Drie woorden – Oh Oostende

Woensdag 9 Juli 2025

Facebook-bericht van 9/7/2025 

Blauwe notities: “Aankomen in Oostende”

In de reeks “Drie woorden om de dag aan op te hangen” weerhouden we – uiteraard na rijp overleg – de woorden:

– tinsen
– polyinterpretabiliteit en
– rebels

(Al konden dat vanzelfsprekend ook drie andere woorden geweest zijn… )

Foto: Philippe Cailliau en ik op het Zomerterras van Café Du Parc – dinsdag 8 juli 2025.

#aankomeninOostende
#blauwenotities
#demanmetdeleesbril

Mark Braet 100

Gisterenavond werd in de Brugse Snuffel de 100° geboortedag van dichter en vertaler Mark Braet (1925-2003) herdacht.

Foto © Jan Lievens

Ik schreef op De Schaal van Digther een kort verslagje over een avond die een waardige hommage werd. Nu ook hieronder na te lezen.

Dinsdag 8 Juli 2025
Mark Braet 100

Denkend:
overal
zijn we geweest,
waren we,
zullen we komen.
Niets of niemand ontneemt ons
de herinnering.
(gedenkprentje Mark Braet)

Gisterenavond, maandag 7/7/2025 werd in de Brugse Snuffel – dag op dag – de 100° geboortedag van Mark Braet (1925-2003) herdacht. Het werd in samenwerking met het Frans Masereelfonds een waardig eerbetoon aan een dichter, vertaler en maatschappelijk en politiek bewogen man die in Brugge en elders in de wereld via zijn poëzie (en die van anderen zoals die van Pablo Neruda) een aantal mensen op zijn hand, en – te nemen of te laten – zeker ook in zijn hart kreeg. Het thema van de avond was, geheel in de lijn van de persoonlijkheid van Mark Braet, “Engagement en Poëzie“.

Peter Holvoet Hanssen trad op als ceremoniemeester van dienst en deed dat op zijn eigen onnavolgbare manier. Hij werd op gitaar geruggensteund door Myrddin De Cauter, jongste telg uit de De Cauter-dynastie. Peter Holvoet-Hanssen brak in en kaapte bekende (“Sulamith“) en minder bekende gedichten van Braet alsof ze al jaren tot zijn eigen Kapersnest behoren.
Ze werden afgewisseld door Rik Hemmeryckx, conservator van het Emile Verhaeren-museum die op een serene manier toelichting en duiding gaf bij leven en werk van de dichter.

Nele Ghyssaert, de weduwe van Mark, dankte aan het eind van de avond alle medewerkers aan deze bijzondere avond en ook het talrijk opgekomen publiek met vooral mensen die Mark bij leven hebben gekend. Nele Ghyssaert staat al jaren garant voor een zeer gedetailleerde en boeiende website gewijd aan Mark Braet die nog geregeld wordt aangevuld. Het loont de moeite om ’s een kijkje te gaan nemen!

Later op het jaar gaat de Mark Braet 100-herdenking nog door met in oktober een tentoonstelling in de Bogardenkapel “Mijn kleine kleurdoos” (met werk van Sara Bomans, Johan Clarysse, Peter Jonckheere, Gracia Khouw, Frans Masereel, Peter Puype, Renaat Ramon, Sammy Slabbinck, Geertje Vangenechten en Aäron Willem). Op 18 oktober 2025 volgt er dan nog een avond rond “De dichter“, met acteurs Sam Louwyck en Marijke Pinoy en op 6 februari 2026 (de sterfdag van M.B.) wordt het slotakkoord geplaatst. 

Persoonlijke slotnoot: Vaak, zegmaar elke keer ik in Brugge in de “Craenenburg” een koffie of iets anders ga drinken – al dan niet in fraai literair of ander gezelschap – zie en hoor ik opnieuw de jaren tachtig en negentig terug… En weer hoor ik de stem van Mark Braet, ongeremd schallend doorheen het hele café: “Hey jonge dichter! Hoe gaat het ermee?” 
En ik die dat toen (en nu) niet eens gênant vond. Wel integendeel. Het missen van (bepaalde) mensen gaat immers altijd maar door. 


© Paul Rigolle

#markbraet #peterholvoethanssen #myrddindecauter #rikhemmeryckx #neleghyssaert

Facebook-Bericht van 8/7/2025

Om alles vast te houden

Recensie in Poëziekrant
Facebook-bericht van Vr 4/7/2025

Eerder – op reis in de Finistère en andere Bretoense streken – las ik de recensie al even online. Nu ook op papier. In het 4° nummer van de lopende jaargang van de Poëziekrant bespreekt Jooris van Hulle ‘Het Omber en het oker’. Alweer een recensie waar ik mij enkel over kan verheugen…
Om alles vast te houden…” Misschien is dat wel dé perfecte reden om gedichten te gaan schrijven…

Aan Het omber en het oker, de zesde dichtbundel van Paul Rigolle (1953), gaat onder meer dit citaat vooraf uit de Brieven aan Plinius van Marleen De Crée: ‘Een huis op de wind van het woord. / wonen is een tijd van keren. / maar ik breek open.’ En al even bepalend voor de verzen van Rigolle zijn de er onmiddellijk aan voorafgaande woorden van Hester Knibbe: ‘Doe al wat afleidt weg, de poespas / eromheen voor je begint. Behoud alleen / onzekerheid of je wel woorden vindt / voor wat je drijft.’

Rigolle houdt zich ver weg van vormexperimenten die de schijn van originaliteit moeten hooghouden. Binnen een klassieke vormgeving, waarin een voorkeur opvalt voor de terzine en het kwatrijn, tekent de dichter het kader uit waarin hij zijn aanwezigheid in de wereld bevestigt.

