Op het leeslijstje (9) – Leesnotities 2022

Ik noemde hem Stropdas. De naam beviel hem. Hij moest erom lachen. Rood-grijze strepen op zijn borst. Zo wil ik hem in mijn herinnering bewaren.” (p.9)

Het gebeurt niet veel, maar het gebeurt: af en toe zet je een boek bij in het kastje van de kleine en net daardoor héél bijzondere pareltjes. Die eer mag, wat mij betreft, zeker ook het romandebuut uit 2012 van de Oostenrijks-Japanse schrijfster Milena Michiko Flašar (St. Pölten, 1980) te beurt vallen.

Dat de Oostenrijkse schrijfster met haar Japanse roots (via haar moeder) door een aantal mensen vergeleken wordt met Haruki Murakami lijkt mij dan weer net iets té véél eer. Maar niettemin is ‘Een bijna volmaakte vriendschap’ een bijna perfect boek. In een wat karige, ongebonden stijl zet Flašar een jonge ‘Hikikomori’ (een naar verluidt meer dan regelmatig voorkomend Japans fenomeen) die al twee jaar de kamer houdt zonder nog tegen iemand te praten, tegenover een wat grijze salaryman die net zijn job verloren heeft en dat voorlopig niet tegen zijn vrouw Kyoko wil opbiechten. De mannen leren elkaar kennen op een bank in het park. Wat ontstaat is een vriendschap die zonder heel veel woorden steeds intenser wordt. Tot op een ochtend de man niet verschijnt.

Een uittreksel:

Twee jaar lang had ik geoefend om het spreken te verleren. Toegegeven, het was me niet gelukt. De taal die ik had geleerd drong door me heen, en zelfs als ik zweeg was mijn zwijgen veelzeggend. Ik sprak innerlijke monologen, sprak ononderbroken tegen de sprakeloosheid aan. Maar de klank van mijn stem was mij vreemd geworden. Soms ontwaakte ik ’s nachts badend in het zweet uit een nachtmerrie, alleen maar om de voortzetting daarvan te horen in het rauwe Aaah dat zich uit mijn buik, mijn longen, mijn keel naar buiten drong. Wie schreeuwt daar, vroeg ik me af en viel weer in slaap. Dwaalde door een landschap waarin elk geluid bij zijn ontstaan al wegstierf. De laatste zin die ik had uitgesproken was: Ik kan niets meer. Punt. Een vibrerende punt. Daarna was er iets dichtgeklapt. De moeite die het zou kosten om verder te spreken vanaf het punt waar ik was gestopt stond tegenover de zinloosheid om in woorden te vatten wat niet kon worden uitgedrukt.

Een bijna volmaakte vriendschap, Milena Michiko Flašar. Uitgeverij Cossee Amsterdam, Vertaling Isabelle Schoepen en Kris Lauwerys, Eerste druk 2015
Oorspronkelijke titel Ich nannte ihn Krawatte, 2012

#demanmetdeleesbril #ophetleeslijstje #leesnotities2022 #MilenaMichikoFlašar

Milena Michiko Flašar

Looking for the artist

Looking for the artist
Enkele aantekeningen bij de tentoonstelling XXII met nieuw werk van Joost Gevaert
20/05 > 19/06/2022, Gevaert Galerie, Zwevezele


Vrijdag 20 mei 2022

Joost Gevaert heeft iets met Romeinse cijfers. Zijn vorige tentoonstellingen gaf hij kort en krachtig de titels XIX en XX mee. Het mag ons dus niet verbazen dat we hier, op deze mooie inspirerende plek, samen zijn voor een nieuwe tentoonstelling die kortweg XXII heet. Een ondertitel zoals het geval bij de vorige (‘Abats des jours’) is dit keer afwezig. De kunstenaar blijkt overigens in het algemeen niet erg veel op te hebben met al dan niet verhelderende titels. En dat geldt zelfs voor zijn werk zelf. Nog het liefst van al, zo vertrouwde hij mij onlangs toe, gaf hij zijn werken helemaal geen titels maar bondige bijna koel-mathematische omschrijvingen als ‘untitled’ of ‘zonder titel’ mee. Maar titels zijn nu eenmaal een soort noodzakelijk kwaad; hulplijnen om het werk te benoemen.

