en betaalt 5 euro portkost per ex.
Gelieve terug te zenden voor 21 maart e.k. naar Uitgeverij P, Sint-Antoniusberg 9 3000 Leuven 
– 016 23 12 45 – contact@uitgeverijp.be

Ook verkrijgbaar in de betere boekhandel.

Pagina: Het Omber en het Oker

Het Omber en het Oker – de cover


Ha, daar kan een mens werkelijk blij en compleet in zijn nopjes mee zijn! De cover van mijn komende dichtbundel ‘Het Omber en het Oker‘ is klaar en goed & wel bevonden!

Bij deze: graag nog ’s zeggen dat iedereen welkom is bij de voorstelling op zondag 23 maart 2025 e.k. om 11:00 uur in ‘Hostel De Snuffel” Ezelstraat 42 in Brugge. Een officiële uitnodiging met het programma volgt!

De bundel is een uitgave van Uitgeverij P.

Album

(uit ‘Too late blues’, al te late brieven aan John Cassavetes en anderen )

Album dat zich opent als een deur. Zie ons staan!
Middenin een decennium zonder naam of taal,
Herfsttij der Seventies, vrijheid blijheid in het tijdschrift
van de tuin. Getrouwd en wel, glimlach van de wereld,
job, auto, huis, en een hoofd dat net nog niet naar de wind
wou hangen, hebben we voor het eerst jouw films gezien.
In een aftandse zaal lagen de kopieën klaar. Ik vertaal
ook nu nog vrij: Schaduwen, Te late Blues, Kind
dat wacht, Echtgenoten, Openingsnacht. Vrouwen

onder invloed, Gezichten, Gloria, de beelden sprongen
van het doek, sloegen tussen onze ogen toe.
Aan jouw kicks en kijk ten prooi schoven we over het hout
van onze stoel, alsof waarheid nooit zonder pijn bestaat.
Na afloop, ik zie het nog, aten we in de Hobbit,
ribben met de blote hand, lachten de scherpte weg,
raakten het bij de wijn toen al niet eens of het al dan niet
te vroeg voor woorden was, voor wat, vroeg of laat,
net als in die films van jou ook in onze ziel ontbranden moest.

© Paul Rigolle

Uit: “Van het hart een steen” – 2009 – Uitg. Poëziecentrum

Toegevoegd aan Pagina: Alle gedichten tot dusver en verder
Dit n.a.v. de toneelbewerking van het gezelschap ‘De Hoe’ van ‘Opening Night’

Zevenblad#7

Vrijdag 27 December 2024

Zevenblad#7
Voorwaar een ontdekking van formaat! En erg blij dat er in het 7° nummer drie gedichten van mij mogen staan! Een drietal dat straks ook in “Het Omber en het Oker” wordt opgenomen. Andere bijdragen zijn voor de Beeldende kunst van Albert Van Der Weide, Angeline Lips, Barbara Polderman, Emily Kocken, Femke Vindevogel Art, Frans van Tartwijk en Miyuki Okuyama. En voor de poëzie van: Antoin Lender, Arno Kramer, Ellen Boersma, Inge Winter, Jasper Van Den Broek, Norbert de Beule, Paul Rigolle en Roelof Schipper.
Redactie: Menno Wieringa en Inge Pollet.

De vormgeving was in handen van Camille Cilja Caspersen van Werkplaats Typografie/ArtEZ.
Veel dank ook aan Valerie Plaatsmaken
Alle info over nr7 van Zevenblad:
https://plaatsmaken.nl/webshop/zevenblad-nummer-7-verkrijgbaar
Website: https://plaatsmaken.nl/
Facebook-bericht van Vrijdag 27 December 2024

Zevenblad#7 #plaatsmaken #hetomberenhetoker #kunstinArnhem #arnhem

Poëziepad Donkvijver ingewandeld in Oudenaarde

Zondag 15 december 2024
…/…
Gisteren werd in Oudenaarde het ‘Poëziepad Donkvijver’ ingewandeld. De decemberkou was te harden en de poëzie was bijzonder. Veel, heel veel dank aan Stadsdichter Eddy D’Haenens voor het prachtige initiatief en dank ook aan de Openbare bibliotheek Oudenaarde voor de organisatie.
Op het pad kun je gedichten lezen van Elise Vos (‘Morfemen’), Francis Cromphout (‘De witte wolk’), Eddy D’Haenens (‘Diep stil water’ en ‘De eerste keer’), Astrid Arns (‘Achterom’), de nieuwe Antwerpse Stadsdichter Esohe Weyden (‘Waarom ze van de maan houdt’), Hans Claus (‘Presenteisme’), Andre Vansteenbrugge (‘Vlaamse Ardennen’), Lut De Block (‘Toen’), Amina Belôrf van wie vandaag een nieiuwe bundel wordt voorgesteld (‘Omhoog’) en van mij Paul Rigolle is er ‘Een stem in de tijd’.)

Facebook-bericht van 15 december 2024 (met foto’s)

https://www.facebook.com/paul.rigolle/posts/pfbid0XefFuwzNQFNkRWGdTRui2XiXCxtzUEotE1pfSWZrcsDj2gemGJUKrYLxAbzHnhhJl

De speeltuin van de schrijver

Losgezongen van de werkelijkheid, of juist niet?
Een literaire wandeling doorheen het West-Vlaams spergebied van de sociale media
Paul Rigolle anno 2022.

Eerder gepubliceerd in Jaarwerk MMXXII het jaarboek over 2022
van de VWS – Vereniging van West-Vlaamse schrijvers.

 Sing as if no one is listening
dance as if no one is watching
love as jou’ve never loved before
live as if heaven is here on earth
Mark Twain

Of de sociale media nu een vloek dan wel een zegen zijn, het is een discussie waar we nog lang niet uit zijn. Velen onder ons vinden de mogelijkheid om via Facebook, Instagram, Twitter en nog een pak andere interactieve tooltjes het eigen leven en de gang van zaken in de wereld te becommentariëren een weldaad en een makkelijke mogelijkheid om de eigen, al dan niet vermeende creativiteit een injectie te geven. Anderen die weliswaar een duidelijke minderheid uitmaken profileren zich graag als rabiate tegenstanders en wijzen op de grilligheid en de gewiekstheid van ingenieuze en oncontroleerbare algoritmen die de fictieve wereld van Georges Orwell zaliger al helemaal naar de irl – in real life – werkelijkheid hebben overgeheveld. Mensen worden, zo heet het, weerloos in de lawine van informatie en desinformatie die hen dagelijks omringt, ja zelfs gaat bedreigen. Er valt wat voor te zeggen. Het is niet de eerste keer dat de ouwe Heer Orwell gelijk lijkt te krijgen.

De Amerikaanse filosoof en toekomstdenker Francis Fukuyama stelt daarbij vast dat “steeds meer mensen zijn losgezongen van de werkelijkheid” en hij wijst in één moeite door op het feit dat de digitale mogelijkheden mensen manipuleren en kneden voor dingen waaraan ze uiteindelijk het hoofd niet meer kunnen bieden.