In ‘Een stem in de tijd’, de eerste van de zes cycli uit Het omber en het oker, staat de relatie tot de taal voorop. Wat zich hierbij manifest aandient is de antithese tussen de vervoering die de dichter ervaart bij het schrijven (‘In een klassiek / en wild gebaar maak ik van elk plafond // een hemel’) en de onzekerheid die ermee gepaard gaat als hij zich geconfronteerd weet met de taal van wie hem is voorafgegaan: de taal van het eerste land, zijn geboortestad (‘de taal die hem ooit als een snavelbeet in de vleugel /van een vlinder getroffen heeft. // En treffen blijft’), de taal ook van de wegbereiders in het schrijven, Baudelaire, Wittgenstein en Tsjebbe Hettinga, wiens stem door de ietwat geforceerde allitteraties letterlijk opklinkt in verzen als ‘het talmen het tintelen het tillen van taal’ van ‘een blinde bulderaar, bonkend bluffend en brekend’.

Finaal is het erom te doen een eigen ‘stem in de tijd’ te vinden. Meteen daagt ook het besef van verantwoordelijkheid die het schrijven met zich meebrengt: ‘de tijd / dringt om af te wenden wat ons bedreigt’. Deze stille vorm van verzet breekt ook door in de cyclus ‘Een jaagpad in de regen’, met weer de bekommernis om de teloorgang van de natuur en de nood aan verstilling: ‘trage wegen dragen ons als leestekens / in het landschap. (…) // Adempauze. Pas op de plaats.’

De ik die nadrukkelijk aanwezig blijft in de gedichten, zoekt de beslotenheid van de kamer op, hij legt vast wat hem aan geluksmomenten wordt aangereikt in en door de liefde (‘haal ik adem in een huis dat ons tot schuilplaats dient’), in en door de schoonheid van beeldende kunst (met voorop hier de kleuren, van ‘het omber tot het oker’ tot het ‘schildersverdriet 2,1’, Paul Snoek revisited).

In de binnenwaarts gerichte terugblik komen fragmenten aan bod uit het dagboek van een (zijn) leven, waarin de vader-zoonrelatie wordt belicht (de relatie van de ik met zijn zoon, maar evengoed die met zijn vader die in het rustoord verblijft (‘En dat hij alles maar vergeten blijft. Het is / de tijd, jongen, die aan alles knaagt. (…) // Alles maak ik voor hem mooier terwijl hij / in mijn ogen kijkt en iemand anders ziet.’). De gedichten uit de slotafdeling vormen een emotioneel gedragen lamento voor een overleden collega, ‘de acht letters van het woord afscheid’ maken dat de ik op zoek dient naar ‘de plaats / die een plek zal zijn zonder jou.’ Het omber en het oker herijkt, na ruim een decennium van zwijgen, op een treffende manier het dichterschap van Paul Rigolle.

© Jooris van Hulle

Het omber en het oker

Paul Rigolle
Uitgeverij P, Leuven, 2025, 59 p., €19,50

Koop

Zeventien dagen

Donderdag 3 Juli 2025

“Ha, terug van even weggeweest! Na een intro op het tennisgras van Rosmalen maakten we aansluitend, vanaf 15 juni, een omzwervingstocht (die vanwege de hitte soms meer op een overlevingstocht ging lijken) van 17 dagen doorheen Normandië en Bretagne. Op een paar van onze haltes en stopplaatsen hoop ik hier de komende weken nog ’s wat uitgebreider terug te komen. Want soms ben je – zelfs na lange tijd – nog niet helemaal terug van waar je toevallig bent geweest…

In chronologische vogelvlucht : Van Honfleur waar we begonnen ging het naar Villerville, Trouville, Deauville, Cabourg (Proust!), Rouen, Pleyben, Pont Coblant, Concarneau (“Jerome Seynhaeve”), Saint Pol-de-Leon (mijn Bitossihart volgend!), Chateaulin, Locronan, Crozon, LocMariaQuer, Carnac (mijn eigen gedicht bezocht!), Quiberon, Sarzeau, Plescop, Chartres (dé kathedraal), Illiers-Combray (alweer Proust), Vernon, Giverny (Monet, of wie had je gedacht?) en terug!

Waaruit maar weer ’s blijkt dat een mens een flinke waslijst aan plaatsen, plekken en plekjes aankan! En dat in korte tijd! 😊

Op de foto: “Nous traversons le Pont de Normandie

#deeerstedag #reisjournaal2025

Het menselijk tekort en schoonheid die verwondt

Meander25 jun, 2025

Ook en zelfs terwijl ik nog even op reis ben in Normandie en Bretagne weet mijn uitgever Leo Peeraer mij een aantal fijne berichten te signaleren. Zo laat hij weten dat er in het nieuwe Meander-nummer een erg mooie recensie staat van mijn recente dichtbundel ‘Het Omber en het Oker’. Met veel dank aan Anneruth Wibaut die de bundel wel heel grondig heeft gelezen. En daar ben ik, het mag gezegd, uiteraard meer dan blij mee!

Het menselijk tekort en schoonheid die verwondt

Recensie door Anneruth Wibaut op Meander

‘Wat loopt dat mooi’, dacht ik toen ik de eerste keer de bundel Het Omber en het Oker van Paul Rigolle doorbladerde. Onnadrukkelijk dansen de versvoeten in hun lichte of zware ritme, nergens opdringerig of opgelegd, vorm en inhoud werken samen en versterken elkaar. De bundel, Rigolle’s  zesde, is verdeeld in zes secties. De eerste heet ‘Een stem in de tijd’ en gaat over de noodzaak van het dichten. Het motto ervan wordt geleverd door de laatste regels uit het gedicht ‘Missie’: ‘over de wereld, over de dagen en de dingen / zul je zingen als zonder reden.’