Met deze XXII waarvan het derde cijfer met rood is opgemaakt, is Joost Gevaert aan zijn derde tentoonstelling toe in nauwelijks drie jaar tijd. Ook was zijn werk vorig jaar te zien in Roeselare in Ter Posterie op de boeiende tentoonstelling Time & Tide.

De vreemde pandemie die ons veel langer dan ons lief is heeft verlamd, ja zelfs verdeeld, lijkt naar buiten toe dus nauwelijks vat gehad te hebben op de onverbiddelijke kunstenaar die Joost is, én blijft. Natuurlijk, ook hij kijkt niet zorgeloos om zich heen. Pandemie, klimaat, de oorlog in Oekraïne … Er zijn in deze tijd kopzorgen genoeg voor de ordinaire stervelingen die we allen zijn. En specifiek stelt Gevaert zich ook wel ’s de vraag: wat betekent het om in deze tijd kunstenaar te zijn? En veranderen de sterk evoluerende wereld en denkwijzen de kijk van de artiest? Hebben die invloed op het werk zelf? Moet de kunstenaar nog wel voor een hommage aan de schoonheid zorgen? Het zijn vragen die ook Joost bezighouden maar er hem niettemin niet van weerhouden om onverminderd te doen wat hij hoort te doen: nieuw werk maken, zeg maar het beste werk maken naar eigen vermogen.

En dat blijft hij onverdroten doen, op een af en toe verbluffend veelzijdige manier. Dat is ook in deze XXII-tentoonstelling te merken. De kunstenaar werkt intuïtief, kwiek en alert, in een handomdraai switchend van discipline naar discipline, van medium naar medium. Er zijn nieuwe intrigerende schilderijen te zien, naast aquarellen, tekeningen, 3D-dingen, kijkkastjes, borden en vissen in aluminium.

De bijzondere thematiek van het totale werk zie je uitstekend weerspiegeld in de hashtags die hij op Instagram gebruikt en waar hij sinds zijn eerste post op 15 september 2018 een heel mooi overzicht biedt van zijn werk. Sociale media mogen dan voor sommigen een vloek zijn voor wie het werk van een kunstenaar op de voet wil volgen zijn ze een zegen. Elk voordeel heb zijn nadeel, zou Johan Cruijf zeggen. De instagram-hashtags bij Joost liegen er niet om: #abandoned #behindwindows #shadow #vide #cloudeddroom #absence #space #empty #windows #illusion #aroomwithaview #shelter #illusion #anotheremptyspace
Of hoe een kunstenaar zijn thematiek en zichzelf, misschien wel meer dan hij zelf wenst, weet prijs te geven. “Authenticity, often mistaken for naïvity” schreef iemand, Frederik Vanlaere, om hem niet bij naam te noemen bij een van de werken. En da’s geheel terecht.