Of het zo’n vaart loopt? Niet met ons, mogen we graag denken, én hopen. Cyberattacks en manipulatie door een cohorte van fake news-spuiende trollen, ja daartegen hebben wij met ons gezond verstand en inzicht voldoende resistentie opgebouwd. In werkelijkheid is een en ander subtieler natuurlijk en is de kwalijke geur van een gedeelte van het internet sinds zijn ontstaan in 1989 en de daaropvolgende ongebreidelde popularisering nauwelijks uit onze met wifi-uitgeruste kamers weg te houden.

Toch biedt het internet tezelfdertijd een stroom aan gegevens, data, informatie, verslagen, ontroerende passages, emotionele getuigenissen en impressies die we nooit eerder in de menselijke beschavingsgeschiedenis op deze manier binnen een muisklik in handbereik hadden. Ingenieuze zoekfuncties leggen overal linken en verbanden en hechten wereldwijd de hele wereld aan elkaar. Veel creatievelingen beseften van meet af aan de mogelijkheden, niet in het minst ook die in de persoonlijke sfeer.

In eerste instantie was er de blogosfeer. Het concept van een blog groeide op spontane wijze uit de persoonlijke ‘online dagboeken’ die mensen vanaf 1994 gingen bijhouden. Jorn Barger, een man onderlegd in James Joyce en artificiële intelligentie, heet de bedenker te zijn van het woord ‘weblog’. Vanaf eind de jaren negentig van de vorige eeuw ontstond een ware blogcultuur. Mensen begonnen eigen teksten en verhalen te publiceren en postten als de wiedeweerga foto’s in een ware “Stream of Consciousnessop het internet. Niets dat meer een kick gaf (en geeft) dan een tekst af te werken en hem enkele minuten na het plaatsen van het eindpunt al gepubliceerd en wel na te kunnen lezen op het internet. Samen met wie dat ook maar wil.

Met gratis online- en zeer toegankelijke blogprogramma’s als Blogger, WordPress en Tumblr hoefde je daarvoor ook nauwelijks enige technische bagage te hebben. WYSIWYG = What You See Is what You Get. Ook in België haakte provider Belgacom met zijn skynetblogs zijn blogkarretje aan. (Door hen in 2018 wel zéér eenzijdig stopgezet). Voor veel mensen was het een ontdekking om geen papieren tijdschrift meer nodig te hebben, noch een redactie, om een tekst stante pede op het internet gepubliceerd te zien. Een druk op een toetsje voltstond om de wereld van jouw bestaan te overtuigen. Publicatiemogelijkheden zat, wanneer je dat maar wilde. Iedereen auteur, iedereen fotograaf. In het verlengde daarvan werden voor de beste blogs zelfs jaarlijks blogawards uitgereikt.

Een aantal jaren later maakten we de onverbiddelijke intrede mee van wat we nu de ‘Social Media’ zijn gaan heten. Onder ‘sociale media’ verstaan we vandaag alle online platformen waar, zonder of met slechts een heel minimale tussenkomst van een redactie, de gebruikers soeverein de inhoud verzorgen. In een mum van tijd namen ze zowat de blogosfeer over. Nadat eerst in 2003 het zakelijke netwerk LinkedIn als eerste zichzelf op de wereld losliet, kwam ene Mark Zuckerberg in 2004 aanzetten met zijn kunststukje Facebook. Twitter (microbloggen) begon dan weer in 2006 aan een ware opmars.

Pascal Cornet – Foto Paul Rigolle
Rino Feys op zijn werkterrein


Ook Bloggers gingen overstag, zagen de mogelijkheden en gebruikten meteen Facebook en/of Twitter als hefboom voor hun teksten. Van dan af was het hek van de dam en was de steile opgang van de sociale media een feit. Tot en met de wildgroei aan meningen, tegenmeningen, waar- en onwaarheden, verfraaiingen en verdraaiingen die we nu kennen.

Het leven als voorlopige oplossing

Het is boeiend om ’s binnen het bestek van dit Dun lied, donkere draad – jaarboek een literaire wandeling te maken doorheen het West-Vlaams spergebied van de sociale media. Wie staat niet te springen en wie maakt er gulzig en gretig gebruik van?

Een man waar we, om te beginnen, in geen geval aan voorbij kunnen is de veelbloggende en snel- en toch zorgvuldig schrijvende Pascal Cornet. Zijn blog Het leven als voorlopige oplossing (https://pascaldigital.blogspot.com) is voor veel mensen en surfers die naar meerwaarde zoeken een begrip geworden. Veelgelezen en vaak van commentaar en reacties voorzien gaat Cornet al gedurende 18 jaar onverdroten door met het publiceren op internet. Ook hij gebruikt het medium Facebook om mensen naar zijn bijzonder lezenswaardige blogteksten te lokken. ‘Voor wie ze maar wil lezen’. Het begon bij Pascal al in 2004 met het bijhouden van een fotoblog. Toen plaatste hij voor het eerst een foto op het net en was blij én verrast dat er hem al meteen een eerste teken vanaf de onzichtbare andere kant bereikte.

Pascal Cornet zegt daarover zelf het volgende[1]:

Ik begon mijn blog ‘Het leven als voorlopige oplossing’ – toen heette hij nog ‘Pascal Digital’ – op 8 juni 2004. De eerste notitie was een beschouwing over partijpolitieke communicatie. Daarmee was de toon gezet want in de loop der jaren zou blijken dat zowel politiek als communicatie (reclame, media…) favoriete thema’s zouden zijn. Daarnaast zouden stilaan ook meer en meer aan bod komen: mijn fietsactiviteiten, literatuur (onder meer Proust – wat na enige tijd tot een spin-offblog leidde: Rechercheur), dromen, film, enzovoort.

Hoeveel mensen dagelijks zijn blog bezoeken én ook lezen is moeilijk in te schatten.

Tweehonderd? Driehonderd? Onmogelijk om het precies te achterhalen, maar dat publiek zal in elk geval groter zijn dan ik in predigitale tijden zou kunnen hebben bereiken op de toen gebruikelijke wijze, namelijk via een literair tijdschrift. Vandaag zou dat al helemaal onmogelijk zijn. Zelfs uitgegeven dichtbundels of romans halen tegenwoordig in veel gevallen niet een verkoopcijfer dat ruimer uitvalt dan mijn – door mij veronderstelde – dagelijkse bereik. Ik ben daar blij mee en trots op. Ik verdien er geen cent mee maar het is – tot op zekere hoogte – bestaansvervullend.

Nu zijn we achttien jaar en bijna twintigduizend posts verder. Doordat Facebook een rechtstreeksere interface is gebleken (hoewel ondertussen als medium alweer in grote mate voorbijgestreefd en door velen, vooral jongeren, losgelaten), werd de blog zelf meer en meer een archief. Wanneer ik mij meen te herinneren ooit eens iets over iets te hebben geschreven, kan ik dat via de zoekfunctie vlug opzoeken.