In deel twee, ‘Fragmenten van het huis’, wordt het voortschrijden van de tijd bezongen en hoe vredig de ouderdom kan zijn, zij aan zij met een geliefde en met een veilig thuis. In de afdeling ‘Het Omber en het Oker’ staan de kunsten centraal. Onder andere komt de aan de orde wie eigenlijk de meester is in het scheppingsproces, de baas zo je wilt. Is dat de maker of is het de kunst? In de eerste strofe van het gedicht ‘Het Omber en het Oker’ is een schilder aan het woord die niet zo goed weet wat hij met zijn kleuren aan wil. Zijn twijfel is zelfs groter: ‘En toch ben ik het niet. Op hun ovaal / ben ik de menger niet, de kleuren mengen mij.’ Ook dichters kennen de ervaring dat niet zij de woorden, maar de woorden hen kiezen, alsof ze medium zijn voor de taal. Voor de sectie ‘Een jaagpad in de regen’ vormen de regels ‘vinden wij pelgrims in onze tijd / een tafel in ieder huis uit’ uit het gedicht ‘Camino’ het motief, zoals dagboekgedichten dat zijn voor ‘Het heimwee naar de bladen van het boek’. De zesde en laatste sectie heeft als onderwerp ‘Acht letters van het woord afscheid’. De titel dekt de inhoud.

Ik ervaar geen dwingende reden om me aan de chronologie van de bundel te houden. Bladerend stuit ik op pareltjes als ‘Niets valt op // zolang het niet ontbreekt’, uit het gedicht ‘Orgelpunt’ op pag.41 en gedichten die ik wil herlezen, brieven die de dichter richt aan overleden schrijvers en filosofen, odes aan een mooi stadsgezicht, wandelingen en fietstochten en zelfs een recept.

Huiselijk geluk wordt bezongen zonder enig cliché, dat is knap en verfrissend. Voor het dichten over de oorlogen, de machthebbers en het klimaat geldt dat ook. Een dichter moet vandaag de dag van goeden huize komen om daarover niet in holle oneliners verstrikt te raken. Paul Rigolle komt van goeden huize. Zijn poëzie overstijgt het particuliere, ze geeft ruimte aan de lezer om er ook eigen ervaringen met vreugde of verdriet in te lezen of gedachten daarover te herkennen.

Rigolle snijdt diep menselijke vraagstukken aan die hij behandelt in gewone, alledaagse taal. Zoals in het vraagstuk hoe in het ondergaan en bejubelen van kunst de twijfel binnen kan komen sluipen over het glanzend onbeschadigde ervan. In het onderstaande gedicht uit de afdeling ‘Het Omber en het Oker’ legt hij de woorden weliswaar in de mond van de schrijver Stendhal, maar er staan gedichten in de bundel die de gedachte rechtvaardigen dat hij ze zelf ook onderschrijft:

Een zucht te zijn
(Stendhal bezoekt Florence)

Een zucht te zijn in het lichaam van de stad!
Uitkijkend naar alles wat we willen zien en zijn.
Florence! Florence davert in ons door, rookt ons uit.

Met minder moet het, jij en ik alleen, het kan volstaan.
Al het goud van de wereld, het brokaat, weg ermee.
Er moet iets af, ergens moet iets af gaan bladderen.

Vergane verf, vaalgeworden streek, een hoekje af,
een ezelsoor. Een kraak in een bast. Een vijzel, krijtend
in een gebroken kom. Geef ons bij al die schoonheid

eindelijk weer ’s iets dat zijn schaduw werpt.
Want onwel nu van het surplus zijn wij, kleine
slaafjes van een schoonheid die ons openrijt.

[pag.31]

Mooi en waar, niet alleen menselijk leed kan zo raken, ook schoonheid weet te verwonden en te ontregelen. Er bestaat zelfs een Stendhal-syndroom. Dat is, volgens Wikipedia ‘een psychische aandoening die optreedt als iemand volledig overrompeld wordt door de schoonheid van kunst. Lichamelijke verschijnselen zijn een versnelde hartslag, duizeligheid, verwarring en flauwvallen.’

Misschien om niet ten onder te gaan aan alle schoonheid in de wereld, bezingt Rigolle ook uitbundig de narigheid: clusterhoofdpijn, de wrede oorlogen van machthebbers, afnemend geheugen, dood door ouderdom, afscheid van vrienden. En in onderstaande geheel gedicht: verkalkte slagaderen.

Bypass

Iemand zegt dat je nu een krijger bent.
Geheeld en wel, met een litteken
als een omgekeerde rechtopstaande
evenaar over de borst.

Je checkt of alles er nog is. De zonnestelsels
in het hoofd. Duizend wegen, Mille Miglia.
De wonderlijke vragen.

Of ook bomen weten wat ze willen?
Of ook domme vogels kunnen vliegen?
En hoe zou het zijn als de Aarde ringen had?

Hoe vurig hoop je dat morgen al
de glans terugkomt in jouw ogen.

[pag. 49]

Ik word blij van de vraag of ‘ook domme vogels kunnen vliegen.’ De afwisseling tussen ernst en vreugde in dit gedicht kenmerkt de hele bundel. Of je die nu chronologisch van begin tot eind tot je neemt of al bladerend, je blijft je steeds bewust van hoe alle gedichten een samenhangend geheel vormen. Ze zijn bevriend, verwijzen naar elkaar en naar meer of minder bekende gedichten en kunstwerken in vele intertekstuele dwarsverbanden. Misschien wel het sterkste voorbeeld daarvan is de brief aan een dichter die Rigolle heeft beïnvloed, in onderstaand gedicht:

Brief aan Baudelaire

Ha Baudelaire, kan ik jou, kan ik jou nog schrijven
anderhalve eeuw, een land en een landschap later
nu het duister opnieuw deemstert doorheen

de dagen en verderop in het Oosten een man
halsstarrig bommen gooit op uitgestorven steden.
Wie of wat zou je zijn indien je terug kon keren?

