De man die de dichters naar het Internet bracht.

Als mijn info helemaal klopt dan stuurt Raymond Noë, publicist, columnist en redacteur van Boekenkrant en Onze Taal  al sedert het gezegende jaar 1997 (!) (toen het internet nog maar pas kwam kijken) onder de naam Laurens Jz Coster,  elke werkdag aan de poëzieliefhebbers die dat wensen, per email een gedicht. Het is een fantastische en onvolprezen gedichtenmailservice waaraan ik zelf – samen met duizenden andere liefhebbers – al jaren plezier beleef. Bijgaand en aanvullend is er ook de blog: https://laurensjzcoster.blogspot.com/

Dubbel plezier doet het mij nu dat ik vandaag op zijn onvolprezen de Coster-lijst als “Dichter van de dag mag fungeren”. Dat betekent dat een groot aantal poëzieminnaars vandaag twee gedichten uit mijn recente bundel “Het Omber en het Oker” in hun mailbox krijgen. Waarvoor heel veel dank!
Het zijn de gedichten: Okkernoot en Passer. Ik plaats ze hieronder ook nog ’s in hun geheel.

Raymond Noë – Foto Boekenkrant

Foto: Via Boekenkrant
Inschrijven op de mailservice van Raymond kan nog altijd:
https://high5.nl/minimalist/?l=laurensjzcoster

In 2018 kreeg Raymond Noë voor zijn onvolprezen maildienst een Visser-Neerlandia-prijs.
Marc van Oostendorp schreef daar in september 2018 toen dit over:

“Toen Noë bijna 20 jaar geleden met zijn werk aan Coster begon, was er nog maar heel weinig literatuur op het internet, en al helemaal nauwelijks Nederlandse lyriek. Het is niet overdreven om te zeggen dat Noë’s inspanningen een belangrijke rol hebben gespeeld om onze dichters een stem te geven op de grote marktplaats die het internet inmiddels is. Het is heel belangrijk voor de literatuur dat mensen blijven proberen nieuwe vormen te vinden om te kunnen blijven genieten van de klassieke letteren. Ik ben blij dat hij deze prijs krijgt. Ik ben trots dat Neerlandistiek de gedichten ook mag plaatsen.”

De man die de dichters naar het internet-bracht (Bericht op Neerlandistiek)
De keuze van Raymond Noë op Meander-magazine
Foto Raymond Noë via Boekenkrant
De Coster-lijst op Facebook
De Neerlandistiek-link naar de gedichten

De gedichten op de Costerlijst uit ‘Het Omber en het Oker‘:

Okkernoot

Dat we trage dieren zijn met een intellect
dat schrijnt, het wordt beweerd, het staat
geschreven. De okkernoot van ons brein

laat niets aan toeval over. Keer op keer
draaien wij de waarheid om en wachten
op de lessen die het leven ons moet geven.

Steeds hogerop, ladderdrift mijn deel, wuif ik weg
wat ik niet wil weten. In een klassiek
en wild gebaar maak ik van elk plafond

een hemel. Wat er nog niet is zal ik maken,
hoogmoed zit mij als gegoten, past mij zoals
alleen een hoofd kan passen in mijn handen.


•••


Passer

Aan elk schrijven hoort een visioen
vooraf te gaan. Eerst komt het oerbos,
diep en stil. Bramen, struiken, lianen
slingeren zich in touw de bomen uit.
Groot en levensvatbaar schrijft de trek
zich in de vlucht van vroege vogels in.

Dieren kiezen vasteland. Wie straks
rechtop zal staan doemt kruipend op.
Figuren, personen breken uit hun lijst.
Mensen zwellen in de straten aan.
Eentweedrie een optocht. Een mars,
een stil protest. Een foto scheurt ze uit.

Tijd vloeit het uurwerk uit. Het punt
kruipt opnieuw de passer in. Klank
houdt woord. Of het snelsnel of werk
van lange adem wordt, moet nog blijken.
Wat onomkeerbaar is, is nog lang niet klaar.


© Paul Rigolle (1953)
uit: Het omber en het oker (Uitgeverij P, 2015)

Was alle rest maar stilte

Gedicht van de dag

Elke dag – ik beken – sta ik voor mijn ‘poëziekast-van-jaren-her
’ en lees ik bijna ritueelgewijs een toevallig gekozen gedicht. Vanmorgen, Valentijnsdag, en er hangt om 6:40 u. nog een volle maan voor mijn schrijfraam, is dat het derde gedicht uit de cyclus ‘Het schaduwarchief’ van Hans Tentije. De cyclus staat in zijn verzamelbundel ‘In het ongewisse’.

De Volkskrant schreef over Tentije: “Een halve eeuw werkte hij aan een van de mooiste naoorlogse oeuvres in de Nederlandstalige poëzie; volstrekt a-modieus en nooit om aandacht schreeuwend, maar wel van constant uitmuntende kwaliteit.”