Aanvankelijk kon zijn digitale activiteit maar op weinig begrip rekenen bij zijn vooral plastisch ingestelde vrienden. Ze hadden niet echt door waar die Pascal Cornet dag na dag op het internet mee bezig was. Maar uiteindelijk begreep een van zijn toenmalige vrienden dat Pascal een verblindend ‘work in progress’ aan het creëren was. Zegt hij zelf:

Work in progress, ja. Nooit definitief en finaal afgerond, maar iedereen mag wel een kijkje nemen in de keuken waarin ik sta te koken.

Hoofdzaak is dat ik het idee of het gevoel heb dat wat ik maak gezien en gelezen wordt door een aanvaardbaar aantal mensen, en dat moedigt mij aan om ermee verder te doen. Niet onbelangrijk is dat voor mij want vanaf het begin vond ik in het regelmatig voeden van mijn internetkanalen een structuur. Dankzij de dagelijks op te brengen discipline om in ‘input’ te voorzien en zo aan klantenbinding te doen, kon ik in bepaalde moeilijke periodes het hoofd boven water houden en/of het noorden niet kwijtraken.

Pascal Cornet werkte een paar jaar als cultureel en vervolgens als louter literair journalist om daarna ongeveer vijftien jaar lang de eindredactie te voeren van Poëziekrant. Ooit kreeg hij ook een eervolle vermelding in de literaire prijs van West-Vlaanderen voor zijn oorspronkelijk werk. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat lezen en schrijven een erg belangrijk onderdeel blijven van de blogstukken die hij schrijft: Lezen en schrijven: ik doe het allebei even graag en zolang ik de indruk heb dat anderen er iets aan kunnen hebben, maak ik graag mijn bevindingen wereldkundig.

Met de rubriek LVO kwam er in het blogproces van Pascal Cornet vanaf september 2019 toch een kentering: ‘LVO’ staat voor ‘Het leven als voorlopige oplossing’ en, jawel, dat is ook de titel van mijn blog. Ondertussen toe aan 220 afleveringen, notities die allemaal samen een autobiografie moeten vormen.

Het zijn deze notities van Pascal Cornet die in gestileerde en gepolijste versie als basis dienen voor drie in eigen beheer uitgegeven boekdelen van zijn persoonlijke herinneringen: De elfde teen (2020), Populierendreef 29 (2021) en Het maaiveld dat verschenen is in het najaar van 2022. Het zijn bijna ‘proustiaans’ aandoende biografische boeken die een behoorlijke uitgever verdienen.

Cornet heeft momenteel zo’n zevental delen van zijn eigen biografie gepland. Dit alles met als wetenschap en overtuiging dat een mens de maatschappelijke plicht of functie heeft om zijn eigen stem te verheffen of te laten horen.

Het mag duidelijk zijn dat in Pascal Cornet een waarachtig schrijver is opgestaan die met Het leven als voorlopige oplossing langzaamaan een literair huzarenstukje aan het neerzetten is.

Rino Feys in Kruimelland

Rino Feys was in een vorig, maar nooit afgezworen leven, wel integendeel, onder meer puntlasser, spinner, metaalbewerker, cafébaas en boekhandelaar. Een fantastische opleiding om uiteindelijk … schrijver te worden. Op vandaag werkt hij beroepshalve in de zeer inspirerende biotoop van de kringloopwinkel van Avelgem. Eerder was hij de scenarist van de tweedelige graphic novel Altijd ergens oorlog en publiceerde hij de boeken Kruimels (2018) en Microkosmos (2020). In deze beide boeken verzamelde hij een reeks heel mooie mijmeringen en stukjes over het leven zoals het is in de kringloopwinkel.

Zijn eerste stappen in de literatuur zette Rino Feys al omstreeks het jaar 2007 toen hij onder meer present was op de allereerste editie van ‘Literaire Living’. Omstreeks die tijd begon hij onder de titel ‘Een alledaagse verwarring’ook zijn ‘kleine fabels blog’. (http://kleinefabels.blogspot.com). Rino Feys[2]:

Het is waar dat Facebook behoorlijk wat invloed op mijn schrijversleven heeft. Mijn profielpagina is mijn podium, de speelplaats waar ik nieuwe teksten deel. Daarvoor publiceerde ik stukjes op een blog maar lezers vonden de weg er niet naartoe. Die blog onderhoud ik nog steeds maar zie ik nu eerder als mijn archiefplaats.

Op Facebook krijg ik wel reacties en deze hebben tot de publicatie van mijn twee boeken, Kruimels en Microkosmos, bijgedragen. Ik erken dat ik het medium nodig heb, het is als een stoel die ik warm wil houden: af en toe moet er een stukje op, anders word ik ongelukkig. Zo spoor ik mezelf ook aan om niet te talmen en productief te blijven.

Ik post niet zomaar iets, probeer mijn eigen kritische eindredacteur te zijn maar ook na publicatie durf ik soms nog zinnen aan te passen; inhoudelijk echter verander ik niets meer. En eenmaal er reacties op komen, laat ik een tekst zoals die is want dan nog zaken veranderen zie ik als vals spelen.

De verhalen uit het Kringloopwinkel van Rino zijn ook vaak het voorwerp van zijn foto-posts op Instagram.

(https://www.instagram.com/kringloopwinkelverhalen)

Het grote genis van Johan Debruyne

Iemand die dan weer voornamelijk voor bijdragen over plastische kunst zorgt, zijn eeuwige grote passie, maar ook het pijnlijk hoogstpersoonlijke niet uit de weg gaat is schrijver-kunstcriticus Johan Debruyne. In zijn blogs Het grote genis en Place Petit Georges verhaalt Debruyne over actuele beeldende kunst, nieuwe exposities, jeugdherinneringen en veel dagdagelijkse ergernissen.

Via mijn blogs wil ik u laten delen in wat ik mooi vind en in wat me ergert. Wat me aan het lachen brengt. Wat te veel aandacht krijgt. Of wat verzwegen wordt. Van wat meer aandacht zou moeten krijgen…

Zijn blogberichten zijn sinds geruime tijd ook op Facebook na te lezen. Daarover vertelt Debruyne graag hoe hij na een moeilijke mentale periode en onder meer dankzij het bijhouden van een blog opnieuw de oude werd.[3]

Stilaan begon ik weer voor een kunsttijdschrift (HART) te werken en ik schreef ook columns voor een blog die ik door een vriend in elkaar had laten flansen, bladzijden nostalgie eigenlijk. Ik kroop terug in mijn jeugd, die kommerloos leek te zijn geweest en het misschien ook geweest was. Ik mijmerde over wat ik kwijt was en ik nam geen blad voor de mond. Dit had ik ook als criticus beeldende kunsten nooit gedaan.

Een lokale uitgever vond mijn stukjes intrigerend genoeg om ze te bundelen en uit te geven: ‘Het nest. Tussen waarheid en herinnering’ was geboren. Jan Moeyaert zou de titel later gebruiken voor een van zijn zomertentoonstellingen in Damme.