Een rapper, een rekkenvuller die vol gramschap
de dingen schikt of ergens tussenin een dichter
die zich inzet voor het klimaat? Ik kan er enkel maar

naar talen, Baudelaire, net zo verstrikt als ik ben
in de halsstrik van de taal. En graag, wat graag
herdenk ik in jou, in mij, anno nu, de dag dat

Menno duizend dromen stierf, de dag
dat Pernath van rechts naar links het boek
van de waarheid droeg, het uitgebreid hebbend

over de onmacht een mens te zijn.

[pag. 9]

Wat een heerlijk eigentijds begin: ‘Ha, Baudelaire.’ En dan eindigen met zo’n rijk beladen zin ‘over de onmacht een mens te zijn’. Baudelaire (1821-1867) staat erom bekend dat in zijn werk vorm en inhoud samensmelten. Hij was voor de beide in dit gedicht genoemde dichters Hugues Pernath en Menno Wigman een groot voorbeeld. De laatste vertaalde Baudelaires bekendste werk Les Fleurs du mal (De bloemen van het kwaad) en in 2001 werd hij genomineerd voor de Hugues C. Pernath-prijs voor zijn bundel Zwart als kaviaar. Een minder feitelijke, meer thematische dwarsverbinding vormt de laatste zin ‘over de onmacht een mens te zijn’. Die sluit ook aan bij zinnen in de twee eerder geciteerde gedichten over schoonheid in het menselijke: ‘afgebladderd’ en ‘krijger met litteken’. Het roept de vraag op of misschien de mens die de onvolmaaktheid niet accepteert vatbaarder is voor machtswellust en hebzucht die tot oorlog leiden? Zoals de man die ‘halsstarrig bommen gooit op uitgestorven steden’? Vragenderwijs stelt de dichter eigenlijk dat het juist onze imperfectie is die ons mens maakt, samen met het feit dat we ons daarvan bewust zijn.

Met dit soort dwarsverbindingen binnen de (dicht)kunst staat de bundel vol, maar ze dringen zich niet op, het is niet nodig hun precieze betekenis steeds op te zoeken. Het komt niet cerebraal over, maar meer alsof de dichter al die andere schrijvers en kunstenaars, dood of levend, als zijn vrienden beschouwt.
____

Paul Rigolle (2025). Het Omber en het Oker. Uitgeverij P, 64 blz. € 19,50. ISBN 139789464757705

Meanderlink: Het menselijk tekort en schoonheid die verwondt

Facebook-bericht van 26 juni 2025

Poëzie van een robuuste élégance

Bert Bevers bespreekt ‘Het Omber en het Oker’ voor De Boekhouding van de VVVL – Vereniging van Vlaamse Letterkundigen vzw. Blij met de mooie woorden!

Dit is de link:
https://deboekhouding.blogspot.com/2025/06/betrokken-bij-het-weidse-nabije.html

De volledige recensie:

Met Het omber en het oker is Paul Rigolle (° 1953, Roeselare) toe aan zijn zesde bundel. Die is onderverdeeld in de cycli Een stem in de tijd, Fragmenten van het huis, Het omber en het oker, Een jaagpad in de regen, Het heimwee van de bladen naar het boek en De acht letters van het woord afscheid. Die tellen respectievelijk tien, zes, acht, nog eens acht, zes en drie verzen.

Ik lees de poëzie van Paul Rigolle reeds jaren met genoegen. Deze West-Vlaamse dichter schrijft, ik merkte dat eerder al eens op, een poëzie die aan je blijft haken, poëzie van een robuuste élégance. Hij schrijft gedichten om op te kauwen, om na te proeven, met straffe regels als Wat onomkeerbaar is, is nog lang niet klaar.

Rigolle gebruikt bepaalde woorden graag regelmatig. Neem in deze bundel taal dat je niet minder dan 12 keer ziet verschijnen. Ook tijd (9 keer) vindt hij fijn. Zijn poëzie is geen navelstaarderij maar een weerspiegeling van het leven in alle facetten. Van verlies en winst, van angst en liefde, maar ook van dood en pijn. Zijn poëzie werkt in wisselende perspectieven aan het bezweren van vergetelheid.

Het is boeiend om te lezen hoe zorgvuldig Rigolle wat hij zoal in zijn belevingswereld toelaat ontleedt. Hij is een begenadigd kijker (Het landschap beneemt de adem, slijpt zich / in de ogen vast) en analytisch waarnemer (Soms wordt de tijd een ding waarin je kijken kunt. / Viewmaster, album, kijkkast.) met behalve voor het leven zelf een groot hart voor de kunst die dat verwerkt. Hij verwijst naar dichters, componisten en filosofen als Baudelaire, Hettinga, Hindemith, Pernath, Stendhal, Wigman en Wittgenstein. Ook beeldend kunstenaars als Philip Aguirre y Otegui, Maaike Bearelle, Jasper Rigole en Hans Vandekerckhove worden genoemd.

Rigolle ziet dat je niet zomaar licht hebt maar: Zoveel soorten licht zijn er. Licht dat gulzig likt / en licht dat met het blote oog voltooit wat is / gemaakt, er mag gekeken, er mag gestaard. Je vóelt bij het lezen dat hij alleszins telkens wárm licht ziet. Om het in beeldende kunsttermen te plaatsen is Rigolle nauwer verwant met de aardkleuren van Paul Klee dan met de tinten van de kille abstracties van lieden als Piet Mondriaan. Dit is poëzie die het recht opeist om schoonheid niet verloren te laten gaan.