De schilderijen en bij uitbreiding het hele werk van Joost roepen een vreemde, bijna voelbare spanning op. De ruimte wordt in veel werken begrensd en intens afgetast. Wat regelmatig opduikt zijn de ‘dots’, de ronde vlekken en de opstijgende vlekjes die een wat wrevelig en bevreemdend effect sorteren. De werken beelden vaak een contradictie uit: de volheid van de leegte en de leegte als invulling en bezieling van de ruimte. Daar verwijzen ook veel titels naar: Yellow space, For rent, Salmon room, Schaduw, Landschap, Gele Ruimte, Bonte Kamer, Blauwe ruimte, Bewolkte kamer… Lege kamers blazen de verbeelding leven in. In andere is er het struggelen met de lichamelijkheid. In veel ruimtes staat er iets te gebeuren, of lijkt er net iets gebeurd. Iets waar de kijker in een droomgebied, een tussentijd terechtgekomen, niet meteen de vinger weet op te leggen. Aanwezigheid lijkt op fluisteren. Shelter komt naast vide en shadow te staan. Er is vaak desolaatheid. Huis clos. Met de dichter Hans Lodeizen kun je zoals in zijn bekende regel zeggen: “Deze wereld is niet de echte”. Er zijn, voor wie er voor open staat, nog meer literaire reminiscenties in het werk van Gevaert aan te treffen. De vissen in aluminum, hoewel ook aan Magritte refererend, doen mij denken aan de Japanse schrijver Haruki Murakami. In een van zijn beste boeken ‘Kafka op het strand’ vallen ook bij hem de vissen als regen uit de hemel.

Deze tentoonstelling is meer dan de som van alle bij elkaar gebrachte werken. De meervoudige gelaagdheid in het werk van Joost zet ons geregeld op het verkeerde been. Trompe l’Oeil, optische illusies genoeg, geloof nooit wat je ziet. Een vleugje humor en een kwinkslag zijn nooit ver weg. ‘Let’s call this one untitled’ heet het ironisch in een werk uit 2020. ‘Meestal probeer ik iets te schilderen’ en ‘soms probeer ik niets te schilderen’ zegt de kunstenaar in 2019 in het kunstentijdschrift ‘The Art Couch’ over de essentie van zijn kunstenaarsschap.

En graag besluit ik deze aantekeningen met een persoonlijke noot. In de jaren zeventig van de vorige eeuw had ik het voorrecht om Wilfried Gevaert, de vader van Joost, goed te leren kennen. Er was toen zelfs even sprake om samen iets artistieks te beginnen. Daaraan moest ik eind verleden jaar met veel warmte terugdenken toen Joost mij uitnodigde om samen met hem ergens in de meersen van Moorslede de opening van een veldoven met ondermeer werk van hem bij te wonen. “Een feest van bouwen, stoken, wachten”. Een erg mooie ervaring was dat en ze confronteerde mij met een intense periode uit mijn eigen verleden. Zoveel jaar later zag ik de man die Wilfried Gevaert was, gereflecteerd in de man en de kunstenaar die zijn zoon geworden is. Het was een moment, een van de vele, waar ik dankbaar om ben. Zoals ook deze tentoonstelling werken bevat – daar ben ik zeker van – die impressies zullen oproepen waar we alleen dankbaar om kunnen zijn. Dankbaar ook om de schilderijen en beelden die naar de handen van de kunstenaar blijven zoeken. Om uiteindelijk iets te betekenen in het leven. En in de wereld.

Paul Rigolle,
Telkst uitgesproken bij de Vernissage van XXII, expo met werk van Joost Gevaert
Galerie Gevaert, vrijdag 20 mei 2022

Thuissite Joost Gevaert
Galerie Gevaert

Couloir – Joost Gevaert
Groene stippen-Joost Gevaert
Catalogus XXII – Joost Gevaert

Op het leeslijstje (8) – Leesnotities 2022

Het geluid van die motor was voor hem de trompet van de eerste engel. De engel die vuur en bloed vermengde en op de aarde wierp tot al het groen was verbrand.”

pagina 18 – De vlucht

Het leeslijstje? Rechtlijnig is het niet altijd, en da’s maar goed ook. Soms kom je toe tot het lezen van boeken die wel al ergens in de middelste regionen van jouw lijstje terechtgekomen waren maar die nog lang niet bovenaan waren geraakt. Laat staan dat ze daar ooit zouden in slagen. Ooit, als de tijd er klaar voor was zou je al die aangestipte maar niet dringende titels wel ’s gaan lezen. “De weelde van de voorraad” of “De inhoud van een kast“, zoiets. Maar kijk, een beetje gedwongen door de omstandigheden van een onverwacht verlengd ziekenhuisverblijf mag jouw leesgedrag dan toch nog wat onvoorziene kronkels vertonen.

