Gisterenavond, maandag 29 september 2025, was ik voor een radio-opname te gast bij Radio Tequila in Deinze. Ik ben immers de volgende dichter die het mooie maandelijkse poëzieprogramma “De poëtische Rode Avond” mag bevolken. Janis Derie stelde de vragen en Rob de Winter leidde alles in goeie banen. Ik las zes gedichten en mocht zowaar alle muziek kiezen voor het programma. Geen sinecure voor wie zoals ik ‘houdt van veel muziekjes’. De uitzending is intussen een maandlang online te beluisteren via https://radiotequila.be/ – Kiezen: Tequila Gemist – De Poëtische Rode Avond
Het programma blijft een maand op antenne tot ik word opgevolgd door Paul Demets, de volgende poëtische rode gast in november. De juiste luister-link plaats ik hier nog wel ik de komende dagen.
Rob De Winter leidt ‘De poëtische Rode Avond’ in goede banen. Rob De Winter signeert “Niets zal nog hetzelfde zijn” zijn nieuwste boek. Geassisteerd door de aimabele Janis Derie.
Ruben Bellinkx: The City Garden – in situ-installatie op Goet te Breuck
In het lieflijke West-Vlaamse dorp Sint-Denijs gaat van 14 augustus 2025 t.e.m. 21 september 2025 de kunstbiënnale “Sint-Denijs-City” door. Veel kunstrecensenten en ook een flink aantal van mijn FB-vrienden lieten zich daarover de voorbije weken nogal lyrisch uit. Een goeie reden dus voor ons om ook een bezoekje te brengen aan de Biënnale.
Over de foto van hierboven en het werk van Ruben Bellinckx: “Aan de ingangspoort van Goet te Breuck laat Ruben Bellinckx een deel van de aarde ademen. Het is een installatie die hij onder de titel “The City Garden” in eerste instantie al in 2002 samenstelde. Op twee plekken in de voortuin splijt de bodem langzaam open en dicht. De installatie werkt met luchtkussens, elektronisch gestuurde ventilatoren en een luchtcompressor… De installatie weet de toeschouwer (die er voor open staat) midscheeps te raken!
Als mijn info helemaal klopt dan stuurt Raymond Noë, publicist, columnist en redacteur van Boekenkrant en Onze Taal al sedert het gezegende jaar 1997 (!) (toen het internet nog maar pas kwam kijken) onder de naam Laurens Jz Coster, elke werkdag aan de poëzieliefhebbers die dat wensen, per email een gedicht. Het is een fantastische en onvolprezen gedichtenmailservice waaraan ik zelf – samen met duizenden andere liefhebbers – al jaren plezier beleef. Bijgaand en aanvullend is er ook de blog: https://laurensjzcoster.blogspot.com/
Dubbel plezier doet het mij nu dat ik vandaag op zijn onvolprezen de Coster-lijst als “Dichter van de dag mag fungeren”. Dat betekent dat een groot aantal poëzieminnaars vandaag twee gedichten uit mijn recente bundel “Het Omber en het Oker” in hun mailbox krijgen. Waarvoor heel veel dank! Het zijn de gedichten: Okkernoot en Passer. Ik plaats ze hieronder ook nog ’s in hun geheel.
In 2018 kreeg Raymond Noë voor zijn onvolprezen maildienst een Visser-Neerlandia-prijs. Marc van Oostendorp schreef daar in september 2018 toen dit over:
“Toen Noë bijna 20 jaar geleden met zijn werk aan Coster begon, was er nog maar heel weinig literatuur op het internet, en al helemaal nauwelijks Nederlandse lyriek. Het is niet overdreven om te zeggen dat Noë’s inspanningen een belangrijke rol hebben gespeeld om onze dichters een stem te geven op de grote marktplaats die het internet inmiddels is. Het is heel belangrijk voor de literatuur dat mensen blijven proberen nieuwe vormen te vinden om te kunnen blijven genieten van de klassieke letteren. Ik ben blij dat hij deze prijs krijgt. Ik ben trots dat Neerlandistiek de gedichten ook mag plaatsen.”