Deze dichter is ook precies. Wat mij, als liefhebber van onze gevleugelde vrienden, bijvoorbeeld veel genoegen doet is het feit dat Rigolle hen als ze relevant opduiken in zijn werk niet zomaar als ‘vogels’ opvoert maar expliciet noemt als merel, als leeuweriken, als spreeuwen.

Hij houdt niet van kabaal, apprecieert meer en meer de stilte blijkens Van elke boodschap halen wij de ruis. (Interieur) en zoete mechaniekjes die zoemen en zingen en welhaast geluidloos mee stappen in de trage triomftocht van het gedicht (Orgelpunt) en Niets is hoorbaar. Mateloos trillen de bladen in hun heimwee naar het boek (Nauwelijks een gerucht).

Een heel erg mooi slot vind ik (van Slang) En jij, jij zal liedjes zingen in het Italiaans / en schoenen dragen, gemaakt om weg / te wandelen uit het grijs van onze steden. Zulke regels ontroeren mij, zonder dat ik kan duiden waarom. Maar gelukkig hoeft dat niet. En bij poëzie al helemaal niet. Dat Paul Rigolle nog maar lang getuigenis af mag leggen van zijn betrokkenheid bij het weidse nabije.

Het omber en het oker, Paul Rigolle, Uitgeverij P, Leuven, 2025, ISBN 978-94-64757-70-5

© Bert Bevers

Bypass in het Indonesisch

Van goede zorgen gesproken! Dichter en Beeldend Kunstenaar Albert Hagenaars vertaalde samen met Siti Wahyuningsih mijn gedicht “Bypass” (uit ‘Het Omber en het Oker’) in het Indonesisch. Waarvoor veel dank!

Je kunt het hier nalezen. In het Nederlands én dus ook in het Indonesisch.
De link:
https://puisibelanda.blogspot.com/2025/05/paul-rigolle-bypass.html

Er misschien toch nog even bijzeggen dat de foto van deze jongen (van Bert Bevers) bij het gedicht tot iet of wat gedateerd lijkt… 🙂


Jumat, 30 Mei 2025

PAUL RIGOLLE – Bypass

BYPASS

Seseorang berkata kau sekarang
adalah seorang prajurit. Sembuh sehat,
dengan bekas luka seperti ekuator
yang terbalik tegak di dada.

Kau memeriksa apakah semuanya masih ada.
Tata surya dalam kepala. Seribu jalan, Mille Miglia.
Pertanyan-pertanyan yang luar biasa.

Apakah juga pohon-pohon tahu apa yang mereka inginkan?
Apakah juga burung-burung bodoh bisa terbang?
Dan bagaimana jadinya jika Bumi memiliki cincin?

Betapa sungguh-sungguh kau berharap
agar esok matamu kembali berbinar.

Terjemahan: © Siti Wahyuningsih dan Albert Hagenaars

29-05-2025

BYPASS

Iemand zegt dat je nu een krijger bent.
Geheeld en wel, met een litteken
als een omgekeerde rechtopstaande
evenaar over de borst.

Je checkt of alles er nog is. De zonnestelsels
in het hoofd. Duizend wegen, Mille Miglia.
De wonderlijke vragen.

Of ook bomen weten wat ze willen?
Of ook domme vogels kunnen vliegen?
En hoe zou het zijn als de Aarde ringen had?

Hoe vurig hoop je dat morgen al
de glans terugkomt in jouw ogen.

Paul Rigolle

Het omber en het oker

Penerbit: Uitgeverij P, Leuven, 2025
Photo penyair: © Bert Bevers
Photo sampul buku: nama ‘Sublimis’, Pol Delameillieure
Kunjungi juga:
Frozen Poets – Patung-patung, kuburan dan jejak lain dari penyair2

www.alberthagenaars.nl

Voor wie het niet kan laten

Zaterdag 31 mei 2025
Vervisch & Tijdgenoten

Facebook-bericht van 31 mei 2025
Voor wie het niet kan laten om jaar in jaar uit kunsthuizen, galerieën, artistieke plekken en plekjes, open ateliers, musea en andere art-platformen te bezoeken zijn er huizen in de branding die na verloop van tijd echte ‘huizen van vertrouwen’ geworden zijn. Zo’n plek – dat hebben we hier, vooringenomen als we zijn, al meer gezegd – is ongetwijfeld die van de Kunstkamers De Queeste in Abele: De Queeste Art.

Momenteel gaat de boeiende tentoonstelling “Vervisch & tijdgenoten” aldaar haar laatste weekend in. Godfried Vervisch (1930-2014) is een van die “eeuwige nieuwe wilden” en getalenteerde autodidacten, wiens werk ons nauw aan het hart blijft liggen. De Queeste Art toont momenteel een flink aantal werken van hem rijkelijk aangevuld met werk van Roger Somville, José Vermeersch, Filip Bouttens, Yvan Theys, Knut Kersse en Fred Bervoets.

Wie het in extremis en op de valreep nog kan mag zich beginnen haasten. In bijlage een aantal foto’s van werken uit de expo.

Alle info via:
https://www.dequeeste-art.be

Taal een kostbaar goed

Vrijdag 30 Mei 2025
Facebook-bericht van 29/5/2025
Op Roer.me – zeer gewaardeerde vrijhaven voor poëzie – staat in de vorm van een interview een gesprek dat ik mocht hebben met Roer-redacteur Edward Hoornaert. Edward was ook al de man die mij tijdens de voorstelling van ‘Het Omber en het Oker’ op 23 maart 2025 een aantal vragen mocht stellen voor een wel zeer levendig publiek.

Hieronder plaats ik met veel dank het Roer-gesprek integraal.