Breng maar mee wat je de voorbije maanden zelf graag gelezen hebt, vroeg ik dus laatst aan zij die mij lief is. Zij bracht mee en ik las. Met het uitzicht op de Assebroekse meersen. En zo kwam het dat ik in de voorbije weken achtereenvolgens – al lang fan van Pfeijffer en Claudel zijnde – Monterosso mon amour en Duitse Fantasie las. Dat ik in functie van wat persoonlijk recensiewerk Wat is er van de nacht? van de Antwerpse dichter Richard Foqué en ‘Aanslag in Antwerpen’ (Boem Boem 1) van Jan Van Der Cruysse tot mij nam. Dat ook het aardige Treindromen van Denis Johnson en Oerhert, de eerste dichtbundel van Astrid Haerens mijn ziekenhuisrevue passeerden.

Maar wat mij vooral een klap gaf die ik niet licht wil vergeten was het romandebuut uit 2013 van de Spaanse auteur Jesús Carrasco (°1972). In “De vlucht” (Intemperie) zet hij een sober en beenhard verhaal neer dat je naar het hart, én de strot grijpt. In een dorre niet nader genoemde landstreek waar de dorpen geen naam hebben – Carrasco kent zelf goed de Spaanse provincie Extremadura – word je deelgenoot van het lot van een aantal naamloze figuren als ‘de jongen’, ‘de geitenhoeder, ‘de rechter’, ‘de rooie’ en ‘de andere’. De dreiging dat ‘de jongen’ die op de vlucht is voor een niet nader omschreven onheil uit het verleden opnieuw zou worden opgepakt door ‘de mannen van het dorp’ zorgt voor een uitermate knap uitgebouwde spanning. Af en toe moest ik zelfs denken aan “De Weg” van Cormac McCarthy; dat ander boek dat evenzogoed een harde streep trekt door een dorre en verwoeste streek vol dreiging. ‘De Vlucht‘ werd inmiddels vertaald in 20 talen. Carrasco heeft zich met de opvolgers van zijn debuut, ‘De grond onder onze voeten’ (2016) en ‘Terug naar huis’ (2021) ondertussen een benijdenswaardige status als Groot Europees auteur in wording bij elkaar geschreven. Een auteur die ik wil blijven volgen.

De vlucht, Jesús Carrasco, Uitgeverij J.M. Meulenhoff, 2013, vertaling Arie van der Wal en Arne van der Wal.

#demanmetdeleesbril #ophetleeslijstje #leesnotities2022 #JesúsCarrasco

‘Dichter bij de grens’ in Sint Anna ter Muiden

Acht boeiende dichters stonden op zaterdagnamiddag 21 mei 2022 op de vier podia van het nieuwe poëziefestival “Dichter bij de Grens”. Plaats van het gebeuren: het onooglijke Sint Anna ter Muiden, volgens Wikipedia, met zijn vijftig inwoners concurrerend voor de titel van kleinste stadje van Nederland. Het erg lieflijk ogende Sint Anna ter Muiden ligt op
amper een kleine armlengte van dat andere voor Vlamingen omjoostweetwelkereden veel bekendere Sluis. Het Grens-thema was met de synergie tussen de residentie-initiatieven ‘Het huis vande dichter’ in Watou en ‘Schrijvers in Sluis’ niet toevallig gekozen. In die optiek werd ook aan de acht optredende dichters gevraagd om een apart en gloednieuw gedicht te schrijven bij het thema. Wat ze alle acht keurig voor elkaar brachten.

