Atelier in beeld – Editie 2025

Maandag 19 Mei 2025
Facebook-bericht van 19/5/2025

In het voorbije weekend ging in een organisatie van ‘Kunst werkt’ over heel Vlaanderen en Brussel de vierde editie van “Atelier in beeld” door. Dit is de de nieuwe naam waaronder vroeger het project “Buren bij kunstenaars” bekend stond. En hoewel de hoeveelheid kunstenaars die deelnemen zeker niet altijd recht evenredig is met de kwaliteit van het werk dat we in hun open ateliers te zien krijgen, verbaast het ons dat een aantal onder hen ons toch telkens weer met erg boeiend en origineel werk weten te verrassen. Het voorbije weekend bezochten we zo de ateliers van Peter Simoen in Woumen waar ook Nele Camerlynck te gast was, het keramiek-atelier van Hilde Plets in Lichtervelde (waar ook echtgenoot Patrick Cornillie met zijn poëzie aanwezig was) en het atelier van dichter-schilder, tevens Digther-compagnon Hugo Verstraeten in Oostkerke-Diksmuide.

Indringend, hartverscheurend, ontwrichtend…

Zaterdag 17 Mei 2025
Over Khoros van Berlinde De Bruyckere in Bozar.

Na “Nachtreis” van verleden week, het imponerende labyrint van Hans Op de Beeck in het KMSKA, bezochten we donderdag laatst dé tweede absolute blikvanger van het Expo-seizoen, Khoros van Berlinde De Bruyckere. In Bozar maakt de overzichtstentoonstelling van De Bruyckere alle superlatieven waar die je er al over las. Hard, indringend, hartverscheurend, ontwrichtend… Achteraf jezelf terugvindend, amechtig zoekend naar een lichaam dat je past…

Toch had ik er nooit zo bij stilgestaan dat sommige mensen beter een waarschuwing meekrijgen vooraleer ze de tentoonstelling bezoeken: “De tentoonstelling bevat beelden die mogelijks als schokkend of confronterend kunnen worden ervaren. Voor vragen kunt u steeds terecht bij ons personeel”. Wel jammer dat er geen personeel voorhanden is om je zachtjes te begeleiden als je dag in dag uit tijdens het journaal al die dagelijkse hartverscheurende oorlogsbeelden op jouw netvlies ziet passeren…

Facebook-bericht van 17/5/2025 (Voor wat meer uitleg bij de foto’s)

De ‘Nachtreis’ van Hans Op de Beeck, meer dan één omweg waard!

Dwalers over de Aarde worden we hier ooit wel allemaal.

Er zijn de voorbije maanden al talloos veel impressies beschreven, gevoelens opgeroepen en massa’s foto’s geplaatst van en door bezoekers aan de tentoonstelling ‘Nachtreis/Nocturnal Journey’ van Hans Op de Beeck die sinds eind maart loopt in het KMSKA in Antwerpen. En wat had je gedacht, ook wij kwamen donderdag laatst aardig onder de indruk van een intense nachtreis die meer dan ‘één omweg waard is’.

Pas heb je een voet binnen gezet in het bevreemdende verstilde universum van Op de Beeck of je bent er niet meer. Of toch niet meer in het ‘hiernumaals’ maar ergens in een tussenwereld waaraan je langzaam helemaal aan went maar waar je toch nooit helemaal hoogte van krijgt. Bevroren als je bent, ondergedompeld, haast geruisloos verdwenen. Verstild.

Nachtreis/Nocturnal Journey neemt je mee al weet je niet zo goed waarheen. Nee, noem het geen nachtmerrie. Eerder is het een milde koortsdroom waarin je terechtgekomen bent. De ontmoetingen vloeien in je over. En in elkaar. Er is het meisje dat zeepbellen blaast (Tatiana, Soap Bubble), het meisje dat slaapt (Sleeping girl), het meisje dat in moeders schoenen stapt (Zhai-Lisa, Mother’s shoes) en het meisje dat met haar kleine handen de touwtjes bindt (Lauren).  Maar er zijn ook nog een pak andere sprookjesfiguren die Op de Beeck met zijn multidisciplinair toverstokje in de toeschouwer weet naar boven te halen. The Horseman, The Boatman, Mum en Dad, Hélène de fragiele bokser, Brian (Rock) en Maurice… Ze zijn er allemaal. Je beweegt je in een ware Wunderkammer (The Pier). Je raakt verzeild in een paalwoningendorp met gesluierd licht (“The Settlement”) waarin je nog het liefst een paar dagen overnachten wou.

En ja het werk dat we verleden jaar al in Watou (afdeling De Lovie) zagen is er ook: “My bed a raft, the room the sea and then I laughed some gloom in me”. Het landschap van de verbeelding slorpt je ook hier helemaal op. Neemt je in! Dichters en dromers… Dwalers over de aarde worden we hier ooit wel ’s allemaal.

