Een mens die schrijft vindt veel teksten terug waarvan hij zich het bestaan niet meer herinnert. Of beter veel ‘aanzetten’ tot teksten waarvan hij in geen velden of wegen de essentie terug kan halen. Vandaag vond ik de beginwoorden van een recensie terug die ik nooit heb afgemaakt. Die ik dus met andere woorden nooit geschreven heb. Ze dateert van 12/2/2019…
Ik wil hier de naam van de besproken dichter niet vernoemen want dat doet er in deze helemaal niet meer toe. “De teksten van x smaken naar sjoekroet. Er blijven na lezing restjes tussen je tanden steken” lees ik nu.
Wat zou ik daar toen mee bedoeld hebben? Bij nader inzien lijkt het mij toch maar best dat ik die recensie toen in februari van dat vermaledijde precorona-jaar nooit heb afgemaakt… Per slot van rekening kan een mens immers nooit vrienden genoeg hebben in dit leven.
“Voor wie het bestaan een kwaal is en toch genezen wil”
Zondag laatst was het precies tien jaar geleden dat ik in de Brusselse Passa Porta, een hommage-avond mocht bijwonen voor dichter en ere-Penvoorzitter Albert Bontridder (1921-2015) die misschien, en wellicht, nog bekender was als architect. Op die avond van 11 december 2012 (‘ik was nog maar ‘s jarig, en gunde mezelf een prachtig Brussels cadeau’) die mee met Passa Porta werd ingericht door het Poëziecentrum en Het Beschrijf, namen – zo lees ik nu terug – Piet Joostens (intro), Tom Van Imschoot, Bert Kooijman, Frank de Crits, Braeckman Inge, Leonard Nolens, Carl De Strycker en Albert Bontridder het woord.
De gevierde dichter die toen al kwiek en alert de kaap van de negentig gerond had, ontving aan het slot van de hommage ook het eerste exemplaar van “Wonen in de vloed”, uitgegeven door het Poëziecentrum. Zelf had ik ooit, en zoals ik nu merk op het eerste blad van mijn gesigneerd exemplaar van de Verzamelde gedichten 1942-1972, op 11 januari van het jaar 1989, het genoegen om de dichter te interviewen tijdens een van de in het geheugen licht-legendarisch wordende Mayapan-avonden van Alain Delmotte in Kortrijk. Het blijft een warme herinnering die ik met niet veel andere wil of kan ruilen.
Maar waar het mij om gaat: vandaag is het fijn om een decennium later dankzij ‘de wonderen van You Tube’ de hommage-avond van 11/12/2012 nog ’s helemaal en integraal terug te kunnen zien.
Als toemaatje hieronder nog een gedicht uit ‘Wonen in de vloed’:
Suprematisme
De ruimte vrijmaken voor het nieuwe en het nooit geziene veronderstelt kaalslag, destructie, verloochening.
Voor wie het bestaan een kwaal is en toch genezen wil, mag niet aarzelen: hij zal wie of wat van goede smaak of zeden is, de klinkende oorvijg toedienen.
Hij zal de zwarte kubus op de dorische zuil verheffen, want ja: wij zullen vernielen en wij zullen herbouwen; alle kracht schuilt niet in de diepte noch in de hoogte, niet in de verte noch in het voorbije, ook niet in wat komen kan, maar in de buitenste huid van wat wij zijn en willen.
Een avondje David Foenkinos in Boekhandel Limerick
Altijd aangenaam om iemand van veel nabijer te leren kennen. En zeker wanneer het om een gevierd Frans schrijver en regisseur gaat. Het vroor gisteren buiten, in Gent, maar in Boekhandel Limerick was daar helemaal niets van te merken. David Foenkinos – auteur van o.a. ‘La délicatesse’ dat zelf door hem verfilmd werd met Audrey Tautou (!) in de hoofdrol – stelde er zijn nieuwste boek ‘Nummer twee. De jongen die nét niet Harry Potter werd’ voor. Dirk Leyman meldde als inleider ziek af. De vertaler van ‘Numéro deux’ Jef De Temmerman nam zijn taak als interviewer over en deed dat héél erg kundig. De schrijver David Foenkinos zelf, bleek een bijzonder aimabele man te zijn met veel deemoed voor de nummers twee van de wereld. Verder bespeurde ik bij hem een nogal chauvinistische voetbalvoorkeur maar er bleek ook dat Foenkinos niet gespeend is van een pak, wat ik graag wil noemen, ‘Rigolliaanse humor‘ et ça me fait vraiment plaisir… (Smiley!)
Ha vrienden… Ik weet niet of er zoiets bestaat als “een verjaardagsmens”. Zeker is dat ik er zelf géén ben. Absoluut niet, want bijzonder warm of koud van een verjaardag word ik nu eenmaal niet. Niettemin… Niettemin mag ik vandaag iedereen bedanken die mij gisteren met een warme attentie bedacht, ja mij zelfs een volle aai over de bol bezorgde bij mijn (zoveelste) verjaardag! Eén voor één heb ik jullie wensen ‘geliked’. En graag. Toch word ik, als je het mij dan toch zou vragen veel liever een ‘dagjesmens’ genoemd dan een ‘verjaardagsmens’. Gisteren was dat niet anders.
Na een middagje gezellig tafelen bij onze vrienden van Bistrot La Vadrouille en wat cyclocross kijken in Dublin (“ha die modderstroken, en ha die vod in ‘den derailleur’ van Wout van Aert”) was het in uitgesteld relais tijd voor meer dan wat gepaste ernst en aandacht. Wat een schitterende Alleen Elvis blijft bestaan-aflevering met David Van Reybrouck was dat! Het werd een bijwijlen begeesterende, én ontroerende aflevering. Voorwaar één om op de digicorder vast te pinnen en nog meerdere keren te bekijken.
Helemaal tot slot van de dag lagen er voorts nog een aantal pagina’s van ‘De Jaren’ van Annie Ernaux op mij te wachten. Het bestsellerboek van de Nobelprijswinnares heeft immers eindelijk ook mijn nachtkastje bereikt. En zo eindigde de dag van gisteren toch nog min of meer in ‘achteruitkijkmodus’…
Ach, wat moet zo’n verjaardag meer om het lijf hebben om als een duimspijker – een warme ‘punaise’ – vastgeprikt te worden op het behang van de dagen van december? Niets toch. Een tekening die vandaag perfect bij dat gevoel past is er ééntje van Maria Blondeel, een kunstenares die ik niet persoonlijk ken maar waarvan ik – Facebook weze voor één keer uitgebreid bedankt – het werk blijvend ben gaan waarderen. Voorts wens ik jullie én mezelf in de toekomst nog héél erg veel ‘verjaardagen’ in deze vorm, weinig spectaculair, maar wél gelardeerd met hier en daar wat ‘duimspijkergevoel’. Als het even kan zelfs dagelijks!
Kijk ’s aan wie mij vandaag in mijn lijfkrant zit aan te kijken. ’t Is dochterlief! (En… ’t is uiteraard, wat had je gedacht, voor de goeie Boekenzaak!) “Mensen komen bij ons troost tanken”. En zo is het maar net!
“Een literaire wandeling doorheen het West-Vlaams spergebied van de sociale media“
Komende zaterdag wordt in de Oostendse Bib “Jaarwerk MMXXII” het nieuwe jaarboek van de VWS voorgesteld dat hiermee al aan zijn achtste editie toe is. Voor de nieuwste jaargang schreef ik 2 bijdragen.
Eén over de intrigerende misdaadverhalen van ex-Bruggeling Jan Van der Cruysse (“De man van Zaventem“) (waarover later meer) en in een tweede ga ik in ‘De speeltuin van de schrijver‘ nader in op het gebruik van onder meer Facebook en literair getinte blogs door een aantal West-Vlaamse schrijvers en scribenten. Uiteraard kan deze wandeling enkel op een zeer selectieve en subjectieve manier stilstaan bij al die mensen die in West-Vlaanderen (en elders) schrijven en daarbij veelvuldig gebruik maken van de sociale media. Mijn keuze over wie ik in ‘De speeltuin van de schrijver’ aan het woord laat heeft dus veel, zegmaar alles, te maken met mijn eigen particuliere voorkeuren. Zo laat ik in mijn stuk vooral door mij geliefde bloggers en facebook-ers aan het woord. Dat zijn bijvoorbeeld onder meer Pascal Cornet, Rino Feys, Johan Debruyne, Eva Vanhoorne, Jan Bib, Patrick Lateur (ex-blogger en FB-er) en nog een pak andere namen. Mijn slotsom daarbij lijkt wel een motto te zijn: ‘Elk medium is zoveel waard als zijn gebruiker‘.
Buigen of barsten – Roes de Luxe Gisteren zondag 27 november 2022 ging in Roeselare het tweede internationaal Poëzietrefmoment “Roes de luxe‘ door. Het was bijzonder fijn om deel uit te maken van een uitgelezen dichterlijk gezelschap. Door Stadsdichter Roeselare Edward Hoornaert werden de deelnemende dichters al van in de voormiddag getrakteerd op een aangenaam dagje #RSL. Een boeiend bezoek aan Agrotopia, een lunch in het Centrum en een rondleiding in het Klein Seminarie werden ons deel. Waarna niets dan poëzie!
Het fietsenatelier van Frans Laevens… Uren kan ik er verwijlen! En altijd, en toch nog onwillekeurig, resoneren in mijn hoofd daarbij die mooie gedichten van H.H. Ter Balkt (die zich toen nog, in 1976 Habakuk II de Balker liet noemen) ..
Wat een schitterende titel was dat toch: “Oud gereedschap mensheid moe“. Ik wou voorwaar dat ik hem (de titel) zelf had uitgevonden…
En op deze Wapenstilstandsdag, zoveel jaren later, lijkt de mensheid vermoeider te zijn dan ooit…
Een volle Gentse Vier Nul Vier-zaal enkel en alleen voor de literatuur? Ja hoor, dat kan! Ook in deze tijden van likes en vluchtigheid… De Georgische schrijfster Nino Haratischwili (van de niets ontziende en onverbiddelijke bestseller ‘Het achtste leven’) is dan ook niet zomaar een schrijfster! Haar nieuwe boek “Het schaarse licht” werd gisterenavond voorgesteld tijdens een uitgebreid interview met Marnix Verplancke.
Het leeslijstje is met ‘Het schaarse licht’ alweer een ‘kasseisteen’ van een boek rijker.
Een quote uit het gesprek die zowat iedereen liet glimlachen gisterenavond: ‘Men are the head, women are the neck, you can turn it in all directions’.
Nino Haratischwili, Het schaarse licht, Meridiaan Uitgevers, 832 p., 34,99 euro. Vertaling Jantsje Post en Elly Schippers. RV
En kijk, daar is ie dan: ‘Vertalersweelde‘. Mooi ‘geëmballeerd’ in Amsterdam, door de post hierheen gebracht en door mij “in deze, mijn mooie uithoek” uitgepakt. Met veel dank aan Kees Godefrooij (samensteller) en Stichting Spleen. Het boek is een ‘hommage’ aan de ouwe heer Baudelaire. Vijf gedichten van de grootmeester werden opnieuw vertaald door Mereie de Jong en meer dan veertig Nederlandse en Vlaamse dichters lieten zich in gloednieuwe gedichten inspireren door het werk van Baudelaire. Alain Delmotte schreef een bijzonder waardevol voorwoord en er is een nawoord van de vertaalster Mereie de Jong. Er zijn voorts poëtische bijdragen van onder meer Piet Gerbrandy, Johan Wambacq, Dirk Kroon, Paul Roelofsen, Jan Ducheyne, Bert Bevers, Will van Broekhoven, Bert Deben, Frans August Brocatus, Tom Veys, Alain Delmotte, Gerard Scharn, Hans F. Marijnissen, Wim van Til, Kees Godefrooij, Tine Hertmans, en nog een pak andere dichters waaronder ook deze jongen. Mijn gedicht ‘Brief aan Baudelaire’ bevindt zich ter hoogte van pagina 111.
Je mag van de sociale media zeggen wat je wil. Je haar mag er van recht komen. Of dat op je armen. Je kan vloeken om er wat er staat, en je kan tieren om wat er niet staat en verzwegen wordt.
Hackers en criminelen zoeken naar het kleinste lek. Intimidatie, riooljournalistiek, manipulatie, het sturen van jouw gedachten die, let op, nauwelijks nog je eigen gedachten zijn… Je kunt niet genoeg op je hoede zijn. Elk moment op je qui-vive… Er is geen andere attitude mogelijk. Let op wat je prijsgeeft… Let op waaraan je zin geeft… Let op…
Wat je ook mag beweren: er zullen veel dingen van waar zijn. En er zullen een pak andere dingen zijn die niet in de verste verte met de waarheid stroken. Of kunnen stroken… Maar niettemin zul je mij, after all, nooit een abjecte en totale tegenstander van ‘dit soort media‘ kunnen noemen. Niet zoals sommigen zichzelf, niet zonder een pak hautain en afstandelijk voorbehoud, al van vooraf met veel aplomb als een rabiate non-believer wensen te profileren. Daarvoor stoot ik – minstens al twee decennia lang een internaut vanjewelste – te veel en te vaak en her en der, en dikwijls ook dankzij een vreemd toeval, op hele mooie hartverwarmende dingen, beelden, teksten, stemmen en sites…
Iemand die ik graag blijf volgen op Instagram en elders is de fotograaf die zichzelf “Augustusfarmer” noemt . Ik weet niet goed wie achter de benaming schuilgaat… Dat hoeft ook helemaal niet. Zolang ‘Augustusfarmer‘ zijn identiteit niet verder prijsgeeft of die wenst prijs te geven heb ik daar géén enkele moeite mee. Het mag en kan: verscholen blijven! Op Internet. Of elders. Respect, diep respect daarvoor. Zelfs respect voor wie er in het leven het zwijgen toe doet. En daarvoor kiest.
En zo kom ik, om dit alles een beetje te duiden, uit bij een instagram-post die ik vanmorgen integraal heb overgeschreven. En die ik wens te onthouden en te bewaren:
Today i have awoken with mega head pain that financial admin worries have compounded. So i’m going to get on one of those bikes and ride it nowhere but still get somewhere.
Ik ken warempel zelf dat gevoel: je fiets nemen om nergens heen te rijden en tenslotte beseffen dat je aan het eind van de weg toch ergens bent uitgekomen.
Dit soort fietsen, het is een zachte daad die ook mij regelmatig, meer dan wat ook, en zeker ook in tijden van ontij en oorlog, mag opvrolijken in het leven!