Dat we trage dieren zijn met een intellect dat schrijnt, het wordt beweerd, het staat geschreven. De okkernoot van ons brein
laat niets aan toeval over. Keer op keer draaien wij de waarheid om en wachten op de lessen die het leven ons moet geven.
Steeds hogerop, ladderdrift mijn deel, wuif ik weg wat ik niet wil weten. In een klassiek en wild gebaar maak ik van elk plafond
een hemel. Wat er nog niet is zal ik maken, hoogmoed zit mij als gegoten, past mij zoals alleen een hoofd kan passen in mijn handen.
•••
Passer
Aan elk schrijven hoort een visioen vooraf te gaan. Eerst komt het oerbos, diep en stil. Bramen, struiken, lianen slingeren zich in touw de bomen uit. Groot en levensvatbaar schrijft de trek zich in de vlucht van vroege vogels in.
Dieren kiezen vasteland. Wie straks rechtop zal staan doemt kruipend op. Figuren, personen breken uit hun lijst. Mensen zwellen in de straten aan. Eentweedrie een optocht. Een mars, een stil protest. Een foto scheurt ze uit.
Tijd vloeit het uurwerk uit. Het punt kruipt opnieuw de passer in. Klank houdt woord. Of het snelsnel of werk van lange adem wordt, moet nog blijken. Wat onomkeerbaar is, is nog lang niet klaar.
Ik schreef het gedicht een aantal jaar geleden. Daarin lees je o.a. over mijn ‘verzuchting’ om ooit – once in a lifetime – naar Carnac en Bretagne te reizen. Dat is deze zomer ook werkelijk gelukt. Een reisverslagje over de paar dagen die we volop aan “megalieten-tijd” spendeerden lees je hier: https://paulrigolle.wordpress.com/2025/08/08/313/ Facebook-bericht van Vr 8/8/2025
Alweer moet ik Albert Hagenaars van harte bedanken! Samen met John Irons vertaalde hij mijn gedicht “Dag Ludwig” naar het Engels: “Hello Ludwig“. Vereerd, da’s het woord!
En ja, natuurlijk ga ik voor Daan en zeker ook voor die goddelijke feestverjaardag van “Worst case scenario” die de mannen van dEUS mogen vieren. (Dertig jaar baanbrekend werk zowaar!!!). En misschien ga ik ook wel voor Eefje De Visser en Nubiyan Twist… Op de line-up komen voor deze jongen Porcelain ID, The Mystery lights en King Hannah wellicht net ietsje te vroeg na de middagdut.
Maar één ding is wel zeker. Héél zeker. Wie ik vandaag niet en in géén geval wil missen is die ‘one and only’ crooner, ‘Mr Cool’ uit Sheffield: Richard Hawley.
Eergisteren bracht ‘the grumpy old man’ met de naam Novak ‘Nole’ Djokovic het toch maar weer voor elkaar. In de kwartfinale van Wimbledon, editie 2025, won hij dan toch nog van de Italiaanse sympathieke coming-man Flavio Cobolli waarvoor ik, wat had je gedacht, een absolute voorkeur had. En daar heb je het : het spel van de zich inlevende tenniskijker die zich af en toe – geloof me, het is sterker dan hemzelf – verliest in verregaande sympathieën of onwrikbare anti-pathieën…
Ik wil er hier niet eens een geheim van maken… Maar in de halve eeuw en langer dat ik het tennis volg, heb ik nooit een grotere afkeer gehad van een tennisspeler als ik die door de jaren heen heb opgestapeld tegen die Servische nukkenkampioen Novak Djokovic. Ik moet die man niet. Alleen al zijn gedrag in ontelbare tennismatchen hebben me nooit kunnen bekoren.