Het talrijk opgekomen publiek werd ‘festivalsgewijs gearmband’ en verdeeld over vier groepen. Na een korte inleiding van gastvrouw Astrid Haerens, ambassadeur van het Huis van de Dichter in 2020-2021, die zelf een gedicht uit haar recente debuutbundel Oerhert voorlas, sprak ook Marga Vermue-Vemue, burgemeester van Sluis. Ze legde de klemtoon, niet alleen op de locatie van de landsgrens maar vooral op het woord als verbindend element tussen diverse gemeenschappen. Waarna we goedgestemd en tot alles en tot poëzie bereid op weg trokken naar de eerste halte op de poëziewandeling. We troffen er Heidi Koren en Michaël Vandebril. Koren heeft een aanstekelijke lach en moest even in functie van een geluidsopname haar optreden onderbreken. Ze las onder meer “Wat je maakt ben je zelf”. Iets wat we uiteraard enkel kunnen beamen. Michaël Vandebril was de tweede dichter die voorlas. In ‘Ad Calorem‘ (Ponte Rotto-de taal van de stenen) klonk het: vergeet niet/jij zal ook worden/wie ik nu ben/ontdaan van huid en leden‘. En ook Le poète van zowaar de Franse sterrenstem d’antan Alain Barriere dook tussen zijn verzen op.

Tsead Bruinja bracht poëtisch hulde aan activist Willy Geijlvoet die recent een plaats kreeg in zijn tweetalige Fries-Nederlandstalige nieuwe bundel ‘Ingebed‘. Delphine Lecompte was vervolgens, zoals we haar kennen, alweer haar eigenste absurdistische zelf. Haar evergreens Kruisboogschutsersfeest en Daar gaat mijn vriend vonden ook over de grens de nodige weerklank.

De bladgroenjonge slamstem van Esohe Weyden, net bij Uitgeverij Vrijdag gedebuteerd met de bundel ‘Tussentaal‘, en de Iraanse klanken in het Nederlands van Sholeh Rezazadeh waren de stemmen die ons mochten bekoren bij Halte 3. Al werden ze wel af een toe onderbroken door een dorpsbewoner, of moet ik zeggen Stedeling, die grappig en wat onhandig in zijn mobieltje “allooh wat zegt u?” ging staan roepen.

Bij tussenstop 4 hoorden we zeer overtuigende verzen van onze eigen Dichter des Vaderlands Mustafa Kör. De kleur van het verzonkene en zijn dorp in Anatolië blijven voor poëtische emoties zorgen die er niet om liegen. Lieve Desmet mocht ons rondje Sint Anna ter Muiden afsluiten. Deze Leuvense dichteres viel in voor Nisrine Mbarki die ziek verstek had moeten geven. Lieve Desmet was een uitstekende doublure. Ze las verzen uit Fort Europa en Calais. “Het licht in de toren vuurt rood/loodsen houden de haven onveilig, ze jutten/ de angst op, het witte lijf brandt en de zeeën bloeden” hoorden we. Daar viel niets aan toe te voegen. Even later klokte de toren van de Hervormde kerk vijf keer. De poëziewandeling zat er op. Mooi slot van een prima namiddag poëzie waarbij we zeer mogen hopen dat ‘Dichter bij de grens‘ volgend jaar een tweede editie mag kennen. Voor nu: Laat die zomer maar komen!

© Paul Rigolle

Dit bericht werd ook gepubliceerd op de Schaal van Digther.

#dichterbijdegrens #hethuisvandedichter #schrijversinsluis #astridhaerens #heidikoren #michaëlvandebril #tseadbruinja #delphinelecompte #esoheweyden #sholehrezazadeh #mustafakör #lievedesmet 