In gesprek met Paul Rigolle

https://www.roer.me/post/taal-een-kostbaar-goed

Over het wonderlijke instrument van de taal, het verschil tussen Kijken en Zien en de kunst van het invulling geven. En over zijn zesde bundel Het Omber en het Oker.

Welkom terug, Paul! Eerst en vooral proficiat met je nieuwe bundel Het Omber en het Oker (Uitgeverij P)! Je bent een graag geziene gast op poëzie-evenementen, brengt via De schaal van Digther het werk van vele collega-dichters onder de aandacht, neemt een actieve rol op binnen de VWS, schrijft regelmatig over wielrennen, … Heeft die verscheidenheid aan activiteiten een vertragend effect gehad op het verschijnen van deze bundel (de vorige dateert van 2013) of had deze bundel gewoon meer tijd nodig om te rijpen dan de voorgaande?

Doorheen de jaren is het bij mij een beetje een tweede natuur geworden om een aantal dingen op de voet te volgen. Of dat toch met veel goesting te willen doen. Dat is in eerste instantie uiteraard het geval met de poëzie (en bij uitbreiding de literatuur, de kunst en ook de filosofie). Of zoals de psycholoog van dienst ooit in een PMS-verslag schreef: ‘De interesse is nogal diffuus…’ Daarnaast blijft ook het wielrennen al van in mijn vroegste jeugd één van mijn andere vreemde dada’s waarvan ik vaststel dat die moeiteloos de jaren weten te overleven. Noem het wielrennen gerust één van mijn wel erg guilty pleasures waarover ik ook regelmatig schrijf. Bovendien broed ik op een aantal plannen om er in de toekomst nog iets uitgebreider over te schrijven. Ik noem het ook vaak de meest poëtische sport…Ik moet dus wel toegeven dat ik op heel veel momenten nogal onderhevig ben aan verregaande versnippering. Wellicht zorgt dat bij mij inderdaad wel voor een vertragend effect op het vlak van puur creatief schrijven. Maar dat is uiteindelijk niet echt mijn grootste zorg. Wat niet is, is niet gemaakt. En wat komt moet maar komen. Pure publicatiedrang is mij misschien wat té vreemd en ik schrijf bovendien nogal traag en met veel aandacht… Het Omber en het Oker, mijn recente bundel, liet lang op zich wachten (een kleine twaalf jaar) maar het kan heus nog erger. Tussen mijn derde (Overal en op alle plaatsen) en mijn vierde bundel (Van het Hart een Steen uit 2009) zaten zo maar eventjes 23 jaar! Kan qua afstand in de tijd tellen hé…

De titel van je bundel, Het Omber en het Oker, roept een beeld op van warme, aardse kleuren die vaak in de schilderkunst worden gebruikt. In hoeverre weerspiegelen deze kleuren de thematiek van je poëzie?

Misschien moet ik vooraf even zeggen dat de titel van mijn bundel ook de titel is van een cyclus die vooral het schilderen en de kunst in het algemeen als thema heeft. Maar het klopt wel, ik denk dat mijn bundel nogal down to earth is. Dus die schaduwrijke omberachtige kleuren zinnen me wel. ‘Meer een man van stenen dan van sterren’, stond er eerder al op de flap van mijn dichtbundel Van het hart een steen uit 2009. Het aardse is mij dus net iets liever dan de hemel wat niet belet dat ik net als elke dichter niet af en toe met mijn gedichten naar de sterren wil reiken en ook dat ik vind dat er in heel wat van mijn gedichten toch wel flink wat licht voorkomt.

Alsof je bent voorbestemd om alles / vast te houden moet en zal je zingen. Zo opent het eerste gedicht (Missie) van de bundel. In het daaropvolgende gedicht krijgt deze opgave al meteen een bijna theatrale invulling: Steeds hogerop, ladderdrift mijn deel, wuif ik weg / wat ik niet wil weten. In een klassiek / en wild gebaar maak ik van elk plafond / een hemel. Wat er nog niet is zal ik maken, / hoogmoed zit mij als gegoten, past mij zoals / alleen een hoofd kan passen in mijn handen. Het lijkt erop dat poëzie bij uitstek de plek is waar de ontkenning van de vergankelijkheid kan worden gesublimeerd?

Ja, in zijn beste momenten is de dichter voor mij iemand die de taal naar zijn eigen maat en wensen weet te dwingen. Het is een gevoel dat je via de taal werkelijk macht kunt krijgen over de dingen die je nauw aan het hart liggen. Dat gebeurt zeker niet dagelijks, eerder zelden, maar als het lukt om net die woorden te vinden die in een gedicht of in een tekst voorgoed en precies hun plaats hebben gevonden dan lijkt het alsof je in die begenadigde momenten greep krijgt op de werkelijkheid. En op het voortschrijden van de tijd. De taal is een kostbaar goed dat we in warrige tijden nog intenser moeten koesteren dan we het voordien altijd al deden.

In de eerste cyclus Een stem in de tijd onderzoek je vooral ook de worsteling met taal en de positie van de dichter in deze tijd. Welke rol speelt poëzie volgens jou in een wereld die steeds minder vatbaar lijkt voor nuance? En voel je je soms, zoals je schrijft, verstrikt in de halsstrik van de taal?

Ik schrijf nu al zowat een halve eeuw poëzie… Het zou gek klinken als ik hier zou zeggen dat ik niet in de kracht van de poëzie zou geloven. Het tegendeel is waar. Maar inderdaad, de wereld ziet er steeds minder rooskleurig uit en dat brengt mee dat het schrijven in het algemeen niet zomaar meer vrijblijvend kan zijn. Dat het ook moeilijker wordt… En vaak draait het schrijven ook bij mij – ik weet niet hoe het bij jou is – uit op een gevecht met de taal. Vandaar het beeld van de halsstrik van de taal. Maar het besef wordt niettemin en ondanks alles altijd maar groter dat een mens eigenlijk niets voorstelt zonder dat wonderlijke instrument van de taal.