De tennisser op zich wel natuurlijk, je zou wel blind moeten zijn als je zijn immense tennistalent zou minimaliseren. Maar als mens, nee… Zijn antivaxer-neigingen, zijn complot-gevoeligheid (het rechtgeaard publiek lust hem niet, en dat beseft hij…), zijn plots opduikende al dan niet reële kwetsuren, zijn woedeaanvallen die zich soms zelfs richten tegen onschuldige ballenjongens… Nee… Hij mag dan in de cijfers de titel van ‘Goat’ (“the greatest of all times”) dragen, als mens het niveau halen van pure tennisstylisten als Bjorn Borg, Roger Federer of Rafa Nadal… nee, dat zit er bij de Serviër, wat mij betreft, helaas niet in… En, o tragedie en wellicht bron van al zijn getormenteerde en soms onvoorspelbare gedragingen, hij beseft het na al die jaren aan de top misschien zelf nog wel het best…
Dat ik, zo merk ik, niet alleen sta, met mijn uitgesproken mening, las ik trouwens vanmorgen nog in een artikel op ‘Sportnieuws.nl‘. Een site die misschien niet vrij is van enig ge-‘clickbait’ in de titels… Maar toch het staat er, ‘loud and clear‘, ‘hij, Novak Djokovic, verkoopt nog liever zijn moeder…
Mooie herinnering! Twee jaar geleden @VenetiaanseGaanderijen in Oostende – 11-07-2023-Expo: “De klare kijk van Joseph Willaert”. Met Hedwig Speliers. Curator van de tentoonstelling was Els Vermeersch.
Ik schreef op De Schaal van Digther een kort verslagje over een avond die een waardige hommage werd. Nu ook hieronder na te lezen.
Dinsdag 8 Juli 2025 Mark Braet 100
Denkend: overal zijn we geweest, waren we, zullen we komen. Niets of niemand ontneemt ons de herinnering. (gedenkprentje Mark Braet)
Gisterenavond, maandag 7/7/2025 werd in de Brugse Snuffel – dag op dag – de 100° geboortedag van Mark Braet (1925-2003) herdacht. Het werd in samenwerking met het Frans Masereelfonds een waardig eerbetoon aan een dichter, vertaler en maatschappelijk en politiek bewogen man die in Brugge en elders in de wereld via zijn poëzie (en die van anderen zoals die van Pablo Neruda) een aantal mensen op zijn hand, en – te nemen of te laten – zeker ook in zijn hart kreeg. Het thema van de avond was, geheel in de lijn van de persoonlijkheid van Mark Braet, “Engagement en Poëzie“.
Peter Holvoet Hanssen trad op als ceremoniemeester van dienst en deed dat op zijn eigen onnavolgbare manier. Hij werd op gitaar geruggensteund door Myrddin De Cauter, jongste telg uit de De Cauter-dynastie. Peter Holvoet-Hanssen brak in en kaapte bekende (“Sulamith“) en minder bekende gedichten van Braet alsof ze al jaren tot zijn eigen Kapersnest behoren. Ze werden afgewisseld door Rik Hemmeryckx, conservator van het Emile Verhaeren-museum die op een serene manier toelichting en duiding gaf bij leven en werk van de dichter.
Nele Ghyssaert, de weduwe van Mark, dankte aan het eind van de avond alle medewerkers aan deze bijzondere avond en ook het talrijk opgekomen publiek met vooral mensen die Mark bij leven hebben gekend. Nele Ghyssaert staat al jaren garant voor een zeer gedetailleerde en boeiende website gewijd aan Mark Braet die nog geregeld wordt aangevuld. Het loont de moeite om ’s een kijkje te gaan nemen!
Later op het jaar gaat de Mark Braet 100-herdenking nog door met in oktober een tentoonstelling in de Bogardenkapel “Mijn kleine kleurdoos” (met werk van Sara Bomans, Johan Clarysse, Peter Jonckheere, Gracia Khouw, Frans Masereel, Peter Puype, Renaat Ramon, Sammy Slabbinck, Geertje Vangenechten en Aäron Willem). Op 18 oktober 2025 volgt er dan nog een avond rond “De dichter“, met acteurs Sam Louwyck en Marijke Pinoy en op 6 februari 2026 (de sterfdag van M.B.) wordt het slotakkoord geplaatst.
Persoonlijke slotnoot: Vaak, zegmaar elke keer ik in Brugge in de “Craenenburg” een koffie of iets anders ga drinken – al dan niet in fraai literair of ander gezelschap – zie en hoor ik opnieuw de jaren tachtig en negentig terug… En weer hoor ik de stem van Mark Braet, ongeremd schallend doorheen het hele café: “Hey jonge dichter! Hoe gaat het ermee?” En ik die dat toen (en nu) niet eens gênant vond. Wel integendeel. Het missen van (bepaalde) mensen gaat immers altijd maar door.
