De stad trekt haar gevels op

Donsai, het dichterscollectief uit Deinze bestaat vijftien jaar. Dat moet vanzelfsprekend gevierd worden. In buurtcentrum Rekkelinge in Deinze zijn er komende vrijdag 5 December 2025 tal van poëtische optredens en er wordt ook een boek voorgesteld met nieuw werk van de Donsai-dichters aangevuld met dat van een aantal gastdichters. Ik ben verheugd om één van hen te zijn.
Meer info via mijn blogbericht:
https://paulrigolle.wordpress.com/2025/12/03/het-dichterscollectie-donsai-viert/

Taal een kostbaar goed

Vrijdag 30 Mei 2025
Facebook-bericht van 29/5/2025
Op Roer.me – zeer gewaardeerde vrijhaven voor poëzie – staat in de vorm van een interview een gesprek dat ik mocht hebben met Roer-redacteur Edward Hoornaert. Edward was ook al de man die mij tijdens de voorstelling van ‘Het Omber en het Oker’ op 23 maart 2025 een aantal vragen mocht stellen voor een wel zeer levendig publiek.

Hieronder plaats ik met veel dank het Roer-gesprek integraal.

In gesprek met Paul Rigolle

https://www.roer.me/post/taal-een-kostbaar-goed

Over het wonderlijke instrument van de taal, het verschil tussen Kijken en Zien en de kunst van het invulling geven. En over zijn zesde bundel Het Omber en het Oker.

Welkom terug, Paul! Eerst en vooral proficiat met je nieuwe bundel Het Omber en het Oker (Uitgeverij P)! Je bent een graag geziene gast op poëzie-evenementen, brengt via De schaal van Digther het werk van vele collega-dichters onder de aandacht, neemt een actieve rol op binnen de VWS, schrijft regelmatig over wielrennen, … Heeft die verscheidenheid aan activiteiten een vertragend effect gehad op het verschijnen van deze bundel (de vorige dateert van 2013) of had deze bundel gewoon meer tijd nodig om te rijpen dan de voorgaande?

Doorheen de jaren is het bij mij een beetje een tweede natuur geworden om een aantal dingen op de voet te volgen. Of dat toch met veel goesting te willen doen. Dat is in eerste instantie uiteraard het geval met de poëzie (en bij uitbreiding de literatuur, de kunst en ook de filosofie). Of zoals de psycholoog van dienst ooit in een PMS-verslag schreef: ‘De interesse is nogal diffuus…’ Daarnaast blijft ook het wielrennen al van in mijn vroegste jeugd één van mijn andere vreemde dada’s waarvan ik vaststel dat die moeiteloos de jaren weten te overleven. Noem het wielrennen gerust één van mijn wel erg guilty pleasures waarover ik ook regelmatig schrijf. Bovendien broed ik op een aantal plannen om er in de toekomst nog iets uitgebreider over te schrijven. Ik noem het ook vaak de meest poëtische sport…Ik moet dus wel toegeven dat ik op heel veel momenten nogal onderhevig ben aan verregaande versnippering. Wellicht zorgt dat bij mij inderdaad wel voor een vertragend effect op het vlak van puur creatief schrijven. Maar dat is uiteindelijk niet echt mijn grootste zorg. Wat niet is, is niet gemaakt. En wat komt moet maar komen. Pure publicatiedrang is mij misschien wat té vreemd en ik schrijf bovendien nogal traag en met veel aandacht… Het Omber en het Oker, mijn recente bundel, liet lang op zich wachten (een kleine twaalf jaar) maar het kan heus nog erger. Tussen mijn derde (Overal en op alle plaatsen) en mijn vierde bundel (Van het Hart een Steen uit 2009) zaten zo maar eventjes 23 jaar! Kan qua afstand in de tijd tellen hé…

De titel van je bundel, Het Omber en het Oker, roept een beeld op van warme, aardse kleuren die vaak in de schilderkunst worden gebruikt. In hoeverre weerspiegelen deze kleuren de thematiek van je poëzie?

Misschien moet ik vooraf even zeggen dat de titel van mijn bundel ook de titel is van een cyclus die vooral het schilderen en de kunst in het algemeen als thema heeft. Maar het klopt wel, ik denk dat mijn bundel nogal down to earth is. Dus die schaduwrijke omberachtige kleuren zinnen me wel. ‘Meer een man van stenen dan van sterren’, stond er eerder al op de flap van mijn dichtbundel Van het hart een steen uit 2009. Het aardse is mij dus net iets liever dan de hemel wat niet belet dat ik net als elke dichter niet af en toe met mijn gedichten naar de sterren wil reiken en ook dat ik vind dat er in heel wat van mijn gedichten toch wel flink wat licht voorkomt.

Alsof je bent voorbestemd om alles / vast te houden moet en zal je zingen. Zo opent het eerste gedicht (Missie) van de bundel. In het daaropvolgende gedicht krijgt deze opgave al meteen een bijna theatrale invulling: Steeds hogerop, ladderdrift mijn deel, wuif ik weg / wat ik niet wil weten. In een klassiek / en wild gebaar maak ik van elk plafond / een hemel. Wat er nog niet is zal ik maken, / hoogmoed zit mij als gegoten, past mij zoals / alleen een hoofd kan passen in mijn handen. Het lijkt erop dat poëzie bij uitstek de plek is waar de ontkenning van de vergankelijkheid kan worden gesublimeerd?

Ja, in zijn beste momenten is de dichter voor mij iemand die de taal naar zijn eigen maat en wensen weet te dwingen. Het is een gevoel dat je via de taal werkelijk macht kunt krijgen over de dingen die je nauw aan het hart liggen. Dat gebeurt zeker niet dagelijks, eerder zelden, maar als het lukt om net die woorden te vinden die in een gedicht of in een tekst voorgoed en precies hun plaats hebben gevonden dan lijkt het alsof je in die begenadigde momenten greep krijgt op de werkelijkheid. En op het voortschrijden van de tijd. De taal is een kostbaar goed dat we in warrige tijden nog intenser moeten koesteren dan we het voordien altijd al deden.

In de eerste cyclus Een stem in de tijd onderzoek je vooral ook de worsteling met taal en de positie van de dichter in deze tijd. Welke rol speelt poëzie volgens jou in een wereld die steeds minder vatbaar lijkt voor nuance? En voel je je soms, zoals je schrijft, verstrikt in de halsstrik van de taal?