Langzaam werd ik weer de oude. Alleen een beroerte waarbij mijn omgeving alert reageerde zodat er geen blijvende letsels waren, kwam nog even roet in het eten gooien, maar ondertussen had ik Facebook ontdekt en veel later zou ik op Instagram ‘sukkelen’. Ik ben zo onhandig met nieuwe media. Net zoals ik niet met cijfers en ambtelijke taal overweg kan.

Mijn Facebook-vriendenrijk dijde uit. Ik kon kiezen uit mensen die actief waren in de wereld van de beeldende kunst. Je schrijft niet voor jezelf. Af en toe tikte ik een aardig stukje bijeen en nog sporadischer kwam er een behoorlijk gedicht.

Mijn blog gaf ik de naam ‘Het Grote Genis’, duidend op een gefnuikt initiatief om in Mariastad Brugge iets met… nissen en hedendaagse beeldende kunst te doen. Sinds ik niet meer voor HART schrijf en het kunstentijdschrift waaraan ik nu stukjes lever amper twee keer per jaar fysiek verschijnt, komen nogal wat bijdragen op de site van The Art Couch terecht. Die recensies worden heel fraai geplaatst, maar wat ik wel mis is het contact met zij die de stukken lezen en dat was er wel toen ik mijn recensies nog op FB plaatste. Dat vond ik tof, hoewel ik nooit in discussie ben getreden. Tijdverlies. Maar dit bleek ook zelden nodig.

Ik moet zo’n 4000 FB-vrienden hebben. Als een deel daarvan mijn zielenroerselen leest of van mijn afbeeldingen van fraaie creaties geniet, dan ben ik heel content. Meer moet dat niet zijn. Ik blijf me laven aan de beeldende kunst en aan voltooide tijden. Misschien komt er finaal nog wel een groter verhaal uit.

(http://johandebruyne.be)

Johan Debruyne

Eva Vanhoorne

Ook Eva Vanhoorne schrijft stilistisch erg knap en gedreven. Ooit had ze in de begintijden van de blogosfeer een skynetblog waarop ze in het reactieveld altijd ronduit voor haar mening uitkwam en maar zelden de controverse schuwde. Nu heeft ze beroepshalve een ontwerp- en schrijfbureau. In de opperste strijd van de corona-pandemie ging Vanhoorne resoluut en moedig de strijd aan met een aantal trollen, hardnekkige antivaxers en complotdenkers die over o.a. de pandemie voor de gekste theorieën zorgden.

Ze vermijdt het dispuut niet, ook al gebeurt dat vaak met gesprekpartners die weinig oor hebben naar een rechtgeaard gesprek en dito argumenten. Vanhoorne wimpelt met stelligheid af dat haar geschrijf ook nog enige literaire ambitie zou hebben. Waarom ze het doet? En het blijft doen?[4]

In de eerste plaats omwille van het feit dat ik via Facebook zelf een ‘inkijk’ heb in de ‘neergepende stemmen en opinies, geestesgesteldheden, inzichten …’ van heel wat andere mensen. En dat ik er ook zelf mijn eigen hersenspinsels in een neergeschreven vorm kan gieten. Het gaat me dus vooral om de mogelijkheid tot ‘spreken’ en ‘luisteren’, wat dus de combinatie van psychologie en communicatie is: de ‘domeinen’ die me het allermeest interesseren. Op sociale media wordt die brug gelegd. Tussen mezelf en tal van andere mensen en omgekeerd. En inderdaad … Dat ‘spreken’ en ‘luisteren’ neemt een geschreven vorm aan, maar ik percipieer dit niet als literatuur. Meer als een gesprek in een virtueel café, met heel veel mensen, dat door het medium nu eenmaal neerkomt op ‘schrijven’ en ‘lezen’.

Maar die twee zaken en de uitwisseling ervan stuwen me wel voort. In mijn denken en mijn eigen creëren. Ook op Facebook. Bepaalde stukken die ik eerder schreef kon ik nooit schrijven zonder dat er een heel proces van ‘in gesprek gaan op social media’ aan vooraf was gegaan.

En in de tweede plaats (niet dat het een volgorde is), vind ik het ook wel een beetje mijn taak op me uit te spreken als ik iets inzie dat andere mensen niet inzien in de hoop toch iets te veranderen. Bv. mensen die zich laten manipuleren door extreemrechtse of antivaxpropaganda toch proberen wakker te schudden. Of mensen laten nadenken over bepaalde zaken. Dat laatste zijn dan – toegegeven – zaken waarvan ik het belangijk vind dat de mensen die me omringen erover nadenken. En – toegegeven – misschien wil ik dat denken ook wel een beetje sturen, omdat ik het nu eenmaal fijner zou vinden als meer mensen op een bepaalde manier willen denken.

Dus misschien wil ik ook wel een beetje opiniemaker zijn, dat klopt. Maar wel in het volle besef dat ik de mensen die ik op dat ‘opiniërende vlak’ eigenlijk zou willen bereiken met bepaalde boodschappen juist niet bereik met mijn lange epistels, maar eerder met memes of zo zou bereiken. We leven nu eenmaal in een zeer visueel georiënteerde cultuur en nauwe aandachtsspannes.

Nu … Langs de andere kant weet ik wel dat de mensen die ik dan toch bereik, ook houden van tekst en taal. En zo leer ik ook nieuwe vrienden kennen. Met wie ik dan in het echte leven goede gesprekken kan voeren. Dus misschien is dat wel een derde iets dat me drijft. En wat ons weer bij punt 1 brengt.

De bluts met de buil

De volgende man die we op onze kleine literaire wandeling doorheen het warrelnet van de sociale media niet mogen vergeten, is de Harelbeekse schrijver, bibliothecaris en bibiofiel Jan Van Herreweghe. Als auteur van boeken over de vele aspecten van bibliofilie en nu ook als beheerder van de FB-groep Clem Schouwenaars zal Jan bij veel mensen wel voor eeuwig en een dag te boek staan als ‘Jan Bib’. Pas na zijn pensionering als bibliothecaris in Harelbeke ontdekte hij de mogelijkheden van het Facebook-medium en dat doet hij met veel warmte en liefde. En altijd weer in functie van het boek. Iets wat we ons van hem al sinds altijd herinneren.

Jan ‘Bib’ Van Herreweghe verduidelijkt:[5]

Ik heb tijdens mijn loopbaan als bibliothecaris heel wat tijd in literaire en bibliofiele nevenactiviteiten gestoken zodat ik Facebook nooit ernstig heb genomen als sociaal medium. Dat was misschien fout, maar als ik zie wat er allemaal gepost wordt, dan heb ik daar geen spijt van. Want sinds ik op FB actief ben – juni 2021 – ondervind ik hoeveel tijd ik er al heb ingestoken. Opgelet, ik heb nu meer tijd om er mij mee bezig te houden, maar het kost me ook leestijd. Erger nog: ook schrijftijd, zodat mijn volgende deel in mijn reeks boeken over boeken dit najaar niet klaar zal zijn. Maar ik maak me daar niet druk over. Met FB moet je de bluts met de buil nemen. In mijn ogen wordt er veel bullshit gepost waar ik niets aan heb. Mensen posten hun restauranteten, hun gecoiffeerde honden, hun strandvakanties, flauwe moppen, uiten hun vreugdes en hun frustraties en ga zomaar door. Het is te nemen of te laten en ik bezondig mij er ook aan.

