Net voor het jaareinde publiceerde het literaire e-zine ‘De Schaal van Digther’ drie gedichten uit een typoscript dat ik aan het voorbereiden ben. Het zijn de navolgende gedichten en kunt je ze nalezen via de aangegeven link-jes.
Passer (De Schaal van Digther – do 28/12/2023) Respijt (De Schaal van Digther – vr 29/12/2023) Brief aan Baudelaire (De Schaal van Digther – za 30/12/2023)
De voormelde gedichten maken deel uit van een typoscript met als werktitel ‘Een jaagpad in de regen’ (Gedichten 2014-2023). Brief aan Baudelaire werd eerder opgenomen in de bloemlezing ‘Vertalersweelde’, Baudelaire vertaald door Mereie de Jong, samenstelling Kees Godefrooij. Met een voorwoord van Alain Delmotte. (Stichting Spleen, 2022).
Typoscript in wording – Schrijfresidentie Streuvelshuis – November 2020
Voormalig directeur en bezieler van het PoëzieCentrum in Gent, Willy Tibergien heeft al een flinke tijd een project lopen waarbij hij om de zoveel tijd de vroegere mededelingenkastjes aan de zijgevel van het Stadhuis in Damme bevolkt met poëzie. Gisteren was ik voorwaar een gelukkig man om twee van mijn gedichten samen met Willy voor een volle maand te mogen uithangen in zijn ‘poëziekastjes’. Het zijn de twee gedichten die ik recent schreef bij schilderijen van twee schilders die mij nauw aan het hart liggen.
Bij een tweede, door mij ook al bijzonder geliefd schilderij, ‘Lager 7-Kahla-Leubengrund’ van Pol Delameillieure dat aan de onmenselijke dwangarbeid herinnert op het einde van WO 2 in het werkkamp Kahla, schreef ik het oorlogsgedicht “Lager 7”.
De beide gedichten hangen nu sinds gisteren samen met een afdruk van het schilderij in de poëziekastjes te kijk. Kunstenaar Johan Six was de man met de sleutel om de kastjes voor ons te openen.
Dank mijn beste Willy voor de uitnodiging. Veel dank ook aan Lieve Terrie voor de behulpzaamheid van het overbrengen van werk en gedichten op posterformaat.
Poserend na ‘het werk’Lager 7 – Schilderij ‘Leubengrund-Kahla-Lager 7’ van Pol Delameillieure‘Al het oker van de wereld’ met Schilderij van Johan ClarysseKunstenaar Johan Six of ‘De man met de sleutel’Johan Six toont werk van hem
Eens in de maand gaat mijn goeie vriend Bert Bevers met de ogen dicht voor zijn poëziekast staan om daar een willekeurige bundel uit te nemen. Maandag laatst was dat mijn bundel Mond- en clownzeer (Yang Poëzie Reeks, Gent, 1980). Op bladzijde 28 las hij daarin mijn gedicht De bloemenman (2). Waarvoor dank!
Zondag laatst 24/9/2023 ging in de Brugse Galerie Pinsart de vernissage door van de tentoonstelling ‘This Obscure Object‘ van Johan Clarysse. Johan vroeg voor deze gelegenheid aan acht dichters om een origineel gedicht te schrijven bij een schilderij of collage van hem uit zijn net verschenen gelijknamige boek ‘This Obscure Object’. Het leverde acht fonkelnieuwe gedichten op. Zelf schreef ik met ‘Al het oker van de wereld‘ een gedicht bij het erg indringende schilderij ‘Melancholie, dafür haben wir keine Zeit‘.
Het e-tijdschrift De Schaal van Digther publiceert de komende weken de acht gedichten, (waaronder dus ook ‘Al het oker van de wereld’), samen met het werk waarop ze zijn gebaseerd.
Altijd fijn om weer ’s in jouw geboortestad te zijn! Op zondag 27 november 2022 maak ik met veel plezier deel uit van het poëtisch gezelschap dat in Roeselare zorgt voor de tweede editie van een Internationaal poëzietrefmoment dat er niet om zal liegen! Plaats van afspraak de Augustijnenkerk van het Klein Seminarie, Zuidstraat 25, 8800 Roeselare om Gratis! en geschikt voor 14 tot 99 jaar! 🙂 (Wel vooraf even inschrijven)
Achttien dichters uit binnen- en buitenland lieten zich op initiatief van Stadsdichter #VANRSL Edward Hoornaert inspireren door het gedicht ‘Buigen of bersten‘ van Guido Gezelle en brengen een ode aan de weerbaarheid van mens en natuur.
De presentatie is in handen van Benedikte Crombez en stadsdichter #vanrsl Edward Hoornaert. De Nederlandstalige band Meander, die op de elfde editie van Nekka nog de publieksprijs wegkaapte, zorgt voor de muzikale noot.
De achttien dichters: Stadsdichter #VANRSL Edward Hoornaert/ Laura Accerboni (Ita)/Geert Jan Beeckman (BE)/ Rosa Berbel (SPA)/ Maxime Coton (BE)/Moya De Feyter (BE)/ Hamide Dogan (NL)/ Christine Guinard (FRA)/Peter Holvoet-Hanssen (BE)/Tijl Nuyts (BE)/ Paul Rigolle (BE)/Arnoud Rigter (NL)/Steven Van Der Heyden (BE)/ Ann Van Dessel (BE)/Shari Van Goethem (BE)/Wim Vandeleene (BE)/ Reinout Verbeke (BE) en Martje Wijers (NL)
“Alsof je eindelijk geworden bent wat je al die tijd wou zijn. Iemand die aan een einder staat en weet: Het is het kijken naar. Het is het buiten staan, waaraan jij moet lijden. De trots van hij
die opgesloten zit, en in zijn hoofd een verdronken land bewaart, is het, die jouw hand doet glijden. Over het bleke marmer van de droom uit één stuk te zijn.”
Uit ‘Stuk‘ (een gedicht in de bundel ‘Van het hart een Steen‘)
En kijk, daar is ie dan: ‘Vertalersweelde‘. Mooi ‘geëmballeerd’ in Amsterdam, door de post hierheen gebracht en door mij “in deze, mijn mooie uithoek” uitgepakt. Met veel dank aan Kees Godefrooij (samensteller) en Stichting Spleen. Het boek is een ‘hommage’ aan de ouwe heer Baudelaire. Vijf gedichten van de grootmeester werden opnieuw vertaald door Mereie de Jong en meer dan veertig Nederlandse en Vlaamse dichters lieten zich in gloednieuwe gedichten inspireren door het werk van Baudelaire. Alain Delmotte schreef een bijzonder waardevol voorwoord en er is een nawoord van de vertaalster Mereie de Jong. Er zijn voorts poëtische bijdragen van onder meer Piet Gerbrandy, Johan Wambacq, Dirk Kroon, Paul Roelofsen, Jan Ducheyne, Bert Bevers, Will van Broekhoven, Bert Deben, Frans August Brocatus, Tom Veys, Alain Delmotte, Gerard Scharn, Hans F. Marijnissen, Wim van Til, Kees Godefrooij, Tine Hertmans, en nog een pak andere dichters waaronder ook deze jongen. Mijn gedicht ‘Brief aan Baudelaire’ bevindt zich ter hoogte van pagina 111.
Renaat Ramon, al sinds ik hem in het gezegende jaar 1976 mocht leren kennen meer dan een man naar mijn hart, schreef voor het blad ‘De Geus’ dat driemaandelijks verschijnt een ‘poëstille’ over mijn gedicht ‘Jaagpad’.
Het gedicht dat deel uitmaakt van het “Poëziepad van A tot Z” staat sinds oktober van verleden jaar langs het Jaagpad van de Schelde tussen Escanaffles en Bossuit. Op de grens van twee talen, op de grens van wie het verbindt.
Gejaagd is de dichter Paul Rigolle (°1953) niet. Zijn recentste bundel Tot het bestaat verscheen in 2013. Sindsdien publiceert hij zijn gedichten vooral in Digther, een tijdschrift waarvan hij omtrent de eeuwwisseling een van de wroede vaders was en dat, teken des tijds, sinds 2012 onder de naam De schaal van Digther in digitale vorm overleeft. Onder leiding van Paul Rigolle. Het gedicht Jaagpad is sinds vorig jaar op het scherm te lezen.
Jaagpad opent met een originele metafoor. De ‘ons’ in de eerste versregel, dat zijn de wandelaars en de fietsers die het landschap lezen. Het landschap en de rivier. Die zich als tekens, als leestekens bewegen. Die pauzeren, die reflecteren over wat geweest (gelezen) is, die vragen stellen over wat komt. Op het ritme van de ademhaling. Tijd en ruimte liggen open en worden overbrugd. Je wordt herinnerd aan het klassieke beeld van de natuur, van het heelal als boek.
De wandelaar, de fietsers – de mensen – volgen de stroom: zij leven. Met alle geluid, met alle geweld van dien.
Maar het kolken en klokken – in de verte hoor je de zee van Willem Kloos: ‘de Zee klotst voort in de eindeloze deining’ – blijken arcadisch te zijn, met als climax, aangegeven door een dubbelpunt, de openbaring, het ultieme besef: ‘Geluk is een jaagpad in de regen’.
Veel vroeger, in de bundel Mond- en Clownzeer (1980) had Rigolle, in een stad geboren zijnde, het zebrapad geprezen, wellicht ook met enige ironie: ‘Een zebrapad is een weelde! Elk denken verloopt er licht’ en, welwillend en veilig van achter een raam, ook de regen: ‘God, zie hoe het regent, midden juni, waar/ik zit en weet: Hoe vanavond laat,/voor dit raam, de stadlichten zullen openbloeien/ als hangende tuilen goedkope bloemen.’
Jaagpad, dat je rustig een pastorale mag noemen, telt precies honderd woorden, evenwichtig verdeeld over vijf terzinen. De dichter toont zijn vakmanschap. In de tweede regel van de eerste strofe verschijnt, bijna halverwege, het eerste leesteken: een punt. Er wordt even halt gehouden. Ook de dichter houd even halt – om een punt te zetten.
De derde regel enjambeert functioneel: de versregel die begint met ‘Kijkend naar’ verwijst naar ‘wat achter ons ligt’ in de volgende strofe – ook letterlijk dus.
Ook in de derde strofe worden adequate punten gezet: ‘Adempauze. Pas op de plaats.’ – waarna beweging volgt, drie strofen ver. Ook de ritmische deining van kolken en klokken wordt typografisch getoond.
Het ontbreken van specifieke geografische gegevens – het jaagpad is ‘Een rivier op aarde’ – zorgt er voor dat het gedicht het regionale, de anekdotiek, overschrijdt en de aandacht geheel naar de sensitieve belevenis gaat.
Fietsen is niet altijd een feest. De hel van het Noorden (1982) is een titel die de wielerfanaten enigszins misleidt – de bundel gaat niet over keien – maar heeft Rigolle wel de reputatie van ‘dichtende Flandrien’ bezorgd. Het heeft hem niet belet aan de Waalse coureur Claude Criquielion aandacht te bestenden (Op de Helling, 1990). Op de tandem met Patrick Cornillie heeft hij de bloemezing ‘Het wielrennen in de Nederlandse Literatuur’ samengesteld onder de woordspelige titel Vélo-Dromen (1991).
Overigens is de poëzie van Paul Rigolle dromerig noch woordspelig. Het is een poëzie waarin vaak kritische leestekens worden gezet.