Ik schrijf nu al zowat een halve eeuw poëzie… Het zou gek klinken als ik hier zou zeggen dat ik niet in de kracht van de poëzie zou geloven. Het tegendeel is waar. Maar inderdaad, de wereld ziet er steeds minder rooskleurig uit en dat brengt mee dat het schrijven in het algemeen niet zomaar meer vrijblijvend kan zijn. Dat het ook moeilijker wordt… En vaak draait het schrijven ook bij mij – ik weet niet hoe het bij jou is – uit op een gevecht met de taal. Vandaar het beeld van de halsstrik van de taal. Maar het besef wordt niettemin en ondanks alles altijd maar groter dat een mens eigenlijk niets voorstelt zonder dat wonderlijke instrument van de taal.

In diezelfde cyclus duikt de taalfilosoof Wittgenstein op in het gedicht ‘Dag Ludwig’. Zijn fameuze leuze ‘Waarover je niet kunt spreken moet je zwijgen’ wordt er zelfs letterlijk geciteerd. Is dichter zijn een les in bescheidenheid of heeft de dichter de taak om de grenzen van het verstand voortdurend op te rekken door de grenzen van zijn taal op te rekken?

Zelf hou ik van gedichten die niet meteen te doorgronden zijn. Er mag heus wel wat denkwerk bij komen kijken. Niet alleen om ze te lezen maar ook om ze te schrijven. Voor mij – hoe verstaanbaar ik mijn poëzie ook probeer te houden – is een gedicht altijd een samengaan van, laten we zeggen, hart en hoofd. Misschien is de poëzie wel een vorm van filosofie maar dan een filosofie die alle mogelijke absolute antwoorden gewoon openhoudt. En het raadsel van de mens en van het leven nog groter maakt dan het al is.

Een heel mooie gedachtegang die ons naadloos naar het intimistisch alledaagse van de cycli Fragmenten van het huis en Een jaagpad in de regen brengt. In die cycli komen huiselijkheid en werelds geluk samen te vallen. In welke mate is poëzie voor jou een manier om mooie momenten vast te leggen en te bewaren?

Ondanks de toestand van de wereld en de invloed van allerhande bullebakken van internationaal niveau die mij – net zoals velen onder ons – zorgen baart, acht ik mij absoluut geen ongelukkig mens. Laatst hadden we het er thuis over naar aanleiding van een krantenartikel. De vraag was hoeveel zou je jezelf als geluksgevoel geven op een schaal van 1 tot 10. Mieke, mijn vrouw, en ik kwamen zowaar uit op een cijfer van acht plus. Soms vertaalt dat gevoel zich ook in de toon en ook het onderwerp van mijn poëzie. Een gedicht als Jaagpad bijvoorbeeld eindigt bijna met een boutade: Geluk is een jaagpad in de regen. Meer en meer besef ik dat het vooral de kleine dingen zijn die het leven zeer de moeite waard maken. Het gedicht ‘Een stem in de tijd’ eindigt met de slotsom: En nooit, nee nooit/ de genade vergeten van dat ene leven/ dat het jouwe is, en niet van een ander.

In de cyclus Het omber en het oker lijk je poëzie en schilderkunst nog dichter bij elkaar te brengen. Je gebruikt kleuren, materiaal/materie, verhoudingen, contouren en lichtschakeringen als uitgangspunt, maar schildert met woorden. Hoe ervaar je die verwantschap tussen beeldende kunst en poëzie?

Die verwantschap is bij mij toch wel zeer aanwezig. Ik wil hier ruiterlijk toegeven dat ik wat afgunstig ben op mensen die er in slagen om op creatieve manier getuigenis af te leggen zonder daarvoor het gesproken of geschreven woord nodig te hebben. Ik heb zelf tijdens een paar blauwe maandagen wat geschilderd. Maar het resultaat was niet van die aard dat ik er ooit aan heb gedacht om daar veel mee naar buiten te komen. Misschien maar best ook. Maar het illustreert wel de affiniteit die ik heb met de plastische kunst. De vrijheid die ik ooit ondervond toen ik – niet gehinderd door veel technische bagage – probeerde te schilderen leek me ook veel groter dan die van het schrijven. Maar misschien zullen echte schilders en kunstenaars daar wel anders over denken. Enfin, wat mij zeer intrigeert, zowel in de poëzie als in de plastische kunst, is de spanning die er heerst, het verschil tussen Kijken en Zien. Al klinkt dat natuurlijk vrij cryptisch.

Je bundel wemelt van verwijzingen naar dichters, filosofen, kunstenaars en zelfs persoonlijke figuren zoals je vader en je zoon. Zijn deze mensen ankerpunten in je poëtica of duiken ze eerder spontaan op in je schrijfproces? En in welke mate zie je poëzie als een dialoog met anderen – zowel grote namen als intieme, persoonlijke stemmen?

Vaak zijn de onderwerpen al veel langer aanwezig dan dat ik er effectief over ga schrijven. Maar ik weet wel dat ik er vroeg of laat, wanneer de tijd er rijp voor is, over zal schrijven. Op mijn laptop heb ik heel wat bestanden met titels van gedichten die nog niet geschreven zijn. Het gebeurt onderweg, dingen die je ergens tegenkomt, of dingen die je leest. Alles kan voor inspiratie zorgen. Alles kan een thema zijn. Maar doorgaans is het wel zo dat de onderwerpen mij eigenlijk overkomen zonder dat ik ze zelf opzoek.

De vele oorlogen en het geweld dat de wereld momenteel teistert laten je duidelijk niet onberoerd. Je roept Baudelaire op als getuige van het duister dat opnieuw deemstert doorheen de dagen, brengt Pernath in herinnering wiens werk doordrongen is van oorlog en trauma. Draagt een gedicht op aan de vluchtelingen die ondanks het vastlopen in taal, het opgejaagd worden, het ontheemd zijn het vuur diep van binnen brandende weten te houden. Wat vermag een dichter tegen de onmacht die hij ervaart mens te zijn?

Er zijn actueel dingen en ontwikkelingen in de wereld aan de orde waar je als je zoals ik al een aantal decennia hebt mogen meemaken licht verbijsterd en vol onbegrip naar zit te kijken. Het is moeilijk om er met je aanleg als verlate soixante-huitard met je gevoel en verstand bij te kunnen. Het maakt ook dat ik steeds moeilijker licht en onbevangen poëzie en proza kan schrijven. Je kunt wel terugplooien op jezelf en soelaas zoeken in de taal maar veel zorgeloosheid kan ik tegenwoordig niet meer in mijn gedichten toelaten. Verontwaardiging vergt een accurate taal. Wanhoop en onmacht, én engagement,  vormgeven al evenzeer. Niettemin mag daarbij ook het taalplezier niet ontbreken.