Hans Op de Beeck is nog net geen 56 maar is – zeg het maar gerust met evenveel woorden – aangekomen op het toppunt van zijn veelzijdige artistieke mogelijkheden.  In de video ‘Staging Silence (3)‘ die heel verhelderend de tentoonstelling afsluit zie je hoe de meester (en zijn medewerkers) een aantal tipjes van de sluier en van de magie van zijn kunnen oplicht.
Fascinerend om te zien hoe niets voor niets staat in het werk van Hans Op de Beeck… Met zoutvat en pepermolen als attributen zet hij de wereld neer die de zijne is, en van ons allemaal. Sneeuw verschijnt, klei wordt uitgerold, de haardroger doet zijn werk. Pralines voor de huizen. Broccoli en paddestoelen, de armband laat de parels vrij en je staat meteen op de Brug van Praag.

De kunsten zijn vandaag harder nodig dan ooit”, liet Hans Op de Beeck ergens optekenen. “Er loopt zoveel fout in de wereld momenteel, en de kunsten zijn voor mij de ideale manier om empathie en harmonie met anderen aan te wakkeren, om een vorm van schoonheid terug te vinden, en weer aandacht te krijgen voor wat menselijk en bijzonder aan ons is.”
Jonas Mortier in ‘De Morgen’ van 25 maart 2025.

Nachtreis/Nocturnal journey”, van Hans Op de Beeck loopt nog tot 17 augustus 2025 in het KMSKA in Antwerpen. Curator: Annelien De Troij.

Hans Op de Beeck-Wikipedia-pagina
Website Hans Op de Beeck
Expo Nachtreis op de KMSKA-site
Staging Silence (3) op YouTube

De aarde van april – Editie 2025

De Aarde van April

En dan is het weer zover… Daar is ze opnieuw, in vol ornaat: de Aarde van April. Zonder aarzelen. Zonder dralen. Het metaal van de ploegen blikkert hard en scherp de velden in. Opnieuw breekt open wat straks zonder op- of omzien aan het groeien slaat. Laat alles nu maar voorgoed beginnen. Het zaaien en het planten… Het toevertrouwen! Laat aan het dode land opnieuw seringen ontspringen, want ja, zoals elk jaar weten en vermoeden we, beseffen we eensgezind met onze goeie ouwe vriend, de ouwe heer T.S. Eliot: “April is en blijft de wreedste maand”. Wees daar maar zeker van. Reken maar dat straks alles zal wijken. Dat alles aan het splitsen slaat… Straks komt het gejuich van binnenin. Onstuitbaar en diep vanuit het Hart van de Aarde. Niets dan Aarde van april!

‘April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.’ (…)

© Thomas Stearns Eliot – The Waste land

Een boek als een milde koortsdroom

Over ‘Het Jaagpad‘ van Paul Verrept
Op het leeslijstje (21)

Un beau soir l’ avenir s’ appelle le passé’ van Louis Aragon

De onafhankelijke boekhandels reiken met de Confituur-Boekhandelsprijs elk jaar een prijs uit aan een boek dat meer aandacht verdient dan het (tot hiertoe misschien) gekregen heeft. Komende woensdag 23 april 2025 op ‘Wereldboekendag’ weten we wie de opvolger wordt van Rik Van Puymbroeck die verleden jaar geheel en al terecht de prijs kreeg voor ‘Treurwil‘, zijn eerste literaire roman. Vijf auteurs bevolken voor 2025 de shortlist: Marieke De Maré met ‘Ik ga naar de schapen‘, Tim ’s Jongers met ‘Armoede uitgelegd aan mensen met geld‘, Safae El Khannoussi met ‘Oroppa‘ (eerder al laureaat van de Boon-prijs), Paul Verrept met ‘Het Jaagpad‘ en de dichter-romancier Tomas Lieske met zijn roman “Wij van de Ripetta“. Eén voor één zijn het boeken die de prijs best wel zouden verdienen.

Zelf loop ik meer dan gewoon warm voor ‘Het Jaagpad’ van Paul Verrept. Het was het eerste boek dat ik las van deze schrijver die ook bekendheid geniet als illustrator en grafisch ontwerper en ook betrokken is bij ‘Bebuquin’, een uitgever van toneelteksten. En zeker is: het zal niet het laatste boek zijn dat ik in de toekomst van hem zal lezen.

Ik las ‘Het Jaagpad’ tijdens een koude decemberavond van 2024 op een Blankenbergse hotelkamer (in Hotel José), net groot genoeg om twee mensen een warme tijd te bezorgen. En zoals dat gaat met plaatsen waar je iets las dat je midscheeps wist te raken zal dat hotel voor mij persoonlijk wel voor lange tijd met dit boek verbonden blijven.
 ‘Het Jaagpad’ zorgt van meet af aan voor een sfeer waarin je helemaal wordt ondergedompeld. Het boek vangt aan met een cursief gedrukt sfeerbeeld, een poëtische proloog zo je wil, die al een beetje de contouren schetst van waar de schrijver met de lezer heen wil.