Maar ik probeer het medium toch ook te gebruiken om mijn passie – de literatuur en de beeldende kunsten – enigszins door te geven. En in feite is dat een voortzetting van datgene wat ik tijdens mijn loopbaan deed: mensen aanzetten tot lezen en (leren) kijken. En de positieve reacties die ik toentertijd van het publiek kreeg, zijn nu de likes van vandaag. Dat mijn literaire en kunstzinnige bijdragen geapprecieerd worden, is duidelijk. Nauwelijks een jaar bezig krijg ik elke dag verzoeken tot vriendschap. Ook van wulpse vrouwen, maar die test ik met een boekenvraag en dan is de liefde snel uit. Smiley. Enfin, de 960 facebookvrienden van vandaag zijn niet altijd likers, maar ze hebben mijn teksten wel gelezen! Dat ondervindt mijn vrouw, die nog steeds in de bibliotheek werkt en telkens moet horen hoe drukdoende ik wel ben.

Het mooiste verhaal ondervond ik twee weken geleden. Een vriend (een bouwvakarbeider) met wie ik wekelijks badminton speel, leest al mijn berichten, maar heeft in zijn leven slechts twee boeken gelezen. Maar met mijn reportages over de Provence heb ik hem toch getriggerd en is hij aan zijn derde boek begonnen. Met andere woorden: ik ben een influencer. Smiley.

Jan ‘Bib’ Van Herreweghe

Zelf heb ik heel wat nieuwe vrienden leren kennen en heb ik contacten kunnen leggen met fans, familie, vrienden … van Clem Schouwenaars. En dat heeft me heel wat extra info opgeleverd. Met andere woorden, het beheren van een facebookgroep rondom een bepaalde figuur of een bepaald thema, is een meerwaarde. We zijn in feite altijd op zoek naar soortgenoten.

De slotsom is dus duidelijk: ja, Facebook is een nuttig medium, ook al erger ik me soms blauw. Maar is dat niet precies onderdeel van een democratie? Ieder zijn heug en meug. Ik sla de lege restaurantborden over en andere slaan mijn literaire en kunstzinnige teksten over. En zo hoort het!

Elk medium is net zoveel waard als zijn gebruiker

Waar nieuwe stemmen opduiken verdwijnen er ook weer andere. Geruisloos of niet. Stemmen waarvan je de berichten heel graag las en die een meer dan toegevoegde waarde aan het grasduinen op het internet gaven. Jarenlang was gewaardeerd dichter, vertaler en bloemlezer Patrick Lateur (laureaat van de VWS-prijs in 2019) een zeer frequent en onvermoeid gebruiker van blog en Facebook. Hij beschouwde Facebook altijd als een ‘vrijplaats’ die hij sinds najaar 2011 begon te gebruiken om op een kernachtige manier indrukken en ervaringen te delen die teruggaan op zijn lectuur en zijn reizen, op gebeurtenissen van culturele en politieke, religieuze en artistieke aard. Hij werd, erudiet als hij is, door heel veel mensen gevolgd. Uit de honderden berichten op blog en Facebook die Lateur postte tussen najaar 2011 en voorjaar 2022 selecteerde de auteur de boeken Efemeriden I en Efemeriden II (beide uitgegeven door Uitgeverij P). Deze bundeling van Facebook-notities kan beschouwd worden als een cultureel dagboek van de auteur Lateur, die zich zoals wel meer mensen, vanuit zijn aantekeningen op Facebook in een nieuw genre beweegt.

Ook dit is Facebook schreef Stefan Hertmans (zelf ook gedurende een periode zeer actief op de sociale media): het mooie FB-dagboek Efemeriden 1 van Patrick Lateur – bevat zijn aantekeningen van 2011 tot 2016. Of hoe elke medium zoveel waard is als zijn gebruiker.

En toch was het veelvuldig publiceren op internet in het voorjaar van 2022 bij Patrick Lateur plots over. Hij schrapte zijn Facebook-account en zelfs zijn heel rijke website die zeer vaak werd bezocht – en dat niet alleen door classici – zette hij na lang wikken en wegen op non-actief. Onbereikbaar. Een voor buitenstaanders en zeker voor hen die ook zeer van zijn digitale teksten hielden, een vreemde en bijna ongrijpbare en onbegrijpbare beslissing. Patrick Lateur gaf ons graag wat duiding bij zijn allerlaatste post op Facebook:[6]

Na lang wikken en wegen heb ik gelijk mijn blog en mijn website verwijderd en quasi onvindbaar gemaakt, op en paar oude stukken na – stel ik vast. Ik postte op 29 april 2022 onder het kopje Exit : ‘De luwte wenkt.’ En daarmee is alles gezegd.

Mijn eerste fb-tekst dateert van 06.10.2011, de laatste blog is van 29.04.2022. Het hele bestand bedraagt zowat 750 bladzijden: aantekeningen, vertalingen en citaten. De aantekeningen zijn persoonlijk, maar ook wat je vertaalt en wat je citeert en wat je daarmee in die media doet, vertelt veel over de vertaler en lezer PL.

Bij mijn zin ‘De luwte wenkt’ stond verder geen nadere verklaring en eigenlijk doe ik er best aan ook nu geen toelichting te geven. Op zich moet die uitspraak volstaan.

Ik heb me meer dan een decennium uitgeschreven in Facebook en blog (en zelfs eens elf [!] dagen op Twitter – wat een ongenuanceerd forum is me dat), en ik heb er veel plezier aan beleefd, maar ze waren minstens evenveel bron van ergernis.

Als auteur had ik er een sterk forum aan, zowel promotioneel als inhoudelijk. Vijfduizend volgers op Facebook is niet niks, maar ik besefte wel dat het reële aantal lezers werd bepaald door algoritmen. Facebook geeft een vals gevoel van vrijheid en van zgn. bekendheid. Met Fb ben ik in 2017 gestopt na lectuur van een paar kritische artikels in ‘De Groene Amsterdammer’. Ook mijn blog (en website) heb ik na lang wikken en wegen stopgezet. Maar meer dan het ‘De luwte wenkt’ wil ik daar voorlopig geen verdere uitleg voor geven.

De grootste vreugde heb ik aan Facebook en blog beleefd door de papieren verlengstukken: twee Efemeriden (P, Leuven) met dagelijkse aantekeningen, twee epigrammenboeken over goden en helden (Damon, Eindhoven) en tal van losse vertalingen die nadien ergens in een of ander boek een plaats vonden. Die digitale weg was een constante stimulans om snel dingen te delen. Ik denk aan overwegingen bij de actualiteit, reisindrukken, museumbezoeken, vertalingen van fragmenten van Aischylos, de combinatie van woord en beeld op zondagen, citaten uit mijn lectuur van boeken uit en over de oudheid, etc. Nu ik even door die 750 bladzijden struin, schrik ik zelf van dat grote mozaïek.