Eerder – op reis in de Finistère en andere Bretoense streken – las ik de recensie al even online. Nu ook op papier. In het 4° nummer van de lopende jaargang van de Poëziekrant bespreekt Jooris van Hulle ‘Het Omber en het oker’. Alweer een recensie waar ik mij enkel over kan verheugen… “Om alles vast te houden…” Misschien is dat wel dé perfecte reden om gedichten te gaan schrijven…
Aan Het omber en het oker, de zesde dichtbundel van Paul Rigolle (1953), gaat onder meer dit citaat vooraf uit de Brieven aan Plinius van Marleen De Crée: ‘Een huis op de wind van het woord. / wonen is een tijd van keren. / maar ik breek open.’ En al even bepalend voor de verzen van Rigolle zijn de er onmiddellijk aan voorafgaande woorden van Hester Knibbe: ‘Doe al wat afleidt weg, de poespas / eromheen voor je begint. Behoud alleen / onzekerheid of je wel woorden vindt / voor wat je drijft.’
Rigolle houdt zich ver weg van vormexperimenten die de schijn van originaliteit moeten hooghouden. Binnen een klassieke vormgeving, waarin een voorkeur opvalt voor de terzine en het kwatrijn, tekent de dichter het kader uit waarin hij zijn aanwezigheid in de wereld bevestigt.
In ‘Een stem in de tijd’, de eerste van de zes cycli uit Het omber en het oker, staat de relatie tot de taal voorop. Wat zich hierbij manifest aandient is de antithese tussen de vervoering die de dichter ervaart bij het schrijven (‘In een klassiek / en wild gebaar maak ik van elk plafond // een hemel’) en de onzekerheid die ermee gepaard gaat als hij zich geconfronteerd weet met de taal van wie hem is voorafgegaan: de taal van het eerste land, zijn geboortestad (‘de taal die hem ooit als een snavelbeet in de vleugel /van een vlinder getroffen heeft. // En treffen blijft’), de taal ook van de wegbereiders in het schrijven, Baudelaire, Wittgenstein en Tsjebbe Hettinga, wiens stem door de ietwat geforceerde allitteraties letterlijk opklinkt in verzen als ‘het talmen het tintelen het tillen van taal’ van ‘een blinde bulderaar, bonkend bluffend en brekend’.
Finaal is het erom te doen een eigen ‘stem in de tijd’ te vinden. Meteen daagt ook het besef van verantwoordelijkheid die het schrijven met zich meebrengt: ‘de tijd / dringt om af te wenden wat ons bedreigt’. Deze stille vorm van verzet breekt ook door in de cyclus ‘Een jaagpad in de regen’, met weer de bekommernis om de teloorgang van de natuur en de nood aan verstilling: ‘trage wegen dragen ons als leestekens / in het landschap. (…) // Adempauze. Pas op de plaats.’
De ik die nadrukkelijk aanwezig blijft in de gedichten, zoekt de beslotenheid van de kamer op, hij legt vast wat hem aan geluksmomenten wordt aangereikt in en door de liefde (‘haal ik adem in een huis dat ons tot schuilplaats dient’), in en door de schoonheid van beeldende kunst (met voorop hier de kleuren, van ‘het omber tot het oker’ tot het ‘schildersverdriet 2,1’, Paul Snoek revisited).
In de binnenwaarts gerichte terugblik komen fragmenten aan bod uit het dagboek van een (zijn) leven, waarin de vader-zoonrelatie wordt belicht (de relatie van de ik met zijn zoon, maar evengoed die met zijn vader die in het rustoord verblijft (‘En dat hij alles maar vergeten blijft. Het is / de tijd, jongen, die aan alles knaagt. (…) // Alles maak ik voor hem mooier terwijl hij / in mijn ogen kijkt en iemand anders ziet.’). De gedichten uit de slotafdeling vormen een emotioneel gedragen lamento voor een overleden collega, ‘de acht letters van het woord afscheid’ maken dat de ik op zoek dient naar ‘de plaats / die een plek zal zijn zonder jou.’ Het omber en het oker herijkt, na ruim een decennium van zwijgen, op een treffende manier het dichterschap van Paul Rigolle.