Vertalersweelde – Baudelaire revisited

Vertalersweelde

En kijk, daar is ie dan: ‘Vertalersweelde‘. Mooi ‘geëmballeerd’ in Amsterdam, door de post hierheen gebracht en door mij “in deze, mijn mooie uithoek” uitgepakt. Met veel dank aan Kees Godefrooij (samensteller) en Stichting Spleen. Het boek is een ‘hommage’ aan de ouwe heer Baudelaire.
Vijf gedichten van de grootmeester werden opnieuw vertaald door Mereie de Jong en meer dan veertig Nederlandse en Vlaamse dichters lieten zich in gloednieuwe gedichten inspireren door het werk van Baudelaire. Alain Delmotte schreef een bijzonder waardevol voorwoord en er is een nawoord van de vertaalster Mereie de Jong.
Er zijn voorts poëtische bijdragen van onder meer Piet Gerbrandy, Johan Wambacq, Dirk Kroon, Paul Roelofsen, Jan Ducheyne, Bert Bevers, Will van Broekhoven, Bert Deben, Frans August Brocatus, Tom Veys, Alain Delmotte, Gerard Scharn, Hans F. Marijnissen, Wim van Til, Kees Godefrooij, Tine Hertmans, en nog een pak andere dichters waaronder ook deze jongen. Mijn gedicht ‘Brief aan Baudelaire’ bevindt zich ter hoogte van pagina 111.

#vertalersweelde #stichtingspleen #keesgodefrooij #briefaanbaudelaire #mereiedejong #alaindelmotte

Zie ook dit ‘Vertalersweelde-evenement’ op FB

Facebook-bericht van 2 mei 2022

De aarde van april

“De aarde van april”

Misschien zit ook bij mij de ouwe Heer Thomas Stearns Eliot er wel voor iets tussen… Zou het? Kan het! Vaak en veel geciteerd alvast – en niet alleen door mij – is dat eerste, overbekende vers uit ‘The Burial of the Dead’ uit “The Waste Land” dat uit het gezegende jaar … 1922 dateert…

April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain
.’ (…)

En kijk – honderd jaar en een eeuwigheid later – schrijven we, schrijf ik, alweer eind april en daar, daar treden net als elk jaar opnieuw de blikkerende scharen van de ploegen aan om alles bloot te leggen en te ontginnen. Om de winter achter ons te laten en open te breken wat – diepe ader van de aarde – was dichtgeslibd…

Weinig, weinig gaat wat mij betreft boven de aanblik van die brakke, blote, opengereten Aarde van April. Klaargelegd, omgeploegd en aangesneden voor wat komt! Een vorm van intense blijheid maakt zich zowaar van mij meester. Een blijheid is het die haaks staat op de gevoelens die de actuele toestand van de wereld momenteel oproept.

Maar mag het even… Dat hoop scheppen, dat moed vatten… Laat april – wreed of niet, cruel or not – dus nog maar even duren!

Lees meer ‘The Waste Land op’:
https://www.poetryfoundation.org/poems/47311/the-waste-land

En ‘The Waste Land’ op Wikipedia:
https://nl.wikipedia.org/wiki/The_Waste_Land

De foto’s nam ik in de buurt waar Jeanneke woont, werkt en leeft, het boerenpaard van Café De Landsman…

Streetwise (als Patti Smith)

Streetwise
Kijk, mag ik – volop ‘April fool‘ meeneuriënd vanmorgen – dit ’s een héle wijze-streetwise foto vinden?

Ja hoor, dat mag ik!’
Patti Smith Streetwise by Frank Stefanko (1974).

Veel credits vandaag van, aan en voor de Patti Smith-group op FB

Uit ‘April fool‘ (2012):

We’ll ride like writers ride
Neither rich nor broke
We’ll race through alleyways
In our tattered cloaks so

Come be my April Fool
Come we’ll break all the rules
“.

© Patti Smith

April Fool op Youtube:
https://www.youtube.com/watch?v=l-cVnJmEmGE

Geluk in de regen

Renaat Ramon, al sinds ik hem in het gezegende jaar 1976 mocht leren kennen meer dan een man naar mijn hart, schreef voor het blad ‘De Geus’ dat driemaandelijks verschijnt een ‘poëstille’ over mijn gedicht ‘Jaagpad’.

Het gedicht dat deel uitmaakt van het “Poëziepad van A tot Z” staat sinds oktober van verleden jaar langs het Jaagpad van de Schelde tussen Escanaffles en Bossuit. Op de grens van twee talen, op de grens van wie het verbindt.