De stad is zoals alle steden. Ze is verzadigd, opgeladen, draagt in zich wat was, wat is en wat gaat komen. Ze is betoverd, zoals alle steden.” (Pagina 7)

Het is in die betoverde en toch naamloze stad (met heel veel herkenbare Brusselse accenten) waar Paul Verrept zijn twee hoofdfiguren laat bewegen. De gepensioneerde oudere Lucas brengt zijn dagen wat uitzichtloos door op een flat gelegen aan een groot kruispunt in de stad. Op een dag neemt hij de trein terug naar zijn verleden.
Ongeveer simultaan verlaat Claus, een student van achttien, zelf ook zijn dorp om vol jeugdig verlangen en enthousiasme het volle leven in ‘de grote stad’ te gaan ontdekken.
Rondom de beide figuren ontspint er zich een fijnmazig netwerk van “schijn en werkelijkheid”. Lucas is gefascineerd door Claus (de namen zijn elkaars anagram!) die op zijn beurt erg aangetrokken wordt door het meisje ‘Maria’, net als Claus een eerstejaarsstudent. De figuren raken in het verhaal met elkaar verstrengeld. Identiteiten neigen naar elkaar.  Heden en verleden vloeien in elkaar over, intens gekleurd door eenzaamheid, menselijk verlangen en begeerte. Het Jaagpad is een subtiele kleine roman – het boek telt ‘slechts’ 120 pagina’s – waarin er vooral ook voor “de stad” een hoofdrol is weggelegd. Heel regelmatig voel je je daarin als lezer zowaar een voyeur.

In korte zinnen – er zit vaart in dit dunne boekje – lijkt ‘Het Jaagpad’ op een milde koortsdroom.

Onder hem ligt de stad. De zon hangt al lager. Claus stelt zichzelf voor, daar, in de stad, in allerlei gedaantes loopt hij er rond. Als kunstenaar, schrijver, minnaar, in drukke gesprekken gewikkeld. In cafés en theaters, rokend, drinkend.” (Pagina 76)

In een tweede cursief gedrukt prozastuk op het einde van het boek lees je:
De stad is een schrift, waarin elke beweging, elk gebaar, elk woord en elke gedachte onuitwisbaar wordt opgeschreven en bewaard’.
De stad slaat op, houdt vast.”  (Pagina 113)

Het Jaagpad‘ is een fascinerend en fijnzinnig boekje dat blijft nazinderen met hoofdfiguren die in elkaar lijken te willen vloeien en die je lang na lezing niet los willen laten.

Hij denkt dat hij de jongen ziet nu.
Hij is er. Hij is er niet. Hij komt dichterbij.
Hij is nu vlakbij.’

Paul Verrept – Het jaagpad. Koppernik – Amsterdam. 120 blz. €19,50

Update van 23/4/2025
De Confituur-prijs voor 2025 gaat naar de fijne roman “Ik ga naar de schapen” van de Brugse schrijfster Marieke de Maré. En hét spreekt dat we ons ook in deze keuze perfect kunnen vinden! Alvast onze gelukwensen!

Meer info via dit VRT-Nws-bericht.


#desmaakvanconfituur #confituurboekhandelsprijs #shortlist #literaireprijs #confituurboekhandels #onafhankelijkeboekhandels #samenonafhankelijk
#paulverrept #uitgeverijkoppernik

Recensie André Keikes – Tzum
Uitgeverij Bebuquin
Website Paul Verrept
Wie droedelt, die blijft: auteur Paul Verrept over schrijvers die tekenen in de marge (Art De Standaard)
Wereldboekendag 23 April

Foto: Bert Bevers – https://detafelvan1.blogspot.com/2013/05/paul-verrept.html

Francis Cromphout bespreekt ‘Het Omber en het Oker’

Vrijdag 11 april 2025

Op De Schaal van Digther bespreekt Francis Cromphout mijn nieuwe bundel ‘Het Omber en het Oker’! Het is een mooie en warme recensie geworden waarvoor veel dank, Francis!
Dit is het linkadres:
https://digther.blogspot.com/2025/04/poezie-als-een-bedachtzame-oefening-in.html

Poëzie als een bedachtzame oefening in empathie

Het Omber en het Oker” is de titel van de zesde dichtbundel van Paul Rigolle. Hij verwijst hierbij naar aardkleurige pigmenten die vanuit de natuur hun weg vinden in de kunst. Deze titel bevat ook een taalspel die het nauwe verband toont tussen de fysieke ervaring van deze diepzinnige dichter en fietser met de poëtische taal. Zo leest men in het prachtige gedicht “Jaagpad”: “trage wegen dragen ons als leestekens in het landschap”.