In diezelfde cyclus duikt de taalfilosoof Wittgenstein op in het gedicht ‘Dag Ludwig’. Zijn fameuze leuze ‘Waarover je niet kunt spreken moet je zwijgen’ wordt er zelfs letterlijk geciteerd. Is dichter zijn een les in bescheidenheid of heeft de dichter de taak om de grenzen van het verstand voortdurend op te rekken door de grenzen van zijn taal op te rekken?

Zelf hou ik van gedichten die niet meteen te doorgronden zijn. Er mag heus wel wat denkwerk bij komen kijken. Niet alleen om ze te lezen maar ook om ze te schrijven. Voor mij – hoe verstaanbaar ik mijn poëzie ook probeer te houden – is een gedicht altijd een samengaan van, laten we zeggen, hart en hoofd. Misschien is de poëzie wel een vorm van filosofie maar dan een filosofie die alle mogelijke absolute antwoorden gewoon openhoudt. En het raadsel van de mens en van het leven nog groter maakt dan het al is.

Een heel mooie gedachtegang die ons naadloos naar het intimistisch alledaagse van de cycli Fragmenten van het huis en Een jaagpad in de regen brengt. In die cycli komen huiselijkheid en werelds geluk samen te vallen. In welke mate is poëzie voor jou een manier om mooie momenten vast te leggen en te bewaren?

Ondanks de toestand van de wereld en de invloed van allerhande bullebakken van internationaal niveau die mij – net zoals velen onder ons – zorgen baart, acht ik mij absoluut geen ongelukkig mens. Laatst hadden we het er thuis over naar aanleiding van een krantenartikel. De vraag was hoeveel zou je jezelf als geluksgevoel geven op een schaal van 1 tot 10. Mieke, mijn vrouw, en ik kwamen zowaar uit op een cijfer van acht plus. Soms vertaalt dat gevoel zich ook in de toon en ook het onderwerp van mijn poëzie. Een gedicht als Jaagpad bijvoorbeeld eindigt bijna met een boutade: Geluk is een jaagpad in de regen. Meer en meer besef ik dat het vooral de kleine dingen zijn die het leven zeer de moeite waard maken. Het gedicht ‘Een stem in de tijd’ eindigt met de slotsom: En nooit, nee nooit/ de genade vergeten van dat ene leven/ dat het jouwe is, en niet van een ander.

In de cyclus Het omber en het oker lijk je poëzie en schilderkunst nog dichter bij elkaar te brengen. Je gebruikt kleuren, materiaal/materie, verhoudingen, contouren en lichtschakeringen als uitgangspunt, maar schildert met woorden. Hoe ervaar je die verwantschap tussen beeldende kunst en poëzie?

Die verwantschap is bij mij toch wel zeer aanwezig. Ik wil hier ruiterlijk toegeven dat ik wat afgunstig ben op mensen die er in slagen om op creatieve manier getuigenis af te leggen zonder daarvoor het gesproken of geschreven woord nodig te hebben. Ik heb zelf tijdens een paar blauwe maandagen wat geschilderd. Maar het resultaat was niet van die aard dat ik er ooit aan heb gedacht om daar veel mee naar buiten te komen. Misschien maar best ook. Maar het illustreert wel de affiniteit die ik heb met de plastische kunst. De vrijheid die ik ooit ondervond toen ik – niet gehinderd door veel technische bagage – probeerde te schilderen leek me ook veel groter dan die van het schrijven. Maar misschien zullen echte schilders en kunstenaars daar wel anders over denken. Enfin, wat mij zeer intrigeert, zowel in de poëzie als in de plastische kunst, is de spanning die er heerst, het verschil tussen Kijken en Zien. Al klinkt dat natuurlijk vrij cryptisch.

Je bundel wemelt van verwijzingen naar dichters, filosofen, kunstenaars en zelfs persoonlijke figuren zoals je vader en je zoon. Zijn deze mensen ankerpunten in je poëtica of duiken ze eerder spontaan op in je schrijfproces? En in welke mate zie je poëzie als een dialoog met anderen – zowel grote namen als intieme, persoonlijke stemmen?

Vaak zijn de onderwerpen al veel langer aanwezig dan dat ik er effectief over ga schrijven. Maar ik weet wel dat ik er vroeg of laat, wanneer de tijd er rijp voor is, over zal schrijven. Op mijn laptop heb ik heel wat bestanden met titels van gedichten die nog niet geschreven zijn. Het gebeurt onderweg, dingen die je ergens tegenkomt, of dingen die je leest. Alles kan voor inspiratie zorgen. Alles kan een thema zijn. Maar doorgaans is het wel zo dat de onderwerpen mij eigenlijk overkomen zonder dat ik ze zelf opzoek.

De vele oorlogen en het geweld dat de wereld momenteel teistert laten je duidelijk niet onberoerd. Je roept Baudelaire op als getuige van het duister dat opnieuw deemstert doorheen de dagen, brengt Pernath in herinnering wiens werk doordrongen is van oorlog en trauma. Draagt een gedicht op aan de vluchtelingen die ondanks het vastlopen in taal, het opgejaagd worden, het ontheemd zijn het vuur diep van binnen brandende weten te houden. Wat vermag een dichter tegen de onmacht die hij ervaart mens te zijn?

Er zijn actueel dingen en ontwikkelingen in de wereld aan de orde waar je als je zoals ik al een aantal decennia hebt mogen meemaken licht verbijsterd en vol onbegrip naar zit te kijken. Het is moeilijk om er met je aanleg als verlate soixante-huitard met je gevoel en verstand bij te kunnen. Het maakt ook dat ik steeds moeilijker licht en onbevangen poëzie en proza kan schrijven. Je kunt wel terugplooien op jezelf en soelaas zoeken in de taal maar veel zorgeloosheid kan ik tegenwoordig niet meer in mijn gedichten toelaten. Verontwaardiging vergt een accurate taal. Wanhoop en onmacht, én engagement,  vormgeven al evenzeer. Niettemin mag daarbij ook het taalplezier niet ontbreken.