Meer info:
‘Jaagpad’ langs de Schelde’
De Geus

De Geus – Jrg 54-nr 2-April 2022-pagina 41

De integrale tekst van Renaat Ramon in ‘De Geus’:

Geluk in de regen.

Paul Rigolle zet een punt.

Gejaagd is de dichter Paul Rigolle (°1953) niet. Zijn recentste bundel Tot het bestaat verscheen in 2013. Sindsdien publiceert hij zijn gedichten vooral in Digther, een tijdschrift waarvan hij omtrent de eeuwwisseling een van de wroede vaders was en dat, teken des tijds, sinds 2012 onder de naam De schaal van Digther in digitale vorm overleeft. Onder leiding van Paul Rigolle. Het gedicht Jaagpad is sinds vorig jaar op het scherm te lezen.

Jaagpad opent met een originele metafoor. De ‘ons’ in de eerste versregel, dat zijn de wandelaars en de fietsers die het landschap lezen. Het landschap en de rivier. Die zich als tekens, als leestekens bewegen. Die pauzeren, die reflecteren over wat geweest (gelezen) is, die vragen stellen over wat komt. Op het ritme van de ademhaling. Tijd en ruimte liggen open en worden overbrugd. Je wordt herinnerd aan het klassieke beeld van de natuur, van het heelal als boek.

De wandelaar, de fietsers – de mensen – volgen de stroom: zij leven. Met alle geluid, met alle geweld van dien.

Maar het kolken en klokken – in de verte hoor je de zee van Willem Kloos: ‘de Zee klotst voort in de eindeloze deining’ – blijken arcadisch te zijn, met als climax, aangegeven door een dubbelpunt, de openbaring, het ultieme besef: ‘Geluk is een jaagpad in de regen’.

Veel vroeger, in de bundel Mond- en Clownzeer (1980) had Rigolle, in een stad
geboren zijnde, het zebrapad geprezen, wellicht ook met enige ironie: ‘Een
zebrapad is een weelde! Elk denken verloopt er licht’ en, welwillend en veilig van achter een raam, ook de regen: ‘God, zie hoe het regent, midden juni, waar/ik zit en weet: Hoe vanavond laat,/voor dit raam, de stadlichten zullen openbloeien/ als hangende tuilen goedkope bloemen.’

Jaagpad, dat je rustig een pastorale mag noemen, telt precies honderd woorden, evenwichtig verdeeld over vijf terzinen. De dichter toont zijn vakmanschap.
In de tweede regel van de eerste strofe verschijnt, bijna halverwege, het
eerste leesteken: een punt. Er wordt even halt gehouden. Ook de dichter houd even halt – om een punt te zetten.

De derde regel enjambeert functioneel: de versregel die begint met ‘Kijkend naar’ verwijst naar ‘wat achter ons ligt’ in de volgende strofe – ook letterlijk dus.

Ook in de derde strofe worden adequate punten gezet: ‘Adempauze. Pas op de plaats.’ – waarna beweging volgt, drie strofen ver. Ook de ritmische deining van kolken en klokken wordt typografisch getoond.

Het ontbreken van specifieke geografische gegevens – het jaagpad is ‘Een rivier op aarde’ – zorgt er voor dat het gedicht het regionale, de anekdotiek, overschrijdt en de aandacht geheel naar de sensitieve belevenis gaat.

Fietsen is niet altijd een feest. De hel van het Noorden (1982) is een titel die de wielerfanaten enigszins misleidt – de bundel gaat niet over keien – maar heeft Rigolle wel de reputatie van ‘dichtende Flandrien’ bezorgd. Het heeft hem niet belet aan de Waalse coureur Claude Criquielion aandacht te bestenden (Op de Helling, 1990). Op de tandem met Patrick Cornillie heeft hij de bloemezing ‘Het wielrennen in de Nederlandse Literatuur’ samengesteld onder de woordspelige titel Vélo-Dromen (1991).