De bundel bevat zes cycli die zijn persoon in diverse hoedanigheden weergeven. In “Een stem in de tijd” onderzoekt hij zijn dichterschap dat hij ziet als een “Missie”: “over de wereld, over de dagen en de dingen zal je zingen als zonder reden”. “Als”, maar niet echt zo, want zijn poëzie betracht een terugkeer in de tijd naar “de eerste taal” en dit aan de hand van verrassende beelden zoals “de dichter gooit de vogel als een handschoen op het plein” en “ wuivend, wevend keert hij terug in de tijd en in de taal”. Geduldig arbeidt hij via “de trage triomftocht van het gedicht” om op die wijze “ergens even (te) zijn, even (te) blijven” en “een stem te hebben in de tijd”.

In“Fragmenten van het huis” bezingt hij het huiselijk geluk. Hiervoor dompelt hij zich diep in de tijd “als een dier dat in holtes woont”om van daaruit opnieuw de weg te vinden “naar waar ik al jaren werk en woon en schrijf”. Dit huis is de plek van de liefde die hij deelt met zijn vrouw: “het huis plooit ons open…leest ons gulzig bij elkaar” en “het licht in de kamer (mag er) samen met ons van geluk spreken”. Een geluk dat hij vastlegt als “een bevroren beeld, rond een tafel geschaard…als aan de beide zijden van een evenaar”.

Rigolle’s fascinatie voor kunst en schoonheid komt aan bod in de cyclus “Het Omber en het Oker”. Hij stelt dat “wat je erft, is waar je aan moet komen, een plek, een taal, dingen die getuigen”. Dit is bijvoorbeeld een smidse of een schildersatelier waar hij is “alleen met een penseel van varkenshaar dat op het linnen van de wereld niets dan wonden hechten wil”.  Sterker kan de dichter doorheen de artistieke betrachting van de schilder zijn diepgeworteld mededogen met mens en wereld niet uitdrukken. In het gedicht “Het Omber en het oker” toont hij de afhankelijkheid van de schilder van het kleurenpalet: “Op hun ovaal ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij”. En de huizen die hij schildert weten dat hij hen geen angst voor het donker wil bezorgen “als hij hen met zorg tussen de sneldrogende heuvels van hun keuze “ schuift. “Roebel” heeft het over de tijd als een “ding waarin je kijken kunt”, een reis naar Sint-Petersburg bijvoorbeeld waarbij het beeld verschijnt van kinderen  “met kleine uitgestoken handjes,  bedelend om wat Roebel”.

Het werelds geluk vinden wij verwoord in ”Een jaagpad in de regen”.In het gedicht “Mijn stad” breekt “ op elke rotonde een beeld de hemel open” en “wie hier wil wonen zoekt niet meer naar een reden om hier te blijven”.”Mohair” schreef hij voor een cluster hoofdpijn patiënt. Mohair is er als herinnering aan pijnloze zachtheid en de dichter verzet zich tegen het idee dat pijn “bij het lichaam hoort als de schaduwkant bij een gebouw”. Ook drukt hij de hoop uit dat de pijn “op een dag in het niets verdwijnt. In “Camino, met Hindemith in het oor, komt hij  – iets wat mij doet denken aan het gedicht “Caminante” van Antonio Machado -, uit “waarheen de weg dat van ons wil”. En in het prachtige “Jaagpad” komt hij tot het besluit: “geluk is een jaagpad in de regen”.

Het heimwee van de bladen naar het boek” is met zijn dagboekgedichten de meest persoonlijke cyclus. Mooi is “Alles voor de film” dat herinnert aan het ogenblik waar een vader en een zoon (zijn zoon filmmaker Jasper) aan elkaar gelijk worden..”Croix de fer” is de col die hij al fietsend bedwingt met de gedachte aan de legendarische renners die hem daar zijn voorgegaan.

Ontroerend is “Rustoord” dat een liefdevol eerbetoon is aan zijn vader met de mooie, maar schrijnende slotzin ”alles maak ik voor hem mooi, terwijl hij in mij ogen kijkt en iemand anders ziet”. ”Bypass” verwoordt de “vurige hoop…dat morgen de glans terugkomt in jouw ogen”. In “Nauwelijks een gerucht” is niets hoorbaar op de dag waar nochtans intens gecommuniceerd werd zonder woorden  en de bladen “mateloos (trillen) in hun heimwee naar het boek”. Bij een afscheid (de fotografe Maaike Bearelle) stond een torenkraan als een knipmes boven de stad die dag in november”. Deze en andere mooie beelden zijn een poëtische oefening in empathie, die de dichter als volgt verwoordt: “Vereeuwigd hoeven we niet te worden, Eén ogenblik lang het licht vast te mogen houden in de blik van mensen, kan volstaan”.