Met de cyclus Het heimwee van de bladen naar het boek introduceer je dagboekgedichten, en in de afsluitende Lamento-reeks komt afscheid nemen sterk naar voren. De poëzie lijkt er sterk op thuis komen op een vertrouwde en tegelijk (nog) onbekende plek. Poëzie is een eindig instrument, beperkt door taal en vorm, en toch lijkt het vaak te reiken naar het onzegbare, het oneindige. Hoe ervaar je die spanning?

In het begin van dit gesprek zei ik al dat ik al zowat een halve eeuw met poëzie bezig ben. Poëzie is en blijft een constante in mijn leven… die nooit weggaat. Da’s een zekerheid. En zowaar ook een troost. Met de jaren die voorbijgaan ervaar je de intensiteit van veel dingen veel meer dan toen je jonger was. Een pak mensen die je dierbaar zijn of waren zijn er niet meer. Dus ook dat speelt mee in het proberen te vatten van de eindigheid van het leven en al die dingen die voorbijgaan zonder dat je er erg in hebt. Poëzie is dus ook een manier om zij die er niet meer zijn te herdenken. Of te gedenken. Om te bewaren ook. En om vast te leggen wat eigenlijk niet vast te leggen is.

Schrijver Frank Pollet roemt je poëzie om de perfect gekozen woorden en subtiele zinswendingen. Hoe kijk je zelf naar het schrijfproces? Is poëzie voor jou eerder de zoektocht van een ambachtsman naar precisie en betekenis, of eerder een intuïtieve beweging richting iets wat nog niet volledig te vatten is?

Ik denk dat intuïtie bij mij een grote rol blijft spelen. Intuïtie lijkt mij een erg belangrijk instrument in de taal. Maar ook in het leven. De woorden moeten zich bij wijze van spreken bij mij een beetje opdringen vooraleer ze in een gedicht terechtkomen. Dagelijks noteer ik wel heel veel maar het is lang niet zeker wat ik van al die notities ook echt ga gebruiken. Of wat bruikbaar zal blijken. Uiteindelijk komt het er dan toch op neer dat inspiratie wel een mooie factor is maar dat het schrijven uiteindelijk vooral neerkomt op ambacht en werken. En dat je gewoon aan de slag moet gaan. All the rest is silence…

Over stilte (en stil komen te staan) gesproken. De laatste cyclus De acht letters van het woord afscheid is uiterst kort maar blijft lang nazinderen. Het is de plek waar de hemel invalt, gewend moet worden aan het idee dat niets ooit zo eindig was als een zachte bries in het ochtendraam. Waar taal wordt aangetast, het ik wegvalt in het ons. Het gezang van de merel het donker haast onhoorbaar doet oplichten. Waar de dichter op zoek gaat naar een plaats die een plaats zal zijn zonder jou. Vaak wordt gezegd dat rouw een vorm van liefde is die nergens terecht kan. Hoe bereid je je voor op een afscheid dat eigenlijk nooit helemaal af is – een verlies dat zich blijft aandienen in herinneringen, momenten en stiltes?

Afscheid nemen hoort bij het leven. Dat we er vroeg of laat dood-gewoon niet meer zullen zijn ervaar ik persoonlijk niet als problematisch. Voor mij is de ‘invulling’ van dat ene leven dat je gegeven is, een manier om zin te geven aan deze vreemde episode die we het leven noemen…

Hoe vul je jouw poëziekalender anno 2025 verder in, Paul?

Altijd staan er bij mij wel een aantal cycli van nieuwe gedichten in de steigers. Zo werk ik momenteel aan verschillende reeksen met als werktitels ‘Abri’, ‘Liederen voor de Steenweg’ en ‘De as van Pasolini’. Ik hoop die in het lopende jaar ook helemaal af te ronden. En zeker wil ik ook aan wat proza werken. Uiteraard ben ik intussen blij met de publicatie van Het Omber en het Oker waarvoor ik uiteraard – op sociale media en elders – de nodige publiciteit wil maken. Er staan alvast een aantal samenwerkingen in het vooruitzicht. Zo lees ik op 23 september bij de voorstelling van een cd van Tender Lion in Tielt een flink stuk uit mijn nieuwe bundel en op 24 september ben ik te gast bij Radio Tequila in Deinze. Voldoende dingen dus om naar uit te kijken.

Dank je wel, Paul, voor dit openhartige interview! En ik wens je veel nagenieten-met-anderen van de bundel! Te beginnen hier met de volgende drie gedichten:

Een stem in de tijd

Passer

Goin’ up the country




*** *** **

Een ode aan tien jaar De Republiek – Femke den Hollander

Foto: © Femke den Hollander @De Republiek

Fotografe Femke den Hollander is al jaren de huisfotografe van de Brugse Republiek @ De Republiek Stadmakers.
Nu de Republiek zijn/haar tienjarig bestaan viert is de expo die Femke in het Grand Café heeft een erg goeie bijkomende reden om nog ’s een bezoekje te brengen aan dit prachtige Brugse huis van vertrouwen!

Doen! De expo maakt waar wat ze is: “Een Ode aan Tien jaar De Republiek

#De RepubliekGrandCafé
#De Republiek Stadmakers
#FemkedenHollander

Zie ook:
https://www.femkedenhollander.be/
Femke den Hollander @De Republiek
De Republiek in Brugge

Facebook-bericht van 27 mei 2025