Nogal wat van die blog-aantekeningen hebben de laatste jaren ook op andere websites hun weg gevonden, in Nederland op een inmiddels verdwenen site van Jona Lendering en bij ons op Hic et Nunc van Patrick De Rynck. En toch houd ik ermee op. Waarom? De luwte wenkt.

Ik houd wel nog aantekeningen bij. In zo’n brouillonschrift ex illo tempore. Waaruit misschien ooit bij leven en welzijn ‘Efemeriden III’ komt met o.m. wat bedenkingen over zin en onzin van blog en website.

Posten bij het leven

Een radicale afkeer voor het schrijven en publiceren op internet heeft Patrick Lateur echter nooit gehad; daarvoor heeft hij het medium veel te lang uitgepuurd en naar zijn eigen maat geplooid. Alleen was het digitaal publiceren bij hem plotseling over. Ook op een breder niet-West-Vlaams vlak beseffen schrijvers en dichters als Jeroen Olyslaegers, Tom Naegels, Gaea Schoeters, Tessa Vermeiren, Martin Pulaski, Peter Mangel Schots, Paul Demets, Koen Peeters, Marc Reugebrink, Norbert De Beule, Stijn Tormans, Didier Vandesteene en de voorbije jaren wat in mindere mate Stefan Hertmans de mogelijkheden van het internet en de sociale media om als in een digitale speeltuin teksten mee op te tillen richting publiek. En bij gelegenheid, bij voorkeur op beschaafde wijze, wat niet altijd de evidentie zelf is, daarover ook met hhet publiek in dialoog te treden.

Een waaier aan West-Vlaamse namen draagt stuk voor stuk en op zeer regelmatige basis boeiende en begeesterende teksten aan. Het lijstje van schrijvende West-Vlamingen wiens blog of facebookbladzijden meer dan een omwegje waard zijn is lang. Op gevaar af een aantal belangrijke mensen daarbij helemaal over het hoofd te zien drop ik hierna ongehinderd, en subjectief als wat, een aantal namen.

Zijne witte merelachtigheid’ Joris Denoo houdt tal van blogs bij en schrijft bij wijze van vingeroefening bijna dagelijks een veelgelezen notitie die hij steevast ondertekent met de ‘Schrijver van Miljarden Flarden, geheel de uwe.’ Denoo is altijd in voor een dosis taalspelerige humor. Die humor zit ook in de bijdragen van Sarah Desplenter. Dichter Eddy D’Haenens gaat vaak een trip down to memory lane terwijl zijn collega Jan Vanmeenen vooral foto’s post. Een andere dichter en performer die veelvuldig gebruik maakt van Facebook is Jan Ducheyne die uitgeweken is naar Brussel. Ik ben van Oostende, laat hij weten. Voor mij is dat nog altijd meer ‘van de zee’ dan uit West-Vlaanderen. Ik zie een groot verschil tussen ‘van de zee zijn’ en uit Poperinge komen bijvoorbeeld. Alain Delmotte had aanvankelijk veel twijfels maar trad uiteindelijk en in de eerste plaats toe tot het Facebook-legioen om zijn leesindrukken kwijt te kunnen. Vooral over de Franse literatuur en de Franse poëzie zorgt hij mee voor veel gewaardeerde bijdragen. Op reis onderhoudt Delmotte een vakantiereeks, ‘Boeken onder boom’ getiteld.

Ook Bruggeling eminence grise en kunstcriticus Daan Rau moet als collega van Johan Debruyne op het vlak van kunst en expo vermeld worden. Zijn bezoeken aan talloze tentoonstellingen en musea triggeren veel mensen die de kunst in de kustprovincie van nabij willen volgen. Rau’s commentaren zijn een heuse verrijking van de reguliere info-kanalen, die het stilaan in dit opzicht helemaal laten afweten. Daan Rau weet als niet een dat het talent van ettelijke jonge kunstenaars en ook schrijvers zich soms zomaar doodleuk laat ontdekken via de sociale media. Siel Verhanneman ‘toonde’ haar eerste teksten aan het publiek via Instagram. Een vorm van creatief proefdraaien was dat. Intussen heeft ze al kortverhalen gepubliceerd, een roman bij Manteau, en een mooie dichtbundel uit bij de gerenommeerde uitgeverij ‘De Arbeiderspers’. Métier opdoen … Een aanloop nemen, aanscherpen van de literaire mogelijkheden, Facebook en Instagram bieden kansen te over. Zelfs de 79-jarige bejubelde schrijfster Margaret Atwood zit op Instagram.

De teksten die getuigen van aanhoudend politiek en sociaal engagement van mensen als Rik Vancoillie en de wat filosofischer ingestelde Sammy Roelant zijn wat ons betreft blijvers. De stukjes van plezierdichter Roland Derveaux zijn dat ook. Andere West-Vlaamse schrijvers gebruiken Facebook, Instagram of Twitter in hoofdzaak om hun literair werk te promoten.

Er zijn op dat vlak flink wat lijstjes om af te lopen. Een aantal namen die hier niet mogen ontbreken zijn Kristien Bonneure, Els Snick, Bart Van Loo, Koen D’haene, Philip Hoorne, Frederik De Laere, Kurt Vandemaele, Evelien De Vliegher, Maaike Monkerhey, Peter Verhelst, Patrick Cornillie, Tom Veys, Anne Provoost, Wim Vandeleene, Reinout Verbeke, Lieve Desmet, David Van Reybrouck, Geert Viaene, Ingrid Knipfer, Joost Devriesere, Heleen Debruyne, Lara Taveirne, Peter Bossu, Femke Vindevogel en vele, vele anderen

Nog anderen zien de functie en de zin van de sociale media blijkbaar helemaal anders en laten niet na om daarover regelmatig hun hartsgrondige hekel te ventileren. Ironisch genoeg gebeurt dat niet alleen in kranten en tijdschriften maar soms ook op … de sociale media. Afwezig blijven is niettemin hun roeping. En ze doen dat als gezworen sceptici met de nodige overtuiging. De bekroonde schrijfster Caro Van Thuyne is niet happig om zomaar met iedereen mee te doen en laat zich geregeld kennen als een wel heel koele minnares: ‘Ik heb een bloedhekel aan de persoonscultus van onze tijd. Literair werk kan voor mij helemaal verpest worden door hoe de schrijver zich presenteert in de media. En dus laat Caro Van Thuyne zich niet zien of horen, alleen lezen.’

Zangeres Ikraan gaf onlangs op de radio in De zomer van[7] iedereen onomwonden de raad: Je moet wegblijven op de sociale media om gezond te blijven. Je kunt niet zo gezond zijn in je hoofd en de hele tijd op Facebook of Instagram zitten; het leven is veel interessanter in het echt…

Vanzelfsprekend is dat maar al te waar. Verslavingsgevaar en tonnen tijdverlies loeren voor wie zich – swipend en scrollend – op het internet waagt, om de hoek. Het is zaak om net als met alle andere informatiekanalen jezelf als lezer en nieuwsfreak in evenwicht te houden.