In de laatste cyclus “De acht letters van het woord afscheid”, wordt de oefening in empathie verder gezet in de drie gedichten die gewijd zijn aan zijn betreurde vriend Dirk Pollet. ”Bries” is het beeld dat de dichter gebruikt om de eindigheid te verwoorden: “Valt dan de hemel in bij wie net als jij wennen moet aan het idee dat niets ooit zo eindig was als een zachte bries in het ochtendraam”.

Merel” vertelt de aftakeling van wie zal sterven. Maar als “alles wat geweest was aan je oog voorbij (trok)” kan hij als bij wonder noteren“hoe onhoorbaar soms de merel zingt tot het ochtend wordt”. In “Krijt” beschrijft Rigolle de dood  als “het ik valt weg in het ons”. Zacht maar onherroepelijk is het einde. “Nog even staan de woorden in het krijt tot ze door de regen worden uitgewist”. Je moet een groot dichter zijn om doorheen deze uitgelezen beeldspraak de menselijke conditio zo treffend weer te geven.

© Francis Cromphout

PaulRigolle, “Het Omber en het Oker”, gedichten, Uitgeverij P, Leuven, 2025, 19,5 euro.

—————————————————————————–

Tweespalten

Pascal Cornet bespreekt ‘Het Omber en het Oker’
Facebook-post van Do 10/4/2025

Pluk
Iedereen die mij een beetje kent weet dat ik veel waardering heb voor de mens en schrijver Pascal Cornet. Hij was niet alleen op de voorstelling van ‘Het Omber en het Oker‘ aanwezig in De Snuffel (wat mij veel plezier deed) maar hij heeft intussen de bundel ook zeer aandachtig gelezen. Waarvoor veel dank. Cornet zorgt met ‘Tweespalten‘ voor een recensie die in geen enkel literair tijdschrift zou misstaan. Ook zijn slotsom is er een die ik graag noteer:

Het Omber en het Oker” is een bedachtzaam, traag en afwachtend tot stand gekomen bundel waar de lezer veel pluk aan heeft. “
Hieronder lees je de volledige recensie

‘Alsof je bent voorbestemd om alles / vast te houden moet en zal je zingen.’ Zo begint ‘Missie’, en meteen ook *Het Omber en het Oker*, Paul Rigolles eerste bundel in twaalf (!) jaar. Dat openingsgedicht, meteen een intentieverklaring, eindigt als volgt:

Over het pierewaaien, het konkelfoezen
van de taal en de tijd die jou gegeven is,
over de wereld, over de dagen en de dingen
zul je zingen als zonder reden.

‘Konkelfoezen’ betekent zoveel als samenzweerderig en onhoorbaar, en dus onbegrijpbaar voor anderen, iets bedisselen. Ik lees hier dat de dichter niet alles weet over zowel taal als levensduur.

Het ‘Alsof je bent voorbestemd’ (de eerste woorden van het gedicht) contrasteert met het zelfrelativerende ‘als zonder reden’ (de laatste woorden). De dichter zou zichzelf met voorbestemdheid een grote allure kunnen toemeten, maar hij stelt die hoge verwachting meteen bij: hij zal ‘zingen als zonder reden’. Toch is zijn aan zichzelf toegemeten taak (‘moet en zal’) niet van belang gespeend want:

In naam van velen, leen je een stem aan
wie op een dag zonder spoor verdween.

Waarbij in het midden wordt gelaten wie die spoorloos verdwenene dan wel mag zijn – al heb ik een sterk vermoeden dat Rigolle het hier minstens ook over zichzelf heeft (naast de dierbaren die hem al zijn ontvallen en die hij hier en daar in zijn bundel een stem geeft en zodoende gedenkt). Rigolle mag dan een bescheiden dichter zijn of willen zijn (hij zingt ‘als zonder reden’), hij aarzelt toch ook niet om zichzelf, als persoon, een schier kosmisch belang toe te dichten: ‘Een stem te hebben in de tijd / niets meer en niets minder.’ (‘Een stem in de tijd’). Maar ook hier botst het plechtstatige met een relativerende inschatting van de eigen betekenis, in zowel tijd als ruimte: ‘Ergens even zijn, ergens even blijven.’ En:

weten dat wij – moleculen in een heelal
waar we enkel naar kunnen raden –
niets dan toeval zijn. En nooit, nee nooit
de genade vergeten van dat ene leven
dat het jouwe is en niet dat van een ander.