Met de cyclus Het heimwee van de bladen naar het boek introduceer je dagboekgedichten, en in de afsluitende Lamento-reeks komt afscheid nemen sterk naar voren. De poëzie lijkt er sterk op thuis komen op een vertrouwde en tegelijk (nog) onbekende plek. Poëzie is een eindig instrument, beperkt door taal en vorm, en toch lijkt het vaak te reiken naar het onzegbare, het oneindige. Hoe ervaar je die spanning?

In het begin van dit gesprek zei ik al dat ik al zowat een halve eeuw met poëzie bezig ben. Poëzie is en blijft een constante in mijn leven… die nooit weggaat. Da’s een zekerheid. En zowaar ook een troost. Met de jaren die voorbijgaan ervaar je de intensiteit van veel dingen veel meer dan toen je jonger was. Een pak mensen die je dierbaar zijn of waren zijn er niet meer. Dus ook dat speelt mee in het proberen te vatten van de eindigheid van het leven en al die dingen die voorbijgaan zonder dat je er erg in hebt. Poëzie is dus ook een manier om zij die er niet meer zijn te herdenken. Of te gedenken. Om te bewaren ook. En om vast te leggen wat eigenlijk niet vast te leggen is.

Schrijver Frank Pollet roemt je poëzie om de perfect gekozen woorden en subtiele zinswendingen. Hoe kijk je zelf naar het schrijfproces? Is poëzie voor jou eerder de zoektocht van een ambachtsman naar precisie en betekenis, of eerder een intuïtieve beweging richting iets wat nog niet volledig te vatten is?

Ik denk dat intuïtie bij mij een grote rol blijft spelen. Intuïtie lijkt mij een erg belangrijk instrument in de taal. Maar ook in het leven. De woorden moeten zich bij wijze van spreken bij mij een beetje opdringen vooraleer ze in een gedicht terechtkomen. Dagelijks noteer ik wel heel veel maar het is lang niet zeker wat ik van al die notities ook echt ga gebruiken. Of wat bruikbaar zal blijken. Uiteindelijk komt het er dan toch op neer dat inspiratie wel een mooie factor is maar dat het schrijven uiteindelijk vooral neerkomt op ambacht en werken. En dat je gewoon aan de slag moet gaan. All the rest is silence…

Over stilte (en stil komen te staan) gesproken. De laatste cyclus De acht letters van het woord afscheid is uiterst kort maar blijft lang nazinderen. Het is de plek waar de hemel invalt, gewend moet worden aan het idee dat niets ooit zo eindig was als een zachte bries in het ochtendraam. Waar taal wordt aangetast, het ik wegvalt in het ons. Het gezang van de merel het donker haast onhoorbaar doet oplichten. Waar de dichter op zoek gaat naar een plaats die een plaats zal zijn zonder jou. Vaak wordt gezegd dat rouw een vorm van liefde is die nergens terecht kan. Hoe bereid je je voor op een afscheid dat eigenlijk nooit helemaal af is – een verlies dat zich blijft aandienen in herinneringen, momenten en stiltes?

Afscheid nemen hoort bij het leven. Dat we er vroeg of laat dood-gewoon niet meer zullen zijn ervaar ik persoonlijk niet als problematisch. Voor mij is de ‘invulling’ van dat ene leven dat je gegeven is, een manier om zin te geven aan deze vreemde episode die we het leven noemen…

Hoe vul je jouw poëziekalender anno 2025 verder in, Paul?

Altijd staan er bij mij wel een aantal cycli van nieuwe gedichten in de steigers. Zo werk ik momenteel aan verschillende reeksen met als werktitels ‘Abri’, ‘Liederen voor de Steenweg’ en ‘De as van Pasolini’. Ik hoop die in het lopende jaar ook helemaal af te ronden. En zeker wil ik ook aan wat proza werken. Uiteraard ben ik intussen blij met de publicatie van Het Omber en het Oker waarvoor ik uiteraard – op sociale media en elders – de nodige publiciteit wil maken. Er staan alvast een aantal samenwerkingen in het vooruitzicht. Zo lees ik op 23 september bij de voorstelling van een cd van Tender Lion in Tielt een flink stuk uit mijn nieuwe bundel en op 24 september ben ik te gast bij Radio Tequila in Deinze. Voldoende dingen dus om naar uit te kijken.

Dank je wel, Paul, voor dit openhartige interview! En ik wens je veel nagenieten-met-anderen van de bundel! Te beginnen hier met de volgende drie gedichten:

Een stem in de tijd

Passer

Goin’ up the country




*** *** **

Francis Cromphout bespreekt ‘Het Omber en het Oker’

Vrijdag 11 april 2025

Op De Schaal van Digther bespreekt Francis Cromphout mijn nieuwe bundel ‘Het Omber en het Oker’! Het is een mooie en warme recensie geworden waarvoor veel dank, Francis!
Dit is het linkadres:
https://digther.blogspot.com/2025/04/poezie-als-een-bedachtzame-oefening-in.html

Poëzie als een bedachtzame oefening in empathie

Het Omber en het Oker” is de titel van de zesde dichtbundel van Paul Rigolle. Hij verwijst hierbij naar aardkleurige pigmenten die vanuit de natuur hun weg vinden in de kunst. Deze titel bevat ook een taalspel die het nauwe verband toont tussen de fysieke ervaring van deze diepzinnige dichter en fietser met de poëtische taal. Zo leest men in het prachtige gedicht “Jaagpad”: “trage wegen dragen ons als leestekens in het landschap”.

De bundel bevat zes cycli die zijn persoon in diverse hoedanigheden weergeven. In “Een stem in de tijd” onderzoekt hij zijn dichterschap dat hij ziet als een “Missie”: “over de wereld, over de dagen en de dingen zal je zingen als zonder reden”. “Als”, maar niet echt zo, want zijn poëzie betracht een terugkeer in de tijd naar “de eerste taal” en dit aan de hand van verrassende beelden zoals “de dichter gooit de vogel als een handschoen op het plein” en “ wuivend, wevend keert hij terug in de tijd en in de taal”. Geduldig arbeidt hij via “de trage triomftocht van het gedicht” om op die wijze “ergens even (te) zijn, even (te) blijven” en “een stem te hebben in de tijd”.

In“Fragmenten van het huis” bezingt hij het huiselijk geluk. Hiervoor dompelt hij zich diep in de tijd “als een dier dat in holtes woont”om van daaruit opnieuw de weg te vinden “naar waar ik al jaren werk en woon en schrijf”. Dit huis is de plek van de liefde die hij deelt met zijn vrouw: “het huis plooit ons open…leest ons gulzig bij elkaar” en “het licht in de kamer (mag er) samen met ons van geluk spreken”. Een geluk dat hij vastlegt als “een bevroren beeld, rond een tafel geschaard…als aan de beide zijden van een evenaar”.