Het internet en de overdaad aan informatie en quatsch van de sociale media is een zo expansieve en vaak exploderende planeet geworden dat het voor iedereen moeilijk is om maat te (blijven) houden.

Wie evenwel ongelukkig wordt van al dat ongebreideld vertoon van egotripperij en die overmaat aan apps en toepassingen geven we gewoon de raad om meteen andere oorden op te zoeken. In dat geval misschien toch maar blijven zweren bij de klassieke lectuur van een boek of literair tijdschrift?

Voor wie evenwel op een gezonde manier weet om te gaan met de immense schat aan informatie en daarbij zelf ook nog ‘s met de taal of op een andere manier creatief wil zijn, is de toegankelijkheid van de sociale media een weelde. Dat beseffen intussen ook de reguliere media en ze spelen gretig in op wat op internet wordt gepubliceerd en bekendgemaakt.

In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, wist ene Johann Wolfgang von Goethe al in het jaar 1802. In de huidige tijd zou Goethe misschien wel een vooraanstaand blogger of influencer geweest zijn; wie zal het zeggen.

Het slotwoord op deze literaire wandeling is voor de man bij wie ze gestart is, Pascal Cornet:

Wanneer die beide zelfopgelegde taken (het publiceren van een tekst en een foto) elke ochtend zijn ingevuld, doe ik mijn ronde bij mijn Facebook-collega’s, weliswaar in hoge mate gestuurd door de grillen van het altijd ondoorzichtige algoritme maar toch, naar mijn gevoel, voldoende om min of meer op de hoogte te zijn van wat urgent is: je weet op de duur wie je in de gaten moet houden.

Uiteraard kan ik niet weerstaan aan de aandrang om in de loop van de dag af en toe eens te gaan kijken of er zich belangwekkende nieuwigheden of interessante reacties op mijn posts hebben aangediend. Vaak leidt dat dan weer tot nieuwe zijwegen en dwaaltochten, die op hun beurt vaak inspiratie opleveren voor nieuwe notities. Om die reden ben ik niet geneigd te stellen dat ik ‘tijd verlies’ aan Facebook, al moet ik toch vaststellen dat ik achteraf vaak weer eens niet meer weet waar ik overal heb gezeten.

NOTEN


[1] Gesprek met Pascal Cornet – vrijdag 20 mei 2022 met aanvullend mailbericht van zaterdag 21 mei 2022
[2] Mailbericht van Rino Feys van 26 juni 2022
[3] Mailbericht van Johan Debruyne op 30 juli 2022
[4] Mailbericht van Eva Vanhoorne op 30 juni 2022
[5] Mailbericht van Jan Van Herreweghe op 24 juni 2022
[6] Mailbericht van Patrick Lateur van 1 juli 2022
[7] Ikraan in ‘De zomer van‘ – Radio1, vrijdag 22/7/2022

Deze tekst ‘De speeltuin van de schrijver’ werd eerder gepubliceerd in ‘Jaarwerk MMXXII‘ – Jaarboek 2022 van de VWS-Vereniging van West-Vlaamse schrijvers.

Schrijven is natuurkunde zonder formules

Toespraak bij de voorstelling van ‘Jaarwerk MMXXIV’, het jaarboek 2024 van de VWS.

(de titel van dit stuk is een quote van de laureaat van de VWS-prijs 2024 Bart Moeyaert)

Goeie avond,

Beste vrienden van het boek en van de literatuur, vrienden van de VWS en van het leven tout court.

Vooraleer we hier straks Bart Moeyaert uitgebreid fêteren sta ik graag eerst even stil bij de publicatie en de inhoud van ons nieuwe jaarboek, ‘Jaarwerk MMXXIV’.  Tien jaar zijn intussen alweer voorbij sinds het laatste VWS-cahier – het 283° – werd gepubliceerd. Toen we in 2014 noodgedwongen de publicatie van de cahiers dienden te beëindigen vanwege de stopzetting van de provinciale subsidie leek een jaarwerk ons een mooi alternatief om onze missie voor de toekomst veilig te stellen.

Met het nieuwe jaarwerk 2024 waarvoor Koen en ik de eindredactie voerden zijn we aan een eerste lustrum toe. Tien jaar… De tijd snelt vooruit. De tijd kent geen mededogen. Wat stelt een decennium voor in een mensenleven? Tien jaar, het is veel… En het is… niets. Tien jaar waarin van alles met ons en met de wereld is gebeurd. Maar één ding is zeker: blijven schrijven én lezen, dat doen we één voor één allemaal. Ondanks de eerder sombere vooruitzichten en de toestand van de wereld met daarbovenop de hevige brandversneller van de sociale media is en blijft de enige remedie:  nooit de droom opbergen, het woord blijven gebruiken, zo goed mogelijk hanteren om de wereld, onze wereld vorm te geven, ja nooit nalaten om met het woord trachten te verwezenlijken wat nog niet is verwezenlijkt. Wat nog niet eerder is gedaan. Wat nog niet eerder is geschreven. Blijven de verhalen vertellen die er toe doen!

Ik weet niet hoe het bij jullie is maar bij de VWS blijven we onverpoosd en gestaag geloven in de mogelijkheden van de literatuur. Getuige daarvan de artikelen die we ook dit jaar via het Jaarboek kunnen aanbieden.

Het opzet blijft zoals elk jaar hetzelfde: warme aandacht besteden aan  het literaire leven in onze kustprovincie en bij uitbreiding waar het kan zelfs ver daarbuiten. Met als motto: Voor al wie van boeken en lezen houdt.

In zijn woord vooraf bij ‘Jaarwerk MMXXIV’ staat Koen D’haene, VWS-voorzitter en auteur o.a. stil bij het tienjarig jubileum van het jaarboek en de werking van onze vereniging. Hij stipt aan dat de VWS overleeft met een heel minimale overheidssubsidie. Voor de ene overheid zijn we immers niet lokaal genoeg voor de andere zijn we te provinciaal en de provincie als cultuurpromotor bestaat niet meer. Of wat men tussen twee stoelen zitten kan noemen. Niettemin houdt hij er aan om iedereen te danken die voor de nodige blijvende steun zorgt waardoor we kunnen blijven werken.

De jaarlijkse gastcolumn is dit keer van de hand van professor Herwig Reynaert. Aan het eind van dit Olympisch jaar stelt hij de vraag: Kan sport ‘winnen’ van (militair) geweld? In zijn column waarin hij een antwoord probeert te geven filosofeert hij over oorlog en vrede. Zijn slotsom is duidelijk: Ondanks het feit dat we momenteel compleet andere evoluties zien, moeten we blijven ijveren voor een vreedzame wereld want niets doen is geen optie. En sport kan daarin een breekijzer zijn.