Paul Rigolle balanceert met zijn poëzie op de spanningsboog tussen nietigheid en uniciteit. (Is dat niet de uitdaging voor elke dichter en bij uitbreiding elke kunstenaar?) Want het bestaan, zijn bestaan, mag op kosmologische schaal gemeten (ik denk als vanzelf aan Luceberts kruimel op de rok van het universum) een nietig toeval zijn, de dichter zal en moet zich daartegen verzetten: ‘ons brein // laat niets aan toeval over’. Het mag dan al een vorm van ‘hoogmoed’ zijn, de dichter moet ‘[k]eer op keer’ de waarheid omdraaien ‘en wachten / op de lessen die het leven ons moet geven’. Hij moet ‘van elk plafond // een hemel’ maken. De dichter is een aan de aarde (aan zijn nietig- en sterfelijkheid) gekluisterde hemelbestormer. (Alle citaten in deze alinea uit ‘Okkernoot’.)

Het ‘zingen als zonder reden’ van het openingsgedicht lijkt op een gebrek aan verantwoording te wijzen, op het ontbreken van een beredeneerde en dwingende poëtica. (Of toch minstens op het niet nadrukkelijk aanwezig zijn ervan.) Niettemin licht Rigolle toe wat dat zingen zonder reden voor hem betekent. Schrijven lijkt in elk geval een receptiviteit, een passiviteit in te houden. In ‘Dag Ludwig’ spiegelt de dichter Rigolle zich aan Wittgensteins pleidooi voor zwijgen (‘Waarover men niet spreken kan…’). En als het dan geen zwijgen kan zijn, dan toch minstens een gezonde portie bedachtzaamheid: ‘Vooraan op de tong ligt, // na al die jaren, nu ook bij mij het woord / dat vaker niet, dan wel geschreven wordt.’ Maar zwijgen kan de dichter – op straffe van geen dichter te zijn – natuurlijk nooit helemaal: ‘Tot iemand zichzelf verrast en wel / in het wonder van het schrift verstaat.’

Rigolle lijkt mij hier te suggereren dat hij niet de volledige controle uitoefent over zijn schrijven, over de manier waarop de woorden ontstaan en, zich aaneenrijgend, gedichten vormen. Wellicht bedoelt hij iets gelijkaardigs wanneer hij in het titelgedicht van zijn bundel – dat niet over dichten maar over schilderen gaat – stelt: ‘En toch ben ik het niet. Op hun ovaal [van het schilderspalet?, PC] / ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij.’

Tussen actieve controle en passieve inspiratie: schrijven is een noodzaak. In het (erg sombere) klimaatcrisisgedicht ‘Toeverlaat’ heet het:

de woorden van de dichter krullen in het vuur.
Uit de botten van de taal – niets dan taal
en toeverlaat – snijdt hij een instrument
voor het spelen van een tragisch lied.

Hoe het komt dat de nieuwe bundel zo lang op zich heeft laten wachten, weet ik niet, maar de manier van schrijven – de bedachtzaamheid en het wachten die daarmee gepaard gaan – zal er zeker niet vreemd aan zijn. ‘Wat er komt en wat er staat valt nog lang / niet af te lezen van het blad.’ (‘Orgelpunt’). Rigolle hengelt niet naar snel en gemakzuchtig succes: ‘Het haantjesgedrag van hen / die garen spinnen van het rijm’ (let op het kluchtige contrast van haan en hen). Schrijven is verduldig schrappen: ‘Niets // valt op zolang het niet ontbreekt’. Het is een werk van lange adem vooraleer de dichter, zeer op zijn hoede voor rijm, humor, zoemende en zingende ‘zoete mechaniekjes’, zijn gedicht ‘welhaast geluidloos’ kan laten meestappen in een ‘trage triomftocht’.

Op die traagheid komt Rigolle nog eens terug in ‘Jaagpad’. Dat gedicht gaat over geluk maar ook over schrijven en over het leven in de avond des levens. Het begint als volgt:

Trage wegen dragen ons als leestekens
in het landschap. Even halt te houden,
even een punt te zetten. Kijkend naar
wat achter ons ligt en naar wat nog
moet komen, zoveel tijd is er ons gegeven
om ons niet te moeten haasten.

Ik heb het in deze bespreking niet over de gedichten over huis en huiselijkheid gehad (in de cyclus ‘Fragmenten van het huis’) en over beeldende kunst en het ervaren van schoonheid (de cyclus ‘Het omber en het oker’).

In weerwil van de ouderdom (‘Veel rest er het slome, vermoeide lichaam niet.’ (‘Respijt’)) blijft Rigolle vatbaar voor geluk. Bijvoorbeeld bij het fietsen op een Franse berg (‘Croix de fer’): ‘Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!’. Of bij de liefde, met dien verstande dat zij de fundamentele eenzaamheid nooit ongedaan kan maken: ‘het lieve leven verscheurt ons bij elkaar’ (‘Respijt’).