Rigolle’s fascinatie voor kunst en schoonheid komt aan bod in de cyclus “Het Omber en het Oker”. Hij stelt dat “wat je erft, is waar je aan moet komen, een plek, een taal, dingen die getuigen”. Dit is bijvoorbeeld een smidse of een schildersatelier waar hij is “alleen met een penseel van varkenshaar dat op het linnen van de wereld niets dan wonden hechten wil”.  Sterker kan de dichter doorheen de artistieke betrachting van de schilder zijn diepgeworteld mededogen met mens en wereld niet uitdrukken. In het gedicht “Het Omber en het oker” toont hij de afhankelijkheid van de schilder van het kleurenpalet: “Op hun ovaal ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij”. En de huizen die hij schildert weten dat hij hen geen angst voor het donker wil bezorgen “als hij hen met zorg tussen de sneldrogende heuvels van hun keuze “ schuift. “Roebel” heeft het over de tijd als een “ding waarin je kijken kunt”, een reis naar Sint-Petersburg bijvoorbeeld waarbij het beeld verschijnt van kinderen  “met kleine uitgestoken handjes,  bedelend om wat Roebel”.

Het werelds geluk vinden wij verwoord in ”Een jaagpad in de regen”.In het gedicht “Mijn stad” breekt “ op elke rotonde een beeld de hemel open” en “wie hier wil wonen zoekt niet meer naar een reden om hier te blijven”.”Mohair” schreef hij voor een cluster hoofdpijn patiënt. Mohair is er als herinnering aan pijnloze zachtheid en de dichter verzet zich tegen het idee dat pijn “bij het lichaam hoort als de schaduwkant bij een gebouw”. Ook drukt hij de hoop uit dat de pijn “op een dag in het niets verdwijnt. In “Camino, met Hindemith in het oor, komt hij  – iets wat mij doet denken aan het gedicht “Caminante” van Antonio Machado -, uit “waarheen de weg dat van ons wil”. En in het prachtige “Jaagpad” komt hij tot het besluit: “geluk is een jaagpad in de regen”.

Het heimwee van de bladen naar het boek” is met zijn dagboekgedichten de meest persoonlijke cyclus. Mooi is “Alles voor de film” dat herinnert aan het ogenblik waar een vader en een zoon (zijn zoon filmmaker Jasper) aan elkaar gelijk worden..”Croix de fer” is de col die hij al fietsend bedwingt met de gedachte aan de legendarische renners die hem daar zijn voorgegaan.

Ontroerend is “Rustoord” dat een liefdevol eerbetoon is aan zijn vader met de mooie, maar schrijnende slotzin ”alles maak ik voor hem mooi, terwijl hij in mij ogen kijkt en iemand anders ziet”. ”Bypass” verwoordt de “vurige hoop…dat morgen de glans terugkomt in jouw ogen”. In “Nauwelijks een gerucht” is niets hoorbaar op de dag waar nochtans intens gecommuniceerd werd zonder woorden  en de bladen “mateloos (trillen) in hun heimwee naar het boek”. Bij een afscheid (de fotografe Maaike Bearelle) stond een torenkraan als een knipmes boven de stad die dag in november”. Deze en andere mooie beelden zijn een poëtische oefening in empathie, die de dichter als volgt verwoordt: “Vereeuwigd hoeven we niet te worden, Eén ogenblik lang het licht vast te mogen houden in de blik van mensen, kan volstaan”.

In de laatste cyclus “De acht letters van het woord afscheid”, wordt de oefening in empathie verder gezet in de drie gedichten die gewijd zijn aan zijn betreurde vriend Dirk Pollet. ”Bries” is het beeld dat de dichter gebruikt om de eindigheid te verwoorden: “Valt dan de hemel in bij wie net als jij wennen moet aan het idee dat niets ooit zo eindig was als een zachte bries in het ochtendraam”.

Merel” vertelt de aftakeling van wie zal sterven. Maar als “alles wat geweest was aan je oog voorbij (trok)” kan hij als bij wonder noteren“hoe onhoorbaar soms de merel zingt tot het ochtend wordt”. In “Krijt” beschrijft Rigolle de dood  als “het ik valt weg in het ons”. Zacht maar onherroepelijk is het einde. “Nog even staan de woorden in het krijt tot ze door de regen worden uitgewist”. Je moet een groot dichter zijn om doorheen deze uitgelezen beeldspraak de menselijke conditio zo treffend weer te geven.

© Francis Cromphout

PaulRigolle, “Het Omber en het Oker”, gedichten, Uitgeverij P, Leuven, 2025, 19,5 euro.

—————————————————————————–

Tweespalten

Pascal Cornet bespreekt ‘Het Omber en het Oker’
Facebook-post van Do 10/4/2025

Pluk
Iedereen die mij een beetje kent weet dat ik veel waardering heb voor de mens en schrijver Pascal Cornet. Hij was niet alleen op de voorstelling van ‘Het Omber en het Oker‘ aanwezig in De Snuffel (wat mij veel plezier deed) maar hij heeft intussen de bundel ook zeer aandachtig gelezen. Waarvoor veel dank. Cornet zorgt met ‘Tweespalten‘ voor een recensie die in geen enkel literair tijdschrift zou misstaan. Ook zijn slotsom is er een die ik graag noteer:

Het Omber en het Oker” is een bedachtzaam, traag en afwachtend tot stand gekomen bundel waar de lezer veel pluk aan heeft. “
Hieronder lees je de volledige recensie

‘Alsof je bent voorbestemd om alles / vast te houden moet en zal je zingen.’ Zo begint ‘Missie’, en meteen ook *Het Omber en het Oker*, Paul Rigolles eerste bundel in twaalf (!) jaar. Dat openingsgedicht, meteen een intentieverklaring, eindigt als volgt:

Over het pierewaaien, het konkelfoezen
van de taal en de tijd die jou gegeven is,
over de wereld, over de dagen en de dingen
zul je zingen als zonder reden.

‘Konkelfoezen’ betekent zoveel als samenzweerderig en onhoorbaar, en dus onbegrijpbaar voor anderen, iets bedisselen. Ik lees hier dat de dichter niet alles weet over zowel taal als levensduur.