Dit brengt mij enigszins naadloos tot het artikel dat ik zelf voor dit jaarwerk schreef. In ‘De mystiek van het fietsen – West-Vlaamse stemmen over de koers‘ leg ik een link tussen de literatuur in West-Vlaanderen en de wielersport. Bij ons hebben we niet meteen zoals in Nederland een kanjer als Tim Krabbé die er bovenuit steekt maar dat neemt niet weg dat een pak vaak journalistiek-getinte stemmen dag in dag uit met literaire bevlogenheid over het wielrennen weten te schrijven. Zegt één daarvan, Rik Vanwalleghem (hier ook aanwezig): ‘Wielrennen is een fantastische metafoor voor het leven, een blikopener op de menselijke ziel’.

In dit Gezellejaar kan het niet anders dan dat ons jaarboek ook een Gezellebijdrage bevat. Op wie anders konden we in dit verband beter een beroep doen dan op Piet Couttenier, eminent Gezelle-kenner. Zijn bijdrage “De kleine grote Gezelle” bevat integraal de tekst die hij uitsprak in mei laatstleden bij de voorstelling van “De kleine Gezelle: honderd gedichten“. Een anthologie die samengesteld werd door onze VWS-laureaat van het jaar 2019 Patrick Lateur.

En nu ik hier toch een naam van een VWS-prijs winnaar vernoem kom ik rechtstreeks uit bij de bijdrage van Koen. Onder de titel ‘Een Ramon op de boekenplank’ laat hij de 9 VWS-laureaten uit het verleden vertellen over hun prijs, telkens – dat weten we –  een schitterend beeld van Renaat Ramon, en de plaats waar het beeld is terechtgekomen. Ik noem onze laureaten uit het verleden graag nog ’s één voor één bij naam. En het is, dat zul je horen, een mooi rijtje! Walter Haesaert, Willy Spillebeen, Luuk Gruwez, Kristien Dieltiens, Patrick Lateur, Hedwig Speliers, Herman Leenders, Bart Vonck, Peter Terrin en daar komt straks Bart Moeyaert bij die ongetwijfeld ook wel zal weten waar zijn Ramon-trofee zal terechtkomen.

En het dient bij deze nog ‘s gezegd: met de VWS hebben we heel veel te danken aan de man die eeuwig jong blijft: Renaat Ramon! Donderdag laatst stelde hij hier in de Biekorf nog met ‘Visum’ een nieuwe prachtige dichtbundel voor. Al tien jaar lang zorgt Renaat voor het ontwerp van de cover van onze jaarwerken en voor het beeld dat de laureaat mee naar huis mag nemen. En Renaat zou Renaat niet zijn als er ook in dit jaarboek geen bijdrage van zijn hand zou staan. Dit jaar is dat een historische bijdrage. In ‘Kunst- en drukwerk’ ‘Eene vrije tribuun in Brugge’ gaat hij in op  op een aantal historische tijdschriften die verschenen in de 19° en de 20° eeuw.

En bij deze gelegenheid citeer ik graag de quote die je ontmoet als je zijn website opent. Zegt en schrijft Renaat:

“’Er zijn 65 schakeringen tussen wit en zwart,
100 nuances in een regenboog.
En het aantal vormen is eindeloos.
Maar als je één lijn trekt op een blad,
teken je een zelfportret.
En met één stip op een doek beken je kleur’.

Erg mooie woorden maar dat zijn we van Renaat gewoon. Roland Derveaux van zijn kant beet zich enkele jaren geleden vast in boeken over de zee. In een uitvoerige bijdrage onder de titel ‘Als de zee roept’ zet hij zijn literaire zoektocht naar de maritieme prozaliteratuur verder.

In de rubriek ‘Piëdestal’ die verleden jaar werd opgezet door Marcel Vanslembrouck nodigden Koen en ik dit jaar tien West-Vlaamse schrijvers en boeken-minnaars uit om een antwoord te formuleren op de vraag welke boeken, verhalen of gedichten hen de voorbije jaren erg hebben geboeid en geraakt.
De bijdragen dit jaar zijn in de volgorde zoals ze in het jaarboek staan van Ann Busquart, Hugo Verstraeten, Katrien Vanhecke, Lieve Desmet, Luc Vandromme, Maaike Monkerhey, Philip Hoorne, Reinout Verbeke, Tania Verhelst en Toon Vanlaere. Stuk voor stuk mooie namen die voor erg waardevolle stukjes zorgen die vol boeiende leestips staan.

Verleden jaar al schreef Jet Marchau in Jaarwerk 2023 een uitvoerige bijdrage over het werk van Bart Moeyaert. Toen kon ze haar enthousiasme voor de schrijver Bart Moeyaert wiens werk haar op momenten zowaar deed duizelen niet wegstoppen. Met een quote van Bart als titel “Schrijven is natuurkunde zonder formules” zorgde ze voor een hele mooie bijdrage. “Schrijven is natuurkunde zonder formules”, sta daar maar even bij stil. Beter dan Bart Moeyaert kun je het nauwelijks definiëren.
En zo dadelijk mag Jet haar leeservaring van verleden jaar nog ’s accentueren met een oververdiend laudatio voor onze huidige VWS-laureaat Bart Moeyaert.

Tot slot rest mij enkel nog jullie veel leesgenot te wensen met het Jaarwerk MMXXIV.

De VWS tijdens het jaar met aandacht blijven volgen kan overigens ook op onze Facebook-pagina en op onze blog ‘Dun lied donkere draad die zoals iedereen wel zal weten vernoemd is naar die andere grootmeester van de West-Vlaamse literatuur. En uiteraard kan iedereen die dat wil meteen ook lid worden van de vereniging wat voor volgend jaar meteen ook recht geeft op het volgende jaarboek.

© Paul Rigolle
Zaterdag 16 november 2024

vlnr Renaat Ramon, Bart Moeyaert en Koen D’haene – foto Paul Rigolle
Renaat Ramon onthult de VWS-prijs 2024 samen met laureaat Bart Moeyaert
foto: Eva Vanhoorne


Voorstelling ‘Wij worden erts dat niemand delft’

Zondag laatst 6/10/2024 mocht ik in de Foyer van de Stadsschouwburg in Sint-Niklaas onder brede belangstelling ‘Polletanië!’, de verzamelde poëzie van Frank Pollet voorstellen. Het boek kreeg de titel ‘Polletanië!’ mee, weegt anderhalve kilo (!) en telt welgeteld 405 gedichten. Mijn boekje dat ik aan de poëzie van Frank – al jaren een dichterlijke kompaan in crime – mocht wijden “Wij worden erts dat niemand delft” telt er … zestig. . De tekst die ik zondag bij de voorstelling uitsprak staat vanaf vandaag na te lezen op De Schaal van Digther. “Welkom in Polletanië!“. En dit via bijgaande link:

https://digther.blogspot.com/2024/10/welkom-in-polletanie.html

Facebook-bericht Vera Steenput

Inleider van dienst – Foto Vera Steenput
Frank Pollet komt thuis in Polletanië! – Foto Vera Steenput
Les Jours d’antan – Vers-Poëzieprijs 1982