Dergelijke tweespalten zijn *passim* aanwezig in deze bundel: verscheuren/liefde; ‘Er zal neergang zijn en verblijding!’ (‘Mijn stad’); ‘Eén ogenblik lang het licht vast te mogen / houden’ versus de eeuwige duisternis van de dood (‘Knipmes’, een gedicht over een te jong overleden fotografe); pijn en satijn (‘Mohair’):

Altijd is er de hoop dat alles
wat ons aan pijn en puin in lichterlaaie zet,
op een dag in het niets verdwijnt.

Het Omber en het Oker is een bedachtzaam, traag en afwachtend tot stand gekomen bundel waar de lezer veel pluk aan heeft.

© Pascal Cornet

Paul Rigolle, Het Omber en het Oker, uitgeverij P

Website Pascal Cornet
Tweespalten bij Pascal Cornet

Inleiding van Tania Verhelst op ‘Het Omber en het Oker’ op de VWS-site ‘Dun lied donkere draad’


Op de VWS-site ‘Dun lied donkere draad‘ staat intussen dankzij de goede zorgen van Koen D’Haene de inleiding die dichter Tania Verhelst op zondag 23 maart 2025 uitsprak bij de voorstelling van de bundel in het Snuffel-Hostel in Brugge.

Hier volgt de tekst:

Op zondag 23 maart stelde dichter Paul Rigolle in Brugge zijn nieuwe poëziebundel Het omber en het oker voor.

Paul houdt al zowat een halve eeuw de dingen en de dagen bij. Sinds vele jaren is hij bestuurslid van de VWS en mederedacteur van Jaarwerk, het literaire jaarboek van de vereniging. Maar Paul doet nog veel meer. Hij vult dozen met schrijfsels en notities en rapporteert en registreert literaire gebeurtenissen op literaire blogs en sociale media. Er is weinig dat hij niet ziet, niet hoort, niet leest en niet schrijft.

Vaak zijn er gedichten, soms een nieuwe bundel. Paul’s nieuwste bundel Het omber en het oker (uitgeverij P.) kreeg een fijne voorstelling in de Brugse Snuffel. Er was heel veel volk afgezakt naar de stille Brugse binnenstad. Tania Verhelst leidde de bundel in, Paul vertelde over zijn gedachten en gedichten in dialoog met Edward Hoornaert en las en signeerde er vervolgens op los. De warme jazz- en diepe bluestonen van ‘The Caravan Juke Joint Band’ maakten de literaire morgen compleet.

Maar de meeste aandacht moet naar de nieuwe bundel gaan. Hieronder lees je de integrale tekst van de inleiding van dichter Tania Verhelst. Je krijgt meteen een kleine bloemlezing uit de bundel.

” Paul Rigolle vroeg mij zijn bundel in te leiden. Ik zal dat doen aan de hand – hoe anders – van zijn gedichten. Ik ga er geen grote analyses op los laten, dat laat ik over aan de schriftgeleerden, maar vooral die gedichten uitkiezen die ik mooi vind, die mij raken en u laten meegenieten.

Wat mij opviel: Paul Rigolle is een man die kijkt. Hij kijkt naar dingen, mensen en onderzoekt dat kijken in zijn taal.

In ‘Jaagpad’ klinkt

Trage wegen dragen ons als leestekens
in het landschap. Even halt te houden,
even een punt te zetten.

In enkele beelden vangt hij een wereld. Een wereld die voorbij is, of een wereld die zich in al zijn intimiteit toont.

Zo zegt hij in het gedicht met als titel ‘Interieur’:
Badend in het avondlicht plooit het huis ons open,
leest ons gulzig bij elkaar.

Zelfs geluiden worden zichtbaar gemaakt:

Een torenklok morst met klanken, veegt ons de mantel uit
 (‘De tocht van Fibonacci’).

Ook het gedicht ‘Knipmes’ begint met een observatie:

Er stond een torenkraan als een knipmes
boven de stad

Het is een in memoriam gedicht voor iemand die ook door kijken bezeten was, een fotografe.
Het eindigt met:

Vereeuwigd hoeven we niet te worden.
Eén ogenblik lang het licht vast te mogen
houden in de blik van mensen, kan volstaan.

En weten dat wat bij de gratie
van het beeld wordt vastgelegd,
ons al zoveel langer voor ogen staat.

Die gratie van dat ene ogenblik vat hij ook in de act van de wielrenner:

Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!
De weg die klimt sloopt wat je voor het laatst
had opgespaard. Het leven hier heeft aan zichzelf
genoeg. Een intens geluk is het om voor eeuwig
en een dag in dit decor een figurant te mogen zijn.