En kijk, ik weet, en dat niet alleen sinds vanmorgen: daar is geen woord van gelogen, noch overdreven:


Het Schaduwarchief – Gedicht III

Rivieren dragen tonnages zware aken
die met hun schroefbladen slib, verboden sedimenten
loswoelen, het ijs stukvaren en de schotsen
naar de wal stuwen, de nevel
dringt intussen door je kleren heen –

stapvoets nadert er vanuit een zijstraat, muziek
voorop, een kleine bruidsstoet, gelukkig
sterft het lawaai van de ambulance langzaam weg

terwijl je door kamers dwaalt met vlekkerig, bekrast
behang en slecht opgelapte parketstroken, geuren van parfum
ondanks de open tuindeuren, naast een pendule
en snuisterijen een paar ingelijste foto’s
 waarop je niemand meer, laat staan jezelf, herkent

of er soms ergens in deze vertrekken iets bestaat
dat je aanwezigheid rechtvaardigt, je een sluitend alibi
voor een heel verleden verschaft –

was alle rest maar stilte


© Hans Tentije

Dichter Hans Tentije overleden: de Edward Hopper van deNederlandstalige poëzie
(De Standaard – n.a.v. het overlijden van de dichter in 2023)

 

Foto: © De Harmonie

Album

(uit ‘Too late blues’, al te late brieven aan John Cassavetes en anderen )

Album dat zich opent als een deur. Zie ons staan!
Middenin een decennium zonder naam of taal,
Herfsttij der Seventies, vrijheid blijheid in het tijdschrift
van de tuin. Getrouwd en wel, glimlach van de wereld,
job, auto, huis, en een hoofd dat net nog niet naar de wind
wou hangen, hebben we voor het eerst jouw films gezien.
In een aftandse zaal lagen de kopieën klaar. Ik vertaal
ook nu nog vrij: Schaduwen, Te late Blues, Kind
dat wacht, Echtgenoten, Openingsnacht. Vrouwen

onder invloed, Gezichten, Gloria, de beelden sprongen
van het doek, sloegen tussen onze ogen toe.
Aan jouw kicks en kijk ten prooi schoven we over het hout
van onze stoel, alsof waarheid nooit zonder pijn bestaat.
Na afloop, ik zie het nog, aten we in de Hobbit,
ribben met de blote hand, lachten de scherpte weg,
raakten het bij de wijn toen al niet eens of het al dan niet
te vroeg voor woorden was, voor wat, vroeg of laat,
net als in die films van jou ook in onze ziel ontbranden moest.

© Paul Rigolle

Uit: “Van het hart een steen” – 2009 – Uitg. Poëziecentrum

Toegevoegd aan Pagina: Alle gedichten tot dusver en verder
Dit n.a.v. de toneelbewerking van het gezelschap ‘De Hoe’ van ‘Opening Night’

Gedichtendag, editie 2024

Gedichtendag vandaag! En meteen ook het begin van de Poëzieweek. Ik weet het, het is ‘maar’ een ‘campagne die amper één week duurt’, maar het is en blijft wél een campagne die beroep doet op het gegeven dat de poëzie mensen met elkaar weet te verbinden (en niet tegen elkaar opzet) “door op te trekken met de oude dingen die woorden zijn, en die zoveel hebben gezien en gehoord” (dixit Guido Vanhercke op FB en op zijn website gisteren).

Dus ook hier mag en zal – wat had je gedacht – een gedicht vandaag niet ontbreken! Opgediept uit de archieven: het gedicht ‘Lamp’ uit ‘Van het hart een steen’. (Poëziecentrum, 2009).

Romantiek

(Al te late brief aan John Cassavetes)

Beeld: ‘Homeless Jesus’ van Timothy P. Schmalz – Magadalenakerk Brugge – za 15/7/2023

Romantiek

Romantiek. Ach wat, het woord is veel te dik voor wat
een man verdragen kan, geen draaiboek kan sterker
dan het leven zijn. Schelden en vechten, dansen, drinken,
eten, vrijen, werkwoorden van elke dag, daar gaat
het om.  Water en brood, wildernis, bliksem die ooit de eik
zal splijten, over alles had je het waarop men niet
te wachten zat. Filmend binnen de muren van jouw eigen huis,
in clair-obscur dat naar het leven staat, in zwart en wit,
de beelden sneden los wat niet los wou zijn. Je liet niet af,

er was geen reden voor, je ging maar door. Tegen het maatwerk,
tegen de tijd, als het moest zelfs met de botte bijl.
In Hollywood joegen ze jou de tempels uit, jouw naam
stond op hun lijst. Maar jou een zorg, hun tamme droom
heeft zelden iets met vlees en bloed vandoen, ze hebben ogen
die niets zien. Weten zij veel dat wat aan het eind van elke lijn
van ons moet resten, wel vaker samenvalt, met wat verkleumd
en uitgeblust blijft liggen, lichaam op een bank in het park
waaraan in de ochtend fluitend voorbij gelopen wordt.

© Paul Rigolle

Uit de cyclus “Too late blues” – Al te late brieven aan John Cassavetes
(1929 – 1989) en anderen. In de bundel “Van het hart een steen, Poëziecentrum 2009.

Af en toe publiceer ik op deze pagina’s een nieuw of oud
gedicht; van vroeger of van vandaag.
Op de pagina “Alle gedichten tot dusver en verder” worden ze verzameld.

Herinnering aan Aldeia das Dez

Camiel in Aldeia das Dez” – 27/6/2010

Aldeia das Dez

Dorp van de Tien, dorp uit de duizend
waar mijn moeilijk Portugees van mijn taal
de hoeken schuurt en rondt.

(Taal die ik wil spreken. Taal die mij van
de waarheid de woorden doet verzinnen.)

De oceaan ligt achter ons, de klamme kust
een herinnering. De warmte zet ons
als in een stolp te kijk. Veel meer dan
wat er van onze reizen rest hou ik over.

Wie hier nog de dingen en de dagen
meten wil moet wel met klem ontkennen
dat de dingen niet te meten zijn.

© Paul Rigolle

Uit de cyclus ‘Ver weg in Europa”, in de bundel
Tot het bestaat‘ (C. de Vries-Brouwers, 2013)

Het gedicht ‘Aldeia das Dez’ schreef ik na een vakantie in Portugal in juni van het gezegende jaar 2010.
…/…
Dit gedicht staat sinds vandaag ook op de pagina
Alle gedichten tot dusver en verder” waaraan ik, ik maak mij sterk,
af en een oud of nieuw(er) gedicht zal toevoegen.