Het ‘Alsof je bent voorbestemd’ (de eerste woorden van het gedicht) contrasteert met het zelfrelativerende ‘als zonder reden’ (de laatste woorden). De dichter zou zichzelf met voorbestemdheid een grote allure kunnen toemeten, maar hij stelt die hoge verwachting meteen bij: hij zal ‘zingen als zonder reden’. Toch is zijn aan zichzelf toegemeten taak (‘moet en zal’) niet van belang gespeend want:

In naam van velen, leen je een stem aan
wie op een dag zonder spoor verdween.

Waarbij in het midden wordt gelaten wie die spoorloos verdwenene dan wel mag zijn – al heb ik een sterk vermoeden dat Rigolle het hier minstens ook over zichzelf heeft (naast de dierbaren die hem al zijn ontvallen en die hij hier en daar in zijn bundel een stem geeft en zodoende gedenkt). Rigolle mag dan een bescheiden dichter zijn of willen zijn (hij zingt ‘als zonder reden’), hij aarzelt toch ook niet om zichzelf, als persoon, een schier kosmisch belang toe te dichten: ‘Een stem te hebben in de tijd / niets meer en niets minder.’ (‘Een stem in de tijd’). Maar ook hier botst het plechtstatige met een relativerende inschatting van de eigen betekenis, in zowel tijd als ruimte: ‘Ergens even zijn, ergens even blijven.’ En:

weten dat wij – moleculen in een heelal
waar we enkel naar kunnen raden –
niets dan toeval zijn. En nooit, nee nooit
de genade vergeten van dat ene leven
dat het jouwe is en niet dat van een ander.

Paul Rigolle balanceert met zijn poëzie op de spanningsboog tussen nietigheid en uniciteit. (Is dat niet de uitdaging voor elke dichter en bij uitbreiding elke kunstenaar?) Want het bestaan, zijn bestaan, mag op kosmologische schaal gemeten (ik denk als vanzelf aan Luceberts kruimel op de rok van het universum) een nietig toeval zijn, de dichter zal en moet zich daartegen verzetten: ‘ons brein // laat niets aan toeval over’. Het mag dan al een vorm van ‘hoogmoed’ zijn, de dichter moet ‘[k]eer op keer’ de waarheid omdraaien ‘en wachten / op de lessen die het leven ons moet geven’. Hij moet ‘van elk plafond // een hemel’ maken. De dichter is een aan de aarde (aan zijn nietig- en sterfelijkheid) gekluisterde hemelbestormer. (Alle citaten in deze alinea uit ‘Okkernoot’.)

Het ‘zingen als zonder reden’ van het openingsgedicht lijkt op een gebrek aan verantwoording te wijzen, op het ontbreken van een beredeneerde en dwingende poëtica. (Of toch minstens op het niet nadrukkelijk aanwezig zijn ervan.) Niettemin licht Rigolle toe wat dat zingen zonder reden voor hem betekent. Schrijven lijkt in elk geval een receptiviteit, een passiviteit in te houden. In ‘Dag Ludwig’ spiegelt de dichter Rigolle zich aan Wittgensteins pleidooi voor zwijgen (‘Waarover men niet spreken kan…’). En als het dan geen zwijgen kan zijn, dan toch minstens een gezonde portie bedachtzaamheid: ‘Vooraan op de tong ligt, // na al die jaren, nu ook bij mij het woord / dat vaker niet, dan wel geschreven wordt.’ Maar zwijgen kan de dichter – op straffe van geen dichter te zijn – natuurlijk nooit helemaal: ‘Tot iemand zichzelf verrast en wel / in het wonder van het schrift verstaat.’

Rigolle lijkt mij hier te suggereren dat hij niet de volledige controle uitoefent over zijn schrijven, over de manier waarop de woorden ontstaan en, zich aaneenrijgend, gedichten vormen. Wellicht bedoelt hij iets gelijkaardigs wanneer hij in het titelgedicht van zijn bundel – dat niet over dichten maar over schilderen gaat – stelt: ‘En toch ben ik het niet. Op hun ovaal [van het schilderspalet?, PC] / ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij.’

Tussen actieve controle en passieve inspiratie: schrijven is een noodzaak. In het (erg sombere) klimaatcrisisgedicht ‘Toeverlaat’ heet het:

de woorden van de dichter krullen in het vuur.
Uit de botten van de taal – niets dan taal
en toeverlaat – snijdt hij een instrument
voor het spelen van een tragisch lied.

Hoe het komt dat de nieuwe bundel zo lang op zich heeft laten wachten, weet ik niet, maar de manier van schrijven – de bedachtzaamheid en het wachten die daarmee gepaard gaan – zal er zeker niet vreemd aan zijn. ‘Wat er komt en wat er staat valt nog lang / niet af te lezen van het blad.’ (‘Orgelpunt’). Rigolle hengelt niet naar snel en gemakzuchtig succes: ‘Het haantjesgedrag van hen / die garen spinnen van het rijm’ (let op het kluchtige contrast van haan en hen). Schrijven is verduldig schrappen: ‘Niets // valt op zolang het niet ontbreekt’. Het is een werk van lange adem vooraleer de dichter, zeer op zijn hoede voor rijm, humor, zoemende en zingende ‘zoete mechaniekjes’, zijn gedicht ‘welhaast geluidloos’ kan laten meestappen in een ‘trage triomftocht’.

Op die traagheid komt Rigolle nog eens terug in ‘Jaagpad’. Dat gedicht gaat over geluk maar ook over schrijven en over het leven in de avond des levens. Het begint als volgt:

Trage wegen dragen ons als leestekens
in het landschap. Even halt te houden,
even een punt te zetten. Kijkend naar
wat achter ons ligt en naar wat nog
moet komen, zoveel tijd is er ons gegeven
om ons niet te moeten haasten.

Ik heb het in deze bespreking niet over de gedichten over huis en huiselijkheid gehad (in de cyclus ‘Fragmenten van het huis’) en over beeldende kunst en het ervaren van schoonheid (de cyclus ‘Het omber en het oker’).

In weerwil van de ouderdom (‘Veel rest er het slome, vermoeide lichaam niet.’ (‘Respijt’)) blijft Rigolle vatbaar voor geluk. Bijvoorbeeld bij het fietsen op een Franse berg (‘Croix de fer’): ‘Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!’. Of bij de liefde, met dien verstande dat zij de fundamentele eenzaamheid nooit ongedaan kan maken: ‘het lieve leven verscheurt ons bij elkaar’ (‘Respijt’).

Dergelijke tweespalten zijn *passim* aanwezig in deze bundel: verscheuren/liefde; ‘Er zal neergang zijn en verblijding!’ (‘Mijn stad’); ‘Eén ogenblik lang het licht vast te mogen / houden’ versus de eeuwige duisternis van de dood (‘Knipmes’, een gedicht over een te jong overleden fotografe); pijn en satijn (‘Mohair’):

Altijd is er de hoop dat alles
wat ons aan pijn en puin in lichterlaaie zet,
op een dag in het niets verdwijnt.

Het Omber en het Oker is een bedachtzaam, traag en afwachtend tot stand gekomen bundel waar de lezer veel pluk aan heeft.

© Pascal Cornet

Paul Rigolle, Het Omber en het Oker, uitgeverij P

Website Pascal Cornet
Tweespalten bij Pascal Cornet

Inleiding van Tania Verhelst op ‘Het Omber en het Oker’ op de VWS-site ‘Dun lied donkere draad’


Op de VWS-site ‘Dun lied donkere draad‘ staat intussen dankzij de goede zorgen van Koen D’Haene de inleiding die dichter Tania Verhelst op zondag 23 maart 2025 uitsprak bij de voorstelling van de bundel in het Snuffel-Hostel in Brugge.

Hier volgt de tekst:

Op zondag 23 maart stelde dichter Paul Rigolle in Brugge zijn nieuwe poëziebundel Het omber en het oker voor.

Paul houdt al zowat een halve eeuw de dingen en de dagen bij. Sinds vele jaren is hij bestuurslid van de VWS en mederedacteur van Jaarwerk, het literaire jaarboek van de vereniging. Maar Paul doet nog veel meer. Hij vult dozen met schrijfsels en notities en rapporteert en registreert literaire gebeurtenissen op literaire blogs en sociale media. Er is weinig dat hij niet ziet, niet hoort, niet leest en niet schrijft.

Vaak zijn er gedichten, soms een nieuwe bundel. Paul’s nieuwste bundel Het omber en het oker (uitgeverij P.) kreeg een fijne voorstelling in de Brugse Snuffel. Er was heel veel volk afgezakt naar de stille Brugse binnenstad. Tania Verhelst leidde de bundel in, Paul vertelde over zijn gedachten en gedichten in dialoog met Edward Hoornaert en las en signeerde er vervolgens op los. De warme jazz- en diepe bluestonen van ‘The Caravan Juke Joint Band’ maakten de literaire morgen compleet.

Maar de meeste aandacht moet naar de nieuwe bundel gaan. Hieronder lees je de integrale tekst van de inleiding van dichter Tania Verhelst. Je krijgt meteen een kleine bloemlezing uit de bundel.

” Paul Rigolle vroeg mij zijn bundel in te leiden. Ik zal dat doen aan de hand – hoe anders – van zijn gedichten. Ik ga er geen grote analyses op los laten, dat laat ik over aan de schriftgeleerden, maar vooral die gedichten uitkiezen die ik mooi vind, die mij raken en u laten meegenieten.

Wat mij opviel: Paul Rigolle is een man die kijkt. Hij kijkt naar dingen, mensen en onderzoekt dat kijken in zijn taal.

In ‘Jaagpad’ klinkt

Trage wegen dragen ons als leestekens
in het landschap. Even halt te houden,
even een punt te zetten.

In enkele beelden vangt hij een wereld. Een wereld die voorbij is, of een wereld die zich in al zijn intimiteit toont.

Zo zegt hij in het gedicht met als titel ‘Interieur’:
Badend in het avondlicht plooit het huis ons open,
leest ons gulzig bij elkaar.

Zelfs geluiden worden zichtbaar gemaakt:

Een torenklok morst met klanken, veegt ons de mantel uit
 (‘De tocht van Fibonacci’).

Ook het gedicht ‘Knipmes’ begint met een observatie:

Er stond een torenkraan als een knipmes
boven de stad

Het is een in memoriam gedicht voor iemand die ook door kijken bezeten was, een fotografe.
Het eindigt met:

Vereeuwigd hoeven we niet te worden.
Eén ogenblik lang het licht vast te mogen
houden in de blik van mensen, kan volstaan.

En weten dat wat bij de gratie
van het beeld wordt vastgelegd,
ons al zoveel langer voor ogen staat.

Die gratie van dat ene ogenblik vat hij ook in de act van de wielrenner:

Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!
De weg die klimt sloopt wat je voor het laatst
had opgespaard. Het leven hier heeft aan zichzelf
genoeg. Een intens geluk is het om voor eeuwig
en een dag in dit decor een figurant te mogen zijn.

Wat wil je dan met al dat kijken? Misschien klinkt iets van een antwoord in het gedicht ‘Atelier’:

Van de verf de gedaante. In staat tot veel,
bereid tot alles. En alleen, tot op het laatst
alleen met een penseel van varkenshaar
dat op het linnen van de wereld
niets dan wonden hechten wil.

Hij kijkt naar de wereld en laat de wereld naar hem kijken. En soms lijkt zijn perspectief open te barsten in een ander perspectief.

De dichter plaatst ook vraagtekens bij dit hier en nu. In vele gedichten laat hij een andere werkelijkheid om de hoek kijken. Of in een denkbeeldige toekomst kijkt hij naar een denkbeeldig verleden. Daarbij is de ik-figuur oud, ouder dan de geschiedenis van een mens. Wat te denken van de perspectieven in het volgende gedicht

Evenaar

Elke kier en kamer ken ik, elke vezel
van dit huis. Niet eens zeker of ik
wakker ben of waak herinneren zich
in mij de diepste tijden.

Zoals het dier zichzelf herhaalt, opnieuw
in holtes woont, zich opricht plots
en rechtop gaat lopen verdwijn ik naar waar
ik al jaren werk en woon en schrijf.

En wij beiden als zon en maan, ooit bevriest
ons beeld. Ooit vindt men ons nog wel ‘s
in de boeken van een uitgestorven soort terug:
exemplarisch, rond een tafel geschaard

als aan de beide zijden van een evenaar.

En natuurlijk gaat het om meer dan kijken. Kijken is ook maar een excuus om te zien wat je niet kunt zien. In respijt komen vele thema’s samen. liefde, vergankelijkheid, ouder worden, tijd, zorg, maar dan veel mooier verwoord dan deze grote woorden dat kunnen:

Respijt

Veel rest er het slome, vermoeide lichaam niet.
Op dagen als vandaag legt het zich met zorg
en zonder aarzelen onder jouw handen
en het gestreel van hun vingertoppen neer.

Dit is een dag die niet veel van het leven vraagt.
Weinig om het lijf en tot zachtheid voorbestemd
haal ik adem in een huis dat ons tot schuilplaats dient.
Buiten trekken vrachtboten lijnen in het kanaal.

Af en toe lijkt het alsof je een misthoorn hoort.
Een thuiskomst zonder huis, een bed zonder dons
of lakens, het lieve leven verscheurt ons bij elkaar.
Respijt, dat pas, is een woord waarvan ik hou.

En tot slot lees ik het titelgedicht waar alles samenkomt: schilderen, schrijven, lezen, dankbaar zijn om zoveel leven

Het omber en het oker

‘don’t be afraid of the dark’
The Robert Cray band.

Zoveel dagen zijn er, zoveel nachten
waarop ik niet meer weet hoe, of waar
ik de bergen wil. Er is het blauw waarbij ik
aarzel of ik naar de hemel ga. Er zijn
het omber en het oker, het geel uit Napels.

Er is het schreeuwen van het rood. Wit
dat blind en stom aan al mijn handen likt.
En toch ben ik het niet. Op hun ovaal
ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij.

De spiegel maakt geen bezwaar dat ik
in hem mijn ogen doe. En de huizen,
de huizen weten best dat ik in hen
geen wanhoop, geen angst voor het donker wil,
als ik hen met zorg tussen de sneldrogende
heuvels van hun keuze schuif.

Het omber en het oker van Paul Rigolle verscheen bij Uitgeverij P.

(Verslag: Koen D’haene)

Facebook-bericht van 31/3/2025

Het feestje van het Omber en het Oker

“Ook signeren kan een feest zijn!” – Foto (zoals alle foto’s in dit bericht): © Willy Brandt

Het feestje van het Omber en het Oker

Veel, heel veel dank aan zij die zondag 23/3/2025 om 11:00 uur de weg naar de Snuffel vonden. En naar ‘Het Omber en het Oker’. Blij met de bundel! Blij met de talrijke opkomst! Blij met de logistieke steun ook van de Snuffel! Veel dank aan Willy Brandt voor de schitterende foto’s!!! (Eén voor één om te ‘liken‘). En ook veel dank aan The Caravan Juke Joint Band (Muziek), Tania Verhelst (Inleiding), Edward Hoornaert (Gesprek), Pol Delameillieure (cover vooraan), Goedele Peeters (cover achterflap) en wie ik nog allemaal zou vergeten. Ook veel dank uiteraard aan mijn uitgever Leo Peeraer en Uitgeverij P voor de mooie, verzorgde uitgave. En nu wens ik aan iedereen – ook aan zij die er niet waren – véél poëtisch leesgenot.

In bijlage: een galerij met een flink pak foto’s van ©Willy Brandt, om de mooie voormiddag blijvend te memoreren.
De foto’s en het bericht kun je ook nalezen en bekijken via deze Facebook-link.

Alle foto’s uit deze galerij zijn © Willy Brandt
Deze foto’s kun je ook één voor één bekijken via deze openbare Facebook-post

De Snuffel is er klaar voor (en wij ook)!

Zaterdag 22 Maart 2025
Enkele laatste richtlijnen

Morgen verwelkom ik jullie graag in De Snuffel (Ezelstraat 42, Brugge) voor de voorstelling om 11:00 u. van ‘Het Omber en het Oker’.
Voor wie komt, hier nog wat ‘laatste praktische richtlijnen’:
Met de auto:
De Brugse Ezelstraat is na werken gelukkig opnieuw open. Er is een openbare parking op amper 300 meter van de Snuffel: Hugo Losschaertstraat 5 (zijstraat Ezelstraat aan het Achiel VanAcker-pleintje).

Voor wie met de trein komt is het volgens Google Maps vanuit het Brugse Station een klein halfuurtje stappen (moet te doen zijn, toch?)
Je kunt vanaf het station ook een bus nemen naar het Centrum. Vanaf de Grote Markt is het naar de Snuffel nog 9′ stappen… 🙂

(En met de fiets was je er … al geweest… 🙂 )

Alvast blij om jullie te mogen verwelkomen!

Op het programma: Tania Verhelst (inleiding) – Edward Hoornaert (gesprek) – Paul Rigolle leest 6 gedichten en er is muziek van de Caravan Juke Joint Band. Leo Peeraer van Uitgeverij P reikt de eerste exemplaren uit, waarna drankje(s) en uiteraard het betere signeerwerk.

De Snuffel Hostel, Ezelstraat 42, 8000 Brugge – 32 50 33 31 33
https://snuffel.be/hostel/
https://paulrigolle.be/het-omber-en-het-oker/

Bespreking van het gedicht ‘Interieur’ op Roer:
“Leesbaar licht, hoorbare stilte”
https://www.roer.me/post/leesbaar-licht-hoorbare-stilte

Renaat Ramon over ‘Jaagpad’:
Geluk in de regen
https://paulrigolle.be/geluk-in-de-regen/

Facebook-bericht van zaterdag 22 maart 2025

Het Omber en het Oker – De uitnodiging

Paul Rigolle & Uitgeverij P
i.s.m. het Brugse Snuffel-hostel
nodigen u en uw vrienden graag uit
op zondagmorgen 23 maart 2025 om 11:00 u
in de Snuffel, Ezelstraat 42, 8000 Brugge
op de voorstelling van ‘Het Omber en het Oker’, zijn zesde dichtbundel

Programma

Tania Verhelst, dichter en plastisch kunstenaar, leidt de bundel in
Edward Hoornaert, dichter, spreekt met Paul Rigolle
Paul Rigolle leest een aantal gedichten uit de bundel

Er zijn muzikale intermezzi van “The Caravan Juke Joint Band” (Peter Verberckmoes en Dirk de Cleen)
Na de overhandiging van de eerste exemplaren door uitgever Leo Peeraer wordt een drankje aangeboden
Signeersessie

Toegang gratis. Het is raadzaam vooraf een plaatsje te reserveren via email aan contact@uitgeverijp.be of paul.m.rigolle@gmail.com

Gelieve te antwoorden via onderstaande antwoordkaart voor 21 maart 2025 aan Uitgeverij P, Sint-Antoniusberg, 9, 3000 Leuven

Tel. 016 23 12 45 – E-mail: contact@uitgeverijp.be


Een stem in de tijd

Blindelings het hart van motoren vinden
en in het hout van gevallen bomen
de zwakke plekken aan te wijzen.

Bladwijzers in documenten, stenen
voor de stad, mijn hand op jouw hart,
alles met aandacht aan te brengen.

Ergens even zijn, ergens even blijven.
Een stem te hebben in de tijd
niets meer en niets minder.

Muren slechten, slopen wat uitzicht
op de einder hindert. Waar nodig
de onvertogen woorden laten vallen.

Wijn te drinken uit groene roemers,
weten dat wij – moleculen in een heelal
waar we enkel naar kunnen raden –

niets dan toeval zijn. En nooit, nee nooit
de genade vergeten van dat ene leven
dat het jouwe is en niet dat van een ander.

© Paul Rigolle
(gedicht uit de bundel)

Over Het Omber en het Oker

Het omber en het Oker is de zesde dichtbundel van Paul Rigolle.
In zes cycli haalt hij ook nu weer mét deemoed én met bravoure de onderwerpen die hem dierbaar zijn nader naar zich toe.
 
In Een stem in de tijd onderzoekt hij wat het betekent om als dichter in deze tijd verstrikt te raken in de halsstrik van de taal. De cycli Fragmenten van het huis en Een jaagpad in de regen leggen de sporen vast van huiselijk en ander werelds geluk. In de titelcyclus Het Omber en het Oker geeft hij volop ruimte aan zijn fascinatie voor kunst en schoonheid. Het heimwee van de bladen naar het boek bundelt dan weer een aantal erg persoonlijke dagboekgedichten om met de afsluitende Lamento-cyclus vast te stellen wat het is om alsmaar meer afscheid te moeten nemen van mensen die hem dierbaar zijn.

Net als met zijn eerder werk zorgt Rigolle met deze nieuwe bundel voor een persoonlijke diagnose van het menselijk bestaan in een steeds minder te vatten wereld en voor een eigen plaatsbepaling daarin.

Dichter Frank Pollet daarover: Al zo’n halve eeuw volg ik de poëzie van Paul Rigolle. En nog altijd blijft ze me verrassen met die perfect gekozen woorden, verrassende zinswendingen, subtiliteiten allerhande. Gedichten zoals ik ze graag lees en herlees. Echte Poëzie, dus.”

Okkernoot

Dat we trage dieren zijn met een intellect
dat schrijnt, het wordt beweerd, het staat
geschreven. De okkernoot van ons brein

laat niets aan toeval over. Keer op keer
draaien wij de waarheid om en wachten
op de lessen die het leven ons moet geven.

Steeds hogerop, ladderdrift mijn deel, wuif ik
weg wat ik niet wil weten. In een klassiek
en wild gebaar maak ik van elk plafond

een hemel. Wat er nog niet is zal ik maken,
hoogmoed zit mij als gegoten, past mij zoals
alleen een hoofd kan passen in mijn handen.

© Paul Rigolle
(gedicht uit de bundel)

Paul Rigolle

Paul Rigolle (°Roeselare,1953) schrijft poëzie en proza. Hij publiceerde eerder 5 dichtbundels en de wielerboeken Op de helling en Vélo-Dromen (samen met Patrick Cornillie). 

Rigolle is eindredacteur van De Schaal van Digther en bestuurslid van de VWS (Vereniging van West-Vlaamse auteurs) waarvoor hij cahiers bezorgde over de dichters Philip Hoorne, Magda Castelein en Patrick Cornillie.

In 2024 verscheen zijn essay ‘Wij worden erts dat niemand delft’ over de poëzie van Frank Pollet. Gedichten van hem werden in het verleden gepubliceerd in verschillende tijdschriften en ontvingen diverse literaire prijzen. 

Richard Foqué over Tot het bestaat zijn meest recente dichtbundel: “Elk woord staat waar het moet staan en draagt feilloos bij tot betekenis, vorm en ritme van het geheel. Voor de dichter Rigolle geldt – Descartes parafraserend – “Ik kan het schrijven, dus het bestaat”.

Naar aanleiding van het gedicht Jaagpad dat in Outrijve langs de Schelde staat en ook opgenomen is in deze nieuwe bundel, schreef Renaat Ramon in De Geus: “De poëzie van Paul Rigolle is noch dromerig noch woordspelig. Het is een poëzie waarin vaak kritische leestekens worden gezet.”

ANTWOORDKAART

Naam:……………………………………………………………………………………………………….
Adres:……………………………………………………………………………………………………….
…………………………….. Tel.: ……………………………………………………………………………
E-mail: ……………………………………………………………………………………………………..

° komt met …. pers. naar de Brugse Snuffel op zondagochtend 23 maart e.k.
° bestelt  …. ex. van ‘Het Omber & het Oker’ aan de voorintekenprijs van 18 euro
(vanaf 24 maart: 19,50 euro) en stort het verschuldigde bedrag op rekeningnummer Uitgeverij P: BE08 4310 5290 8113.

° haalt het bestelde op bij de boekpresentatie.
° Wenst het bestelde via de post te ontvangen en betaalt 5 euro portkost per ex.
Gelieve terug te zenden voor 21 maart e.k. naar Uitgeverij P, Sint-Antoniusberg 9 3000 Leuven 
– 016 23 12 45 – contact@uitgeverijp.be

Ook verkrijgbaar in de betere boekhandel.

Pagina: Het Omber en het Oker

Het Omber en het Oker – de cover


Ha, daar kan een mens werkelijk blij en compleet in zijn nopjes mee zijn! De cover van mijn komende dichtbundel ‘Het Omber en het Oker‘ is klaar en goed & wel bevonden!

Bij deze: graag nog ’s zeggen dat iedereen welkom is bij de voorstelling op zondag 23 maart 2025 e.k. om 11:00 uur in ‘Hostel De Snuffel” Ezelstraat 42 in Brugge. Een officiële uitnodiging met het programma volgt!

De bundel is een uitgave van Uitgeverij P.

Zevenblad#7

Vrijdag 27 December 2024

Zevenblad#7
Voorwaar een ontdekking van formaat! En erg blij dat er in het 7° nummer drie gedichten van mij mogen staan! Een drietal dat straks ook in “Het Omber en het Oker” wordt opgenomen. Andere bijdragen zijn voor de Beeldende kunst van Albert Van Der Weide, Angeline Lips, Barbara Polderman, Emily Kocken, Femke Vindevogel Art, Frans van Tartwijk en Miyuki Okuyama. En voor de poëzie van: Antoin Lender, Arno Kramer, Ellen Boersma, Inge Winter, Jasper Van Den Broek, Norbert de Beule, Paul Rigolle en Roelof Schipper.
Redactie: Menno Wieringa en Inge Pollet.

De vormgeving was in handen van Camille Cilja Caspersen van Werkplaats Typografie/ArtEZ.
Veel dank ook aan Valerie Plaatsmaken
Alle info over nr7 van Zevenblad:
https://plaatsmaken.nl/webshop/zevenblad-nummer-7-verkrijgbaar
Website: https://plaatsmaken.nl/
Facebook-bericht van Vrijdag 27 December 2024

Zevenblad#7 #plaatsmaken #hetomberenhetoker #kunstinArnhem #arnhem