Wat wil je dan met al dat kijken? Misschien klinkt iets van een antwoord in het gedicht ‘Atelier’:

Van de verf de gedaante. In staat tot veel,
bereid tot alles. En alleen, tot op het laatst
alleen met een penseel van varkenshaar
dat op het linnen van de wereld
niets dan wonden hechten wil.

Hij kijkt naar de wereld en laat de wereld naar hem kijken. En soms lijkt zijn perspectief open te barsten in een ander perspectief.

De dichter plaatst ook vraagtekens bij dit hier en nu. In vele gedichten laat hij een andere werkelijkheid om de hoek kijken. Of in een denkbeeldige toekomst kijkt hij naar een denkbeeldig verleden. Daarbij is de ik-figuur oud, ouder dan de geschiedenis van een mens. Wat te denken van de perspectieven in het volgende gedicht

Evenaar

Elke kier en kamer ken ik, elke vezel
van dit huis. Niet eens zeker of ik
wakker ben of waak herinneren zich
in mij de diepste tijden.

Zoals het dier zichzelf herhaalt, opnieuw
in holtes woont, zich opricht plots
en rechtop gaat lopen verdwijn ik naar waar
ik al jaren werk en woon en schrijf.

En wij beiden als zon en maan, ooit bevriest
ons beeld. Ooit vindt men ons nog wel ‘s
in de boeken van een uitgestorven soort terug:
exemplarisch, rond een tafel geschaard

als aan de beide zijden van een evenaar.

En natuurlijk gaat het om meer dan kijken. Kijken is ook maar een excuus om te zien wat je niet kunt zien. In respijt komen vele thema’s samen. liefde, vergankelijkheid, ouder worden, tijd, zorg, maar dan veel mooier verwoord dan deze grote woorden dat kunnen:

Respijt

Veel rest er het slome, vermoeide lichaam niet.
Op dagen als vandaag legt het zich met zorg
en zonder aarzelen onder jouw handen
en het gestreel van hun vingertoppen neer.

Dit is een dag die niet veel van het leven vraagt.
Weinig om het lijf en tot zachtheid voorbestemd
haal ik adem in een huis dat ons tot schuilplaats dient.
Buiten trekken vrachtboten lijnen in het kanaal.

Af en toe lijkt het alsof je een misthoorn hoort.
Een thuiskomst zonder huis, een bed zonder dons
of lakens, het lieve leven verscheurt ons bij elkaar.
Respijt, dat pas, is een woord waarvan ik hou.

En tot slot lees ik het titelgedicht waar alles samenkomt: schilderen, schrijven, lezen, dankbaar zijn om zoveel leven

Het omber en het oker

‘don’t be afraid of the dark’
The Robert Cray band.

Zoveel dagen zijn er, zoveel nachten
waarop ik niet meer weet hoe, of waar
ik de bergen wil. Er is het blauw waarbij ik
aarzel of ik naar de hemel ga. Er zijn
het omber en het oker, het geel uit Napels.

Er is het schreeuwen van het rood. Wit
dat blind en stom aan al mijn handen likt.
En toch ben ik het niet. Op hun ovaal
ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij.

De spiegel maakt geen bezwaar dat ik
in hem mijn ogen doe. En de huizen,
de huizen weten best dat ik in hen
geen wanhoop, geen angst voor het donker wil,
als ik hen met zorg tussen de sneldrogende
heuvels van hun keuze schuif.

Het omber en het oker van Paul Rigolle verscheen bij Uitgeverij P.

(Verslag: Koen D’haene)

Facebook-bericht van 31/3/2025

Roes – Editie Lijfspraak

Fijne ‘Lijfspraak‘-avond van Roes & Obsidiaan gisteren in PTBarn in Roeselare! Met dank aan de Stadsdichter van Roeselare, Steven Van Der Heyden voor de mooie organisatie!

Met de dichters Johan Clarysse, Elke Couchez, Steven Van Der Heyden, Ludwien Veranneman en Paul Rigolle. En voor de muziek: Sam Vandamme van de Bvba Vandamme.

#stadsdichterrsl #ptbarn #stevenvanderheyden #elkecouchez #johanclarysse #ludwienveranneman #paulrigolle #obsidiaan #collectiefObsidiaan #bvbavandamme #samvandamme

Facebook-bericht van 30/3/2025

Lang leve de boekhandel!!!

Kijk ’s aan: ‘Het Omber en het Oker‘ is al opgemerkt op wel héél mooie plaatsen… Lang Leve de Boekhandel!!! Foto’s respectievelijk uit de Limerick in Gent en de boekhandels Raaklijn en De Reyghere in Brugge.

#hetomberenhetoker #boekhandelLimerick #boekhandelRaaklijn #boekhandeldereyghere

“Het Omber en het Oker in de boekhandel” – Resp. Boekhandel Raaklijn in Brugge, Boekhandel Limerick Gent en Boekhandel De Reyghere in Brugge. Waarvoor dank!