Overigens is de poëzie van Paul Rigolle dromerig noch woordspelig. Het is een poëzie waarin vaak kritische leestekens worden gezet.

© Renaat Ramon

Poëstille, De Geus, Jaargang 54, nr 2,April 2022

…/…

Jaagpad

Trage wegen dragen ons als leestekens
in het landschap. Even halt te houden,
even een punt te zetten. Kijkend naar

wat achter ons ligt en naar wat nog
moet komen, zoveel tijd is er ons gegeven
om ons niet te moeten haasten.

Adempauze. Pas op de plaats.
We ademen in en uit, bladeren
in het boek van tijd en ruimte,

slaan lang en breed een brug,
wandelen en fietsen langs het water
dat tussen de oevers deint en kolkt

en klokt. Een stroom te volgen!
Een rivier op aarde en dan plots beseffen:
Geluk is een jaagpad in de regen.

© Paul Rigolle

Atlas – Renaat Ramon

Wie niet leest

Wie niet leest, is gedoemd om maar één leven te leiden
Ilja Leonard Pfeiffer:

“Mensen die niet lezen zijn gedoemd om slechts één leven te leiden, denk ik. Lezen is een vorm van escapisme, waar trouwens niets mis mee is, maar het is op een ander niveau een cruciale functie van literatuur om empathie te kweken voor andere mensen”.

“Voor de duur van de lectuur van een boek leer je je verplaatsen in het leven van je medemens. Ook in film of theater heb je dat effect, maar het voordeel van literatuur is dat je, meer dan film en theater, de kans hebt om in het hoofd te kruipen van de mensen. Je kunt het verhaal beleven vanuit het perspectief van een ander mens, die in andere omstandigheden en andere tijden heeft geleefd.”

“Als ik een dialoog van Plato lees, zit ik in het hoofd van Plato, een paar duizend jaar geleden. Als je het gaat filmen wordt het toch geëxternaliseerd en op een andere manier een verhaal. Literatuur is meer van binnenuit.”

Ilja Leonard Pfeijffer over zijn boekenweekgeschenk, de eerste liefde en Europa’s grootste kracht.

Vindplaats: Interview in De Morgen za 2/4/2022

Aangekomen in Oudenaarde!

Het was gisteren bijzonder fijn om op poëtische wijze (net als de renners in de Ronde komende zondag) “aan te komen” in Oudenaarde. Met dank aan het talrijk opgekomen publiek en iedereen die meehielp om er een biezondere Verlate Gedichtendag van te maken! Mijn dank is groot en veelvuldig! Dank aan Geert Joris van het Centrum Ronde Van Vlaanderen en Els De Vos van de Bibliotheek Oudenaarde. Dank aan Stefaan Vercamer die mij namens de Stad een drinkbus… in chocolade schonk! (Ik beloof om ze nog wat te bewaren vooraleer er maar even een vinger naar te durven uitsteken).

Veel dank aan Nils De Caster & Sara De Smedt die bijgestaan door Bart Vervaeck de pannen van het Centrum speelden (“It takes a believer!”). Ze gaan nooit meer uit mijn muzikale voorkeurlijstjes weg! Vooral dank ook aan de Aimabele Heer van de Poëzie die in Oudenaarde Andre Vansteenbrugge heet, voor de uitnodiging! En o ja, ook B&B J21 Jezuiëtenplein 21 mag hier niet onvermeld blijven. Het nachtelijk verblijf en het ontbijt waren voortreffelijk! 

#aankomeninOudenaarde #GedichtendagOudenaarde #NilsDeCaster #SaraDeSmedt #BartVervaeck #AndreVansteenbrugge #BibOudenaarde #Crvv #GeertJoris #ElsDeVos #jezuietenplein21 #j21

“Aangekomen in Oudenaarde”